Doperse tendensen in onze tijd (8, slot)
Wat is dopers? In het verband van wat ik in een vorig artikel heb geschreven, geef ik als antwoord: dopers is als men een visie op de gemeente heeft die niet in overeenstemming met de Schrift is. Zo'n visie bestaat ook in onze tijd. Men wil ons voorhouden dat de gemeente enkel en alleen moet bestaan uit mensen die met de Heilige Geest gedoopt zijn. Déze doop is de voornaamste. Het teken daarvan is de doop met water.
Wie met de Geest gedoopt is en daarvan blijken geeft in boete en bekering kan dus het uiterlijk teken van de doop ontvangen. De inwendige doop vormt samen met de uuiterlijk op deze manier de volkomen doop. Het zal duidelijk zijn, dat de kinderdoop in bovenstaande opvatting vrijwel geen enkele waarde heeft. Wie deze opvatting deelt, laat zijn kinderen niet dopen of als de kinderen vroeger gedoopt zijn, wordt daaraan geen waarde gehecht. Meestentijds wordt men, als men de Geestesdoop heeft ontvangen, weer opnieuw gedoopt, de zogenaamde overdoop. Zo kan het voorkomen dat iemand twee keer gedoopt is. Een keer als kind en later op volwassen leeftijd na de Geestesdoop ontvangen te hebben. Ik ga nu maar niet verder uitweiden, dat het ook dopers is als men de zuiverheid van de doop laat afhangen van de dienaar. Het zwaartepunt wordt dan verlegd van God naar de mens. De kracht en de waarde van het sacrament wordt afgemeten naar de waardigheid van de dienaar. Hierdoor vervalt men in het oude kwaad van de Donatisten. Doch… ik laat dit maar rusten.
Belangrijker is het om op een paar andere zaken in te gaan die voor ons van méér belang zijn. Zij zijn voor ons actueler dan de waardigheid van een dienaar die de doop bedient. De actualiteit zit 'm hierin dat er ook in onze kerk en in onze gemeenten zijn die zich òf hebben laten overdopen òf van plan zijn dit te laten doen.
Eenmalig
Ik citeer een zinsnede uit artikel 34 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Zoals bekend gaat dit artikel zeer uitvoerig in op de doop. Welnu, in dit artikel staat onder andere geschreven: 'Hierom geloven wij, dat zo wiens voornemen is, in het eeuwige leven te komen, die moet maar ééns gedoopt worden, met de enige Doop, zonder die immermeer te herhalen, want wij kunnen ook niet tweemaal geboren worden'.
Een kernachtige uitdrukking: wij geloven! In vrijwel alle artikelen komen wij dit tegen: wij geloven. Onder het 'wij geloven' moeten wij verstaan het 'Bijbels geloven'. Van het geloof dat door Guido de Brés is beleden, mag men zeggen dat het geloof dat door hem geloofd wordt het zaligmakend geloof is. Wij geloven…! Wat geloven wij? Dat de Doop een heilige instelling van de Heere Zelf is. De doop is niet door mensen uitgedacht, maar door de Heere Zelf. Het sacrament is niet door mensen aan ons gegeven, maar door de Heere Zelf. Nu zal het juist zijn als iemand mij voorhoudt, dat men met doop allerlei kanten op kan. Dit sacrament kan overschat worden in die zin dat men van mening is dat het uiterlijk waterbad de vergeving van de zonden zelf is. Echter… het kan ook onderschat worden vanwege het feit dat men geen enkele waarde hecht aan wat God in de doop belooft. Een wel heel erge onderschatting van de doop is als men gaat spreken over 'gedoopte heidenen'. Het zal een ieder wel duidelijk zijn dat men dan zeer ver verwijderd is van het Bijbelse spreken. Hoe ver Israël ook was afgedwaald, maar het volk is door de Heere nooit aangesproken als gedoopte (besneden) heidenen, doch altijd als het volk van het Verbond waarop Hij recht had. Zelfs worden zij hier en daar kinderen genoemd. En ook al is dat in negatieve zin van afkerige kinderen, maar dan toch kinderen.
De oorzaak van aan de ene kant overschatting en aan de andere zijde onderschatting is het afschuwelijk ongeloof. Anders kan ik het niet zien. Het geloof, het Bijbels geloof daarentegen laat zich leiden tot de rechte praktijk. Dat heeft ook een doel. Want het is het voornemen van de kerk het eeuwige leven te beërven in de weg van de inzettingen Gods en met gebruikmaking daarvan. Wie eens gedoopt is, behoeft nooit weer gedoopt te worden. Het is een grove dwaling, alsmede een miskenning van wat de Heere heeft ingesteld, als men zich nog eens laat dopen. Wie het Oude Testament erop naleest, zal opmerken, dat er nergens wordt gesproken over een meermalige besnijdenis. Eens besneden, blijft men voor altijd besneden. Ook het Nieuwe Testament geeft geen enkele aanleiding om aan te nemen dat er een herhaling van de doop heeft plaatsgevonden. Wie zich derhalve laat overdopen, spot met de Heere en met wat Hij heeft ingesteld. Dat moet niet gering geacht worden, want de Heere laat noch met Zijn heilige Naam de spot drijven alsmede ook niet met alles wat Hij naar Zijn heilige wil heeft laten instellen. Nog erger wordt dit alles als men de kinderdoop veroordeelt. Daarmee sluit men de kinderen uit. Jazeker, men sluit hen uit van de genade. Dat is met een 'inzegening' zoals in bepaalde kringen gebeurt maar niet goed te maken.
Kinderen horen erbij. Ook zij behoren van jongs af aan tot het volk van het Verbond. Zij hebben recht op het teken van het Verbond. Het merk- en veldteken van de Heere Jezus aan hun voorhoofd mag ze derhalve niet onthouden worden. Bij dit alles moet ik nog iets vermelden. Terecht schrijft ds. W. L. Tukker in dit verband: 'En de besnijdenis en de offerande van een lammetje voor een jonggeboren kind waren voor de Gemeente Gods van ouds het bewijs, dat ook jonggeboren kinderen onder het offer der verzoening vielen, waarom men hun het sacrament niet mag onthouden'. Hieraan heb ik niets toe te voegen. Het is mij opgevallen dat bovenstaande zaken ook Calvijn hebben beziggehouden. Hoewel de reformator van mening was dat het sacrament van de doop in de roomskatholieke kerk bedorven en verbasterd was, laat hij toch in artikel 28 van de Franse Geloofsbelijdenis (1559) opnemen dat de doop er nog een klein spoor van de kerk is. Zij is een van de weinige dingen die in de pauselijke kerk zijn overgebleven. Om die reden zegt Calvijn behoort niemand overgedoopt te worden. Een tweede doop is niet nodig.
Hetzelfde wil ik – hoewel de situatie anders is – ook zeggen naar die groepen die menen dat de kinderdoop geen waarde heeft en die daarom op herdoop staan. Zelfs de onwetendheid van kinderen bij hun doop maakt een herdoop niet nodig. Calvijn merkt op: 'Als wij telkens een nieuwe doop moesten hebben, wanneer onze Heere ons reinigt van een dwaling, mochten wij altijd wel een meer of een rivier achter de hand hebben'.
Onvoorwaardelijk
In bepaalde kringen wordt het geloof als voorwaarde voor de doop gesteld. Met andere woorden: het geloof moet aan de doop voorafgaan.
Het is met name Luther geweest die hierin een groot gevaar heeft onderkend.
Scherp heeft hij ingezien, dat op deze wijze het geloof gemaakt wordt tot een voorwaarde voor het ontvangen van de genade. Maar de genade kent geen voorwaarde. Geen enkele voorwaarde! Alles wat er aan de genade wordt toegevoegd, doet de genade Gods te kort.
Ook moet men niet vergeten dat het Verbond Gods krachteloos wordt gemaakt als men het geloof als voorwaarde voor de doop gaat stellen. Het zal duidelijk zijn, dat men dan niet meer kan spreken van het genadeverbond dat God met ons èn onze kinderen opricht. Ook is het van uitermate groot belang te letten op wat God belóóft en op wat Hij dóet. Soms krijgt men de indruk dat onze geloofsbeslissing belangrijker is dan wat de Heere ons belooft. Maar wat is onze geloofsbeslissing helemaal? Ons 'ja' kan niet in de schaduw staan van Gods 'ja'. Als wij 'ja' zeggen, is het de volgende dag òf soms zelfs een enkel uur daarna 'neen'. Dan loochenen wij ons 'ja'. Maar als de Heere eenmaal 'ja' heeft gezegd, blijft het 'ja'. Wat uit Zijn mond uitgaat, blijft vast en ongebroken. Nooit behoeft aan Hem èn aan wat Hij zegt gewanhoopt te worden, doch dat kan van ons en van wat wij zeggen volstreekt niet gezegd worden.
Onvoorwaardelijk zegt Hij Zijn belofte toe als een kind gedoopt wordt. Wij horen de Heere zeggen: 'Mijn kind als je in kennelijke nood verkeert, kom tot Mij. Ik wil jouw God zijn'. Het kind wordt bij z'n doop als het ware een cheque overhandigd waarop staat geschreven: 'Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden'. Ook wordt er bij de doop gezegd, dat als de cheque verzilverd wordt men er zéker van kan zijn dat men deelachtig wordt wat eer op de cheque geschreven staat. Het zal juist zijn als iemand mij voorhoudt, dat voor het verzilveren van de cheque de Heilige Geest nodig is. Maar zelfs daarover behoeft een bondeling niet in te zitten. Want ook de Heilige Geest wordt hem/haar toegezegd. Men leze daarop de Schrift en ook ons doopformulier maar op na. In de doop – de kinderdoop – belooft een drieënig God Zich weg te schenken. Dat belooft de Heere aan een kind dat aan allerhande ellende, ja aan de verdoemenis onderworpen is. In dat kind wordt dus geen enkele voorwaarde gevonden, waarom de Heere Zijn heil zou beloven. Met de dichter kunnen wij zeggen: Het is de vrije gunst die eeuwig God bewoog'.
Zoals de mens is, goddeloos en zondig, ziet God naar hem om. Reeds als die mens heel klein is. Geen voorwaarde dus van bekering en geloof. Kinderen mogen en moeten in het Verbond Gods worden opgenomen. Alle kinderen? Moet alles wat in het doophuis zich aandient gedoopt worden? Men kan hierover verschillend denken, zoals mij bekend is. Toch zeg ik dat men wel heel gegronde redenen als kerkeraad moet hebben om een doop te weigeren òf voor een aantal weken uit te stellen.
Het zal waar zijn dat het Verbond Gods heilig gehouden moet worden. Maar zorgt God daar Zelf voor òf heeft Hij dit uit handen gegeven en in de handen van mensen gelegd? Voorzichtigheid zij geboden! Het is geen geringe zaak als men een kind het teken en zegel van het Verbond onthoudt. Tussen 'allen' dopen en 'niemand' dopen zit nog een heel veld. Wel ben ik van mening, dat er maar gedoopt moet worden als het enigszins kan. Met Genesis 17 onder andere denk ik aan een goede kant staan. Dopen is een moeilijke zaak. Over het dopen van kinderen moet men niet gering denken. Het grote pluspunt daarvan is echter dat de Heere in alles de Eerste is en het niet van het geloof van het kind afhangt. Ik denk trouwens dat het een moeilijke zaak is om te dopen op verkregen en gebleken genade. Want wie zal dat beoordelen? Wie zal zeggen of er in het hart van een jongere of van een oudere werkelijk genade is? In geen geval zal de kerk dit zeggen. Want de kerk kent de harten niet en oordeelt ook de harten niet. Nooit of te nimmer zal de kerk de plaats mogen innemen van de Heere.
Neen, laten wij ons maar houden aan de éénmalige doop bij kinderen. De rijkdom daarvan is dat de genade en de genadegave van de doop aan het geloof voorafgaat. Bemoedigt en vertroost elkaar daarmee.
G. S. A. de Knegt, Bergambacht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's