Bedreigingen voor de zielzorger
Paulus heeft in de eerste brief aan Timotheüs, het vierde hoofdstuk, een aangrijpend woord geschreven. Hij zegt daar: Heb acht op uzelf en op de leer. De apostel bedoelt daar, dat Timotheüs voor een stipte levenswandel zorg moet dragen. Deze mag niet strijden met de leer van het Evangelie. Integendeel, leer en leven behoren harmonisch in elkaar op te gaan, ja elkaar te doordringen. Het is immers mogelijk, dat wij zuiver in de leer zijn, en in het leven het niet zo nauw nemen. Omgekeerd kan het ook voorkomen, dat er op de levenswandel niets is aan te merken, terwijl wij wat de leer aangaat nog niet tot de volle klaarheid zijn doorgedrongen. Niettemin, in het algemeen is wel op te merken, dat in de tweeslag van leer en leven alles gelijk òp behoort te gaan. Beide elementen behoren niet ver uit elkaar te worden geschoven. Calvijn merkt in dit verband dan ook op, dat wij waakzaam moeten zijn in de leer en onszelf rein bewaren moeten.
In dit verband is het goed ons oog eens te scherpen voor twee gevaren, die ons als zielzorger kunnen bedreigen. Daar is vooreerst de bedreiging van verstarring. Wat bedoelen wij daarmee? Het gaat daarbij niet om de gedachte, dat wij wat het geloof betreft onzuiver, zouden zijn. Integendeel, wie van verstarring blijk geeft, is doorgaans zeer gezet op de zuiverheid in de leer, maar het loopt bij hem meestal meer uit op rèchtgelovigheid dan op rechtgelóvigheid. De verstarring in de zielzorg wordt herkenbaar als een vlucht in de heiligheid. Wij vluchtten in een onberispelijkheid, waardoor wij de directe relatie tot onze medemensen verliezen. Uiteraard kent het protestantisme het begrip 'heilig' niet zoals de rooms-katholieke kerk het opvat. Maar het verschijnsel kan zich mutatis mutandis wel onder ons voordoen. Er bestaat een zekere zelfvoldaanheid, een soort blinkerigheid. Deze komt openbaar in de habitus van het geloof of in een zekere morele onaanvechtbaarheid of in een autoritair ambtelijk gedrag, waarbij iedere zielzorg moet sterven. Alles om de persoon van de zielzorger is even lijzig, fluwelig en onnatuurlijk. De predikant verschijnt dan onder ons alsof hij boven de gemeenschap der mensen zweeft, hij schrijdt dan onder ons voort als achter een glazen wand. Hij is een pop uit de etalage van het herenmodemagazijn. Hij straalt een voortreffelijkheid uit, die ergert. Wij hebben hier met een verschijning te doen, die onecht is. In de grond genomen is zulk een persoon een tragische gestalte. De evangelist Mattheüs noemt zulke typen Farizeeën en verbindt daaraan onmiddellijk de gedachte van huichelaar. Het komt ons evenwel voor, dat wij in deze zaak niet onmiddellijk moeten denken aan hypocrisie. Het gaat er veel meer om te constateren, dat deze verstarde zielzorger zich hopeloos vergist in zijn positie voor God.
Wij moeten immers opmerken, waar de protestantse prediker en zielzorger dikwijls als Farizeeër verschijnt, houdt hij zich als in het Nieuwe Testament allerminst voor rechtvaardig. Neen, de zaak ligt geheel anders. Hij leeft in een beroepsmatige kramphouding. Zijn geest is de verstarring nooit te boven gekomen. Nu zij intussen opgemerkt, dat niet de zielzorger zelf zich tot dit patroon drijft, néén, vaak doen weldenkende gemeenteleden dat, die hun voorganger tot dit ideale beeld pressen. Thomas Mann bijvoorbeeld heeft in zijn roman Buddenbrook een geestelijke getekend, die ronduit een religieuze charlatan is. Een wereldvreemd hulpeloos mannetje, die met steile principes buiten en boven de werkelijkheid van de mensen blijft zweven. Maar wij moeten eerlijkheidshalve onderscheiden tussen een kramphouding, die farizees schijnt, zonder het in de grond werkelijk te zijn en echt Farizeeërdom. Verkramping is vaak het gevolg van contact-armoe of contactvrees. Het is de vrees voor de openbaarheid van het predikantsambt. Het is een expressie van onpraktische mensen zoals ze bij introverte personen vaak voorkomen. De introverte geesteshouding maakt de zielzorgervoor spotlustigen en jonge mensen dikwijls belachelijk. Het kan veel leed veroorzaken. Maar wij moeten wel weten, dat achter zulk een introvertie zich meestal een zeer diep verlangen naar de medemensen verbergt. Dat kan juist helpen de contactschuwe, geïntroverteerde predikant tot een goed zielzorger te maken.
Predikanten, die zich in gezelschap niet zo vrij bewegen, hebben vaak meer gaven om met eenzame mensen om te gaan en zo tot de gemeenschap terug te voeren dan de collegae die zich als een vis in het water bewegen temidden van de mensen. Teruggetrokken personen zien dieper dan vlotte lieden. Talent voor zielzorg is niet een kwestie van psychologische dispositie. Waar een contactvrije predikant gaat drijven op zijn talent, zal hij zijn zielzorgelijke relatie alleen maar in gevaar brengen. Het kan gebeuren, dat een contactarm geestelijke juist door zijn stroefheid zich meer tot Christus gedreven ziet om hulp. Dezulken zien dieper dan de mens met flair, die niet in de diepte ziet.
De diepste gevaren liggen intussen voor de zielzorg in een echt farizese levenshouding. De Farizeeër is geen psychologisch type, maar hij is een verblinde, ongebroken in zijn zelfvertrouwen. Er kunnen bij hem verschijnselen voorkomen van vrome verkreukeling. Wij denken dan in het protestantisme aan de idee van het Farizeeëndom van de arme zondaar. Wie aan zulk een verzoeking is ten prooi gevallen, is voor raad niet meer gevoelig. Hij weet alles goed. Het gebeurt evenwel soms dat een openlijke mislukking van zijn zielzorg hem de ogen opent. Helaas hebben vele predikanten noch door psychologische aanleg, noch door vrome verblinding, maar alleen door beroepsmatige gewenning de echte menselijkheid in hun zielzorg verloren. Daar ontstaat de eigenlijke tragiek in het predikantsambt. Ook daarvoor bestaan tekenen. Wij zijn zo hartelijk begaan, er komt de opmonterende schouderklop, het kirrende lachje. Bij talloze predikanten wordt dat routine en vervolgens tot een masker. Zonder dat zij het merken wordt het een kenmerk van de onoprechtheid.
Zie, dan verdwijnt de zielzorger hopeloos achter de glazen wand. Als het conventionele lachje klinkt, als het versleten vocabulair dreunt. Wij worden op die manier geheel afgesloten van onze medemensen. Er is nog alleen maar een masker, een dode uitdrukking van medegevoel. Dat alles is de dood van de zielzorg, evenals de kanselgalm het sterven van de preek aanduidt. Wat helpt hier nu tot op de bodem? Wij menen: een kritisch zelfonderzoek dat ons in niets verschoont. De diepere grond van alle onoprechtheid ligt daarin, dat men zich op iets laat voorstaan dat ons niet is beloofd: namelijk de gedachte, dat het Evangelie van ons zou afhangen. Alsof wij voor het Evangelie moeten opkomen. Zulke eigendunk is per slot van rekening misplaatst. Wij vertrouwen het Woord niet geheel. Wij menen er onszelf aan te moeten verbinden. Maar daarin overschatten wij de actieradius van onze eigen persoon. Wij hebben wel eens gedacht, dat zulke zielzorgers de conventionele routine het gemakkelijkst ten offer vallen, die niet meer met bloedige ernst theologisch bezig zijn. Zij gaan op het talent drijven. Ook hier kunnen wij onze leegte dan nog verbloemen als ware het Godsvertrouwen. Het lijkt dan van buiten heel wat, maar wij zijn de weg van de gemeenplaatsen opgegaan. Beter is het zulk een spel te staken en van voren af aan ons te werpen op de bestudering van het Woord. Dat is nooit conventioneel, maar altijd echt, menselijk en nuchter. Hier doet het deugd ons telkens weer onder het Woord te stellen. Dat Woord sterkt ons en beurt ons op. Het heeft ook geen masker nodig. Het is origineel in zichzelf.
Het tweede gevaar, dat ons kan bedreigen, is een vlucht uit het priesterschap. Wij vallen ten prooi aan de verleidingen van de wereld. De zielzorg wordt saeculier. Men vergeet het doel van de zielzorg, het Koninkrijk Gods bij het lijden van de mensen te brengen. Er ontstaat een pedagogischt-herapeutisch gegoochel. De predikant wordt een vrijblijvende adviseur of een dilettant-psychiater. Er komt een nederlaag ten opzichte van de zonde, die wij toch eigenlijk moesten bestrijden. Natuurlijk staan wij allen dikwijls verlegen ten opzichte van zielen, met wie wij omgaan. Wij worden overweldigd in de problemen, die op ons afkomen. Wanneer wij met mensen omgaan, geschieden er tevens talloze gebeurtenissen van zielkundige aard. Er worden tal van fijne draden gesponnen. ledere zielzorger moet dat weten en er rekening mee houden, dat de zakelijkste gespreksvoering noch de strengste binding aan kerkelijke vormen de diepte van de menselijke ontmoeting kan doorgronden. Voordat wij kunnen helpen God te doen ontmoeten, moeten wij hem zelf ontmoeten. Er is daarbij geen waarborg voor mogelijke misgrepen. Het kan ieder gebeuren op een muur van misverstand te stuiten. Wij verstaan elkaar niet.
Maar het kan ook omgekeerd geschieden. Er kan binding ontstaan, een persoonlijke overdracht. Dan binden wij ons aan onze persoon in plaats van aan onze boodschap. Zielzorg gaat dan op een gevaarlijke weg. Er ontstaat sympathie in plaats van onderwerping aan het Woord. Maar het vreemde is, ja, arrogantie, om dat eenvoudigweg te verbieden. Echte zielzorg gaat niet in sympathie onder, Christus blijft de Meester over allen die Hij ontmoet. Zielzorg gaat het spoor bijster, wanneer het kruis uit. het gezicht verdwijnt.
Intussen, er bestaat geen middel om de menselijke werkelijkheid te verdoezelen. Er bestaat in de Schrift telkens weer een tekening van menselijke gevoelens. Dat zien wij bij personen als Maria, Martha en Johannes. Het gaat bovenal om Christus, dat is waar. Maar het menselijke wordt niet uitgeschakeld. De grens wordt niet opgeheven, al is de grens soms zeer smal. Wanneer wij iemand op de levensweg kunnen winnen, zal er natuurlijk vertrouwen ontstaan. Dat is niet te vermijden. Er ontstaat dan vaak een vertrouwensrelatie aan de persoon van de zielzorger, die de eigenlijke zielzorg vertroebelen kan. Wij moeten in zulke situaties God om raad vragen hoe van geval tot geval te handelen. Soms moeten wij met alle moed voor God op de weg doorgaan.
Geheel zonder persoonlijke binding kunnen wij niet terechtkomen. Een ieder maakt dat wel eens mee. Wij geloven, dat niemand er ooit helemaal vrij van komt. Anders zien wij niet in, wat voor een onmetelijke diepte een mens kan geraken. Dat moeten wij ook ervaren, hoe mis wij als mens kunnen gaan. Wij blikken soms in rioolputten en chaotische relaties. Beter daarin wel eens te verdwalen, dan nooit de moeite genomen te hebben naar mensen met problemen te willen luisteren. Paulus zelf was een zielzorger bij de gratie Gods. Maar hoe teer, hoe fijngevoelig weet hij zijn woorden te kiezen, ja, met welk een tact oefent hij de omgang. Toch krijgen wij niet de indruk, dat menselijke sympathie of familie-interesse overheersend zijn. De liefde in Christus houdt doorvloeiing in toom. Hoe weet Paulus in liefde en menselijkheid met de weggelopen slaaf Onesimus om te gaan. Trouwens, het Evangelie gebiedt niet het menselijk gevoel te doden, maar het te heiligen. Ziedaar, de twee valkuilen van de zielzorg: verstarring en vervaging. Alleen in een gedurige geloofsgemeenschap met Christus worden wij voor beide uitersten bewaard.
A. van Brummelen, Huizen
Openingswoord predikantenconferentie Gereformeerde Bond op woensdag 5 januari 1994 te Zeist.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's