Globaal bekeken
De jaarlijkse tweedaagse predikantenvergadering van de Gereformeerde Bond werd op beide dagen druk bezocht. Het terugkerende element in alle referaten was het werk van de Heilige Geest, nl. inzake de Heilige Schrift (dr. J. Hoek en prof. dr. H. W. de Knijff), inzake de ambtsuitoefening (prof. dr. F. G. Immink) en bij H. F. Kohlbrugge (prof. dr. A. de Reuver). De referaten zullen worden gepubliceerd in Theologia Reformata, het driemaandelijks theologisch tijdschrift van de Gereformeerde Bond.
Hier volgen enkele passages, achtereenvolgens uit de referaten van prof. Immink en prof. De Reuver:
• Ambt en ambtsdrager
'Calvijn wijst er op dat God ons wil leiden door de dienst van mensen (Institutie IV, 3), en hij zegt er bij dat dit een nuttige en goede oefening in nederigheid is. Want die dienst der mensen wordt soms uitgeoefend door mensen die in waardigheid onze minderen zijn. Helaas is het zo dat predikanten zelf altijd een leidende rol hebben en nooit in die positie verkeren waarin ze geoefend worden in die nederigheid. Ik acht dat een groot kwaad. Hoevelen van u gaan regelmatig ter kerke, let wel zonder de preekstoel te beklimmen! Van velen weet ik dat ze het gewoon niet meer kunnen. Als ze niet preken blijven ze thuis, misschien gekluisterd aan de kerktelefoon. Ze ervaren zelf nooit aan den lijve de moeite die kerkmensen kunnen hebben met eenzijdigheden in de prediking, met de predikant die niet "klikt", met een beleid waarmee men moeilijk in kan stemmen. De gemiddelde kerkganger oefent zich in nederigheid, terwijl predikanten wat dat betreft in een luxe positie verkeren. Hebben wij wel oog voor de menselijke kant van de dienst van mensen? Wie een ambt uitoefent loopt het gevaar blind te worden vooreigen gebreken, voor oneffenheden in de eigen persoonlijkheidsstructuur Wie een ambt uitoefent loopt steeds weer het gevaar eigen overtuigingen te brengen als de mening des Geestes, en, vooral onder ons, eigen beperkte inzichten te ventileren als Reformatorisch erfgoed.
We hebben gemeend te moeten stellen dat ambten instrumenten zijn van de Geest. In de uitoefening neemt de Geest mensen in dienst. Het kenmerkende van de Geest is dat Hij mensen aan het werk zet. Concrete mensen, broze mensen, begaafde mensen, zondige mensen, mensen uit deze wereldtijd. Op deze mens willen we nu het oog laten vallen (anthropologische pool).
De mens die door de Geest in dienst wordt genomen is schepsel Gods. Wil de pneumatologie zuiver blijven, dan moet deze gekoppeld zijn aan de scheppingsleer. Immers Gods Geest neemt de mens qua mens in dienst. Dat is een begrensd wezen. En zoals we God God laten zijn, zo ook de mens mens! Grensbewaking is juist voor de uitoefening van het ambt van belang. Wij zijn niet alomtegenwoordig, wij zijn niet alwetend, wij zijn niet barmhartig zoals God dat is. En dat geldt ook voor de mens die door de Geest geleid wordt. Niets is gevaarlijker dan de vergoddelijking van de vergeestelijkte ambtsdrager.
Hier liggen wel enkele knelpunten. God neemt de hele persoon in dienst en die persoon is een bloot schepsel en tegelijk ook een gelovig mens. Op beide kanten wordt een appèl gedaan. De deskundigheid (en blijkt ook altijd weer de gebrekkigheid) wordt een beroep gedaan, en op het geloof. En we moeten niet de illusie wekken dat het bij een geestelijk beroep alleen maar om de geestelijke kant gaat. Daar komen niet alleen grote ongelukken van, maar dan doen we ook geen recht aan de schepping als tegenover van God. In mijn werk op het Seminarie ben ik steeds meer gaan inzien hoe gevaarlijk die overgeestelijke benadering is, vooral als het in de buurt komt van het disfunctioneren. Het beroep op de Geest is dan maximaal, en het vermogen tot reflectie op het puur menselijke minimaal. (…)'
• Verbondenheid met de gemeente
'De uitzonderingspositie die de predikant inneemt mag er niet toe leiden dat de gemeente op afstand blijft. Eén van de voornaamste garanties voor de goede uitoefening van het ambt is de kennis van het leven de gemeente en van het geloof van de gemeente. Dat wil nog niet zeggen dat we met Schleiermacher zouden moeten zeggen dat de prediker de "Algemeingeist" ter sprake moet brengen. Maar de predikant is natuurlijk wel vertegenwoordiger van de gemeente, bijv. in het voorgaan in de gebeden, maar ook in de prediking: daar wordt ook het geloof van de gemeenste vertolkt.
Het is ontzettend belangrijk dat predikant en gemeente bij elkaar passen. Alleen vanuit die verbondenheid kun je echt kritisch zijn en een echt tegenover vormen. Zonder die verbondenheid wordt het verstaan als een eigenzinnigheid van de predikant en heeft de predikant eerder de neiging eigen inzichten te profileren als werk van de Geest. Kerkeraden en predikanten gaan hier niet altijd even zorgvuldig met elkaar om. En ook predikanten presenteren zich niet altijd even eerlijk.
Als het goed is wordt een predikant gedragen door de gemeente, maar dat kan alleen als hij zelf ook respect voor de gemeente en het geloof van de gemeente heeft'
• Geloof en gevoel
'Geloven in het eens voor goed tot stand gebrachte heil is nu eenmaal geen rekensom. Weliswaar wordt dit heil ons toegerekend en geschonken in geloof, maar juist deze toerekening gaat gepaard met de ervaring, dat wij voor Gods gericht worden gedaagd en in Christus' gemeenschap met Hem mee lijden en sterven. Dan "gevoelen" wij ons, zegt Kohlbrugge, met Christus verenigd, zoals Hij daar door het Sanhedrin werd veroordeeld, op Gabbatha gehoond en door de soldaten gebonden, geslagen en met doornen gekroond. Zo gaat het met Christus aan het kruishout en worden wij met Hem opgewekt uit het graf.
Het is op deze wijze dat Kohlbrugge in enkele preken over Gal. 2 : 19, 20 gewag maakt van een hoogst reële ervaring die het geloof opdoet in de vereniging met Christus. Het is duidelijk dat hij daarbij de aandacht geheel op het voldongen heilsgebeuren in Christus concentreert, maar meteen het ephapax (…) van het heil laat landen in het heden van de existentie.
Kohlbrugge schuwt hierbij gevoelscategorieën niet in het minst. Dat is om verschillende redenen ook wel verklaarbaar. In de eerste plaats was hij zelf een heel gevoelig type, aan wie de Romantiek niet was voorbijgegaan. Ten tweede kan hij met name wat zijn spiritualiteit betreft gelden als een onvervalste volgeling van Luther, die in zijn vertolking van de Godservaring vrijmoedig van – vaak aan de mystiek ontleende – affectieve termen gebruik kon maken. In de derde plaats had hij een zekere voorkeur voor de Psalmen. Deze factoren zullen ertoe bijgedragen hebben, dat hij niet zelden komt tot een uitgesproken gevoelsmatige inkleuring van de geloofsbevinding. Dit betekent niet dat het gevoel de basis van het geloof kan zijn. Het ligt veeleer omgekeerd. Het gevoel rust op het geloof, nauwkeuriger, op het geloofde Woord. Het houvast dat wij voelen, is het geloof dat God ons vasthoudt en dat Zijn Woord vast blijft.
Maar van dit aan het Woord gebonden gevoel kan Kohlbrugge dan toch hoog opgeven. "De Heere heeft niet zulk een zaligheid voor de zijnen aangebracht waarbij zij hier dor en leeg zouden blijven, maar zij zullen reeds hier de eerstelingen ervan in alle volheid genieten." Hij verzadigt ons somtijds met het genot van de edele vruchten die Hij in Zijn hof voor ons laat groeien. Dan gevoelen wij door de Geest – zo luidt het in een Pinksterpreek over Hooglied 1 – de liefde van Christus in het Woord der belofte en vinden wij ware Pinkstervreugde.
Bij tijd en wijle draagt Kohlbrugges innige taal zelfs trekken die mystiek kunnen heten. Waar de Heilige Geest Zijn genadegeschenken als olie. In ons uitgiet, daar ligt het hart geheel in een balsemgeur van vrede. Daar is de winter voorbij en heeft de lente intocht gehouden, en heel de mens is van haar geur doorademd. Zo blijkt Kohlbrugge, die alle bedenkelijke, van het Woord geïsoleerde bevindelijkheid zo resoluut aan de kaak weet te stellen, tegelijkertijd een ontroerd en ontroerend getuige van de authentieke ervaring die het geloof eigen is.'
In het blad Hedersporen, kwartaalblad over vakatures cq. beroepingswerk in de rechterflank der Nederlandse Hervormde Kerk, stond het volgende over uitgebrachte beroepen.
'Een rekord op dit terrein werd in dit jaar bijna gevestigd. In de Nederlandse Hervormde Kerk werden 415 beroepen uitgebracht. Alleen 1989 overtrof dit aantal met 431 beroepen, hoewel 1992 daar met 412 stuks er maar een fraktie onder zat.
Hieronder een blik over 10 jaar beroepingswerk in de Hervormde kerk.
1984: 360. Beroepen
1985: 350.
1986: 373.
1987: 379.
1988: 348.
1989: 431. Beroepen
1990: 375.
1991: 335.
1992: 412.
1993: 415.
De rechterflank nam in 1993 hetzelfde aandeel voor haar rekening als het jaar ervoor, namelijk circa 66%. Nieuwsgierig ben je hoe zulke cijfers tot stand komen. Al eerder schreef ik, dat cijfers goed moeten verstaan en beoordeeld worden. Het juiste is moeilijk te bepalen, omdat er zich nog al eens feiten voordoen die zich niet laten vergelijken. Het zal dan pas lukken als alle gegevens tot de grond toe worden uitgewogen. Maar dan ben je al bijna met een "scriptie" bezig!
U weet dat de werkwijze bij het uitbrengen van een beroep in de Nederlandse Hervormde kerk van de twee flanken verschillend is. Als in de midden-e n linkerflank een beroep wordt uitgebracht, zegt 92,8% JA. Dit is niet het geval in de rechterflank, daar wordt een beroep nog als een echt "BEROEP" ervaren. Daar wilde 42,5% JA zeggen. Dit percentage wordt beïnvloed door iets dat bij de anderen niet gebeurt. Welke oorzaak zult u zeggen? In de rechterflank komt het regelmatig voor dat verschillende vakante gemeenten tegelijkertijd op dezelfde predikant of candidaat een beroep uitbrengen.
Dit verschijnsel heb ik het afgelopen jaar eens gevolgd, wat blijkt hieruit? Niet minder dan 35 predikanten of candidaten kregen twee of meer beroepen tegelijk, 78 beroepen werden op hen uitgebracht. Aangenomen werden 34 beroepen, dus klonk er 44 keer NEEN. Het is logisch dat maar op 1 beroep JA gezegd kan worden, hoewel het in negen gevallen voorkwam dat niet een werd aangenomen.
Bij dit gezelschap waren zeven candidaten. De predikanten P. Visser en C. J. P. van der Bas kregen beide 4 beroepen tegelijk, ze namen er niet een van aan. Wel zullen beiden binnenkort wel in een andere gemeente bevestigd worden, respektievelijk in Bergambacht en Putten.
Wat ik ook opmerkte, toen ik deze tekst zat te schrijven is, vanaf begin oktober tot nu toe werden in midden/links tweeëntwintig beroepen uitgebracht, opvallend daarvan was, dat er 18 candidaten bij waren. Weer een oorzaak waardoor de gegevens in een ander daglicht komen te staan.'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's