Een wacht voor onze lippen
In de honderd één en veertigste psalm verkeert David met zijn vrienden ver van Jeruzalem in zware nood. Wij weten niet precies wat de aanleiding is voor het dichten van deze psalm. Er kunnen vele oorzaken zijn van ellende, maar hoe dan ook – David kan aan de offerdienst niet deelnemen. Daarom vraagt hij of de Heere zijn gebed met naar de hemel uitgebreide handen tot morgen- en avondoffer wil stellen. Zijn nood is zo diep, dat de Heere zich mag haasten tot hem en zijn vrienden te komen; als Hij er maar is, dan weet hij dat alles terecht komt!
Zien wij de woordkeuze en de beeldspraak van de psalm er nauwkeurig op aan, dan bevindt David zich vermoedelijk niet in armoedige omstandigheden. Het geheel van het lied wijst er op, dat de koning zich bevindt in een omstandigheid, waarin een grote verzoeking op hem afkomt. Vorsten moeten nu eenmaal vaak vertoeven temidden van mensen met een wereldse toon. Ze moeten vanwege hun positie dikwijls deelnemen aan gezelschappen, die een andere levensbeschouwing huldigen dan die van het Woord. David is niet zonder zelfkennis in deze zaak. Er is ook bij hem nog iets van de begeerlijkheid des vleses en der ogen, alsook van de grootheid des levens. Het smullen van lekkernijen, het genieten van feestelijke maaltijden, het leven in weelde is veelal het deel der goddelozen. Ook voor de Godvrezende ligt er soms een sterke bekoring in. Hij kan er zelfs door in verleiding komen om zich aan de zijde van de werkers der ongerechtigheid te scharen en gemene zaak met hen te maken. Geheel onopvallend worden de strikken voor hem uitgezet.
In het licht van het bovenstaande is het nu opmerkelijk, dat David waakzaam is. Hij is niet volkomen zeker van zichzelf en daarom neemt hij zijn toevlucht tot het gebed. De Heere moge hem bewaren, met de zijnen, voor elke intieme gemeenschap met de werkers der ongerechtigheid. David vraagt of de Heere een wacht voor zijn mond zet, de deur van z'n lippen behoedt. Dan zal er geen onbedacht woord van begeerte van uitgaan, zijn hart wordt bewaakt door Gods hand. Deze bewaring van God zal hem bekwamen ook in de pijnlijkste situatie naar de wil van de Heere te handelen.
Wij hebben hier gelegenheid om te wijzen op het grote gevaar van het onbedachtzaam spreken. Wie veel temidden van mensen verkeert, veel tijd doorbrengt in vergaderingen, die weet hoe gauw misverstanden optreden, ja, hoe een kleine schakering in gebaar of stem een wereld van stoornis oproept. Dat geldt trouwens niet alleen in het gesprek, maar ook in het schriftelijk verkeer. Daarom heeft de apostel Jacobus de zonden van de tong onder handen genomen. Want de tong is als de toom van een paard en als een roer van een schip, klein en van grote invloed. De tong is als een vuur, dat een grote hoop hout aansteekt. Zo gaat het van de ene tong naar de andere. Er wordt zoveel gebabbeld.
Wij raken hier aan een punt, dat vooral in onze dagen aan de orde is. Schakel de radio maar in, zet de televisie aan – er zijn wat een gespreksthema's. De ene interviewt de ander, journalisten vliegen over de aarde van het ene naar het andere einde om een gewichtige persoon te bevragen. Het wemelt van praatavonden, inspraak voor en na; met kan telefonisch zijn zegje zeggen; geheel de wereld is één praathuis. Het is in de kerk al niet anders. Het ene weekblad huldigt dit oordeel; het andere weekblad poneert het tegenovergestelde. Merkwaardig daarbij is, dat men kan gaan denken dat de werkelijkheid bestaat in kranteberichten, opinies van dagbladen. De pers wordt de koningin der aarde genoemd. Het debat beheerst de opinie. Nu is uiteraard een zeker nut gelegen in het voeren van een debat. Het is een gymnastiek voor het verstand. Het is een oefening om het logge verstand soepel te maken. Wij proberen een bepaald onderwerp van verschillende zijden te benaderen; wij halen er doeltreffende argumenten uit naar voren om onze tegenstander te weerstaan. U bemerkt in zulk een debat maar al te vaak hoe de woordvoerders op dreef raken. Het is er meestal om te doen de tegenstander uit het zadel te lichten; men deinst voor geen tegenstrijdigheden terug; schroomt niet overmoedige gevolgtrekkingen te maken; ja, men dist drogredenen op. Het gaat er om de tegenpartij tot zwijgen te brengen.
Welnu, in de gemeente doet zich ook wel eens gelegenheid voor tot debat. Wij stuiten op tegenspraak of wij horen een stelling, die tot tegenspraak uitlokt. Dan kan soms najaren de oude debatteerkunst over ons vaardig worden, die in de studententijd ons parten speelde. Vooral in kerkbodes zie je het vuur soms spatten. Collega één beweert dit of dat; terstond vliegen de veren van collega twee omhoog. Diverse nummers aanéén zet zich de discussie voort. Tot vermaak van de ene partij, tot verdriet van de andere partij, tot onvruchtbaarheid van allen doorgaans.
Wij hebben deze mening. Een paard, dat op de muziek steigert en huppelt gaat niet voor de ploeg. Zo is evenmin in de gemeente een predikant gewenst, die aan disputeerzucht toegeeft. Goed, is er tegenspraak, dan mogen wij het antwoord niet schuldig blijven. Maar daarbij komt vooral aan de orde het gebed van David, waarmee wij ons artikel inleidden. Er zijn soms van die mensen, die alles beter weten, zij zijn dwars van structuur. Wat eeuwenlang is neergelegd als vrucht van diep bijbels onderzoek in de kerk, – zij springen er overheen. Zij willen altijd hun stem laten horen. Werpen alles ondersteboven en laten enkel en alleen verwarring na. Tegenover zulke smijters oftewel vechtersbazen moet men voet bij stuk houden, hen niet alles en nog wat te berde laten brengen, maar hen bij de hoofdzaak in kwestie bepalen.
Het kan soms goed zijn zulk een tegenspreker, wie vaak de eenvoudigste bijbelkennis ontbreekt en die uit de hoogte over de Schrift oordeelt, met één slag te doen gevoelen, dat hij over dingen spreekt, van welke bij niet het geringste besef heeft. Een paar vleugjes pittige humor doen hier ook vaak wonderen. Een glasheldere voorstelling van de waarheid overtuigt soms al geheel vanzelf. Er wordt zoveel gesproken op onsamenhangende manier, in vaagheden en overbodige omhaal, dat een bekwame ordelijke voorstelling ons vanzelf meeneemt. Het gaat niet áán de tegenstander met geleerdheid te overvleugelen. Neen, in de gemeente van Christus is het doel degenen, met wie wij te spreken hebben, te winnen voor Christus of hen van dwaling te overtuigen en hen vatbaar te maken voor meerder licht.
Dit zal ons bescheiden doen zijn, dit zal ons alle grote woorden doen vermijden, dit zal ons, wanneer wij zelf niet zeker van onze zaak zijn, doen zeggen, dat wij het punt in kwestie nog aan een nader onderzoek zullen onderwerpen. Dat zal onszelf voor de valse schaamte behoeden, die ons belet eerlijk dwaling te bekennen. De waarheid is groot en zij zal overwinnen – maar wij moeten onszelf ook aan die kracht van de Waarheid onderwerpen, en niet doen, alsof dat heerlijke Woord alleen geldt van wat wij menen waarheid te zijn. Zulk een debat lokt ons licht uit tot gewaagde stellingen, tot gewaagde tegenstrijdigheden. Dat mag onder vrienden zoveel kwaad niet veroorzaken, maar tegenover eenvoudige mensen wèl, om van kwaadwilligen maar helemaal niet te spreken. Wij kunnen door allerlei overmoedige stellingen schade aanrichten. De winst, daarbij behaald als debatterend spreker, weegt tegenover de schade niet op. Een los daarheen geworpen woord, dat wij zelf zo ernstig niet menen, kan gemakkelijk als onze echte overtuiging worden opgevat vooral door diegenen, die de loop van de gedachtenwisseling moeilijk kunnen volgen en zich slechts hier en daar aan een woord kunnen vastklemmen.
Er mag dus wel een wacht voor onze lippen staan, niet enkel in het verhit dispuut of debat, maar gedurig weer. Het zou trouwens helemaal niet fout zijn, wanneer wij eens voor een tijd gaan zwijgen. Onze praatlustige tijd kent wel veel gesprek en veel woorden, maar er zit maar weinig diepte doorgaans in. Het is juist goed door oefening in het zwijgen onze woorden meer kracht en diepte te verlenen. Als een zwijger het woord neemt, heeft hij gewoonlijk meer te zeggen dan een man, die aldoor aan het woord is. Het valt op en doet anderen luisteren. Als het woord van de psalmdichter inderdaad onze bede is, zullen wij leren in onze woorden niet te struikelen. Door de Geest der genade komt er een eigenaardig aroma in onze woorden, die op deze wijze een duurzame kracht ontvangen.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's