De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

13 minuten leestijd

Het Calvinistisch Nederland
Er bestaat bij ons mensen kennelijk een onuitroeibare behoefte om anderen in een vakje in te delen, meestal op grond van uiterlijke kenmerken. Je komt dat in streng gereformeerde kringen tegen, maar net zo goed binnen verlichte groeperingen. Een vermanend vingertje en een bedenkelijk kijkend gezicht geven aan hoe het oordeel over de ander uitvalt. Een aanduiding, die maar steeds in gebruik blijft om iets of iemand van een etiket te voorzien is het woord 'calvinistisch'. Typisch Hollandse hebbelijkheden of onhebbelijkheden worden afgedaan met een verwijzing naar de grote man uit Genève. In 1988 aanvaardde prof. dr. G. J. Schutte zijn ambt als bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme aan de VU met een rede over 'Het Calvinistisch Nederland'. Dit zo geheten Nederland wordt dan gekenmerkt, aldus prof. Schutte, door rechtlijnigheid, moralisme, betweterigheid, bekrompenheid, zuinigheid. In zijn rede toont hij aan dat genoemde uitdrukking ter etikettering van allerlei nationale eigenaardigheden en hebbelijkheden weinig zeggend want historisch misleidend is. Tot een soortgelijke conclusie komt ook Hans Blankesteijn in een bijdrage aan Rondom het Woord, teksten van de Theologische Etherleergang van de NCRV, december 1993. Hij zet als opschrift boven zijn verhaal 'Nogal hoekig, nogal calvinistisch'.

Er waart een modewoord door Nederland. Calvinistisch. In een halfjaartje sprokkelen heb ik een flink aantal voorbeelden kunnen verzamelen. 'Nogal hoekig', zegt een architect over het werk van een collega, 'nogal calvinistisch'. In dezelfde sfeer het oordeel van een kunstcriticus over de sieradenmaakster Emmy van Leersum; wat zij maakt is heel strak, glad. Koel metaal. 'Het werk', schrijft hij, 'is door zijn minimalisme vaak calvinistischer dan Calvijn en daar moet je van houden.'
In zijn boek 'Rituelen' beschrijft Cees Nooteboom een interieur: 'De meubels waren glanzend en wit, van een calvinistische, haatdragende moderniteit.' In hetzelfde boek wordt een Brabantse koffietafel opgevoerd. 'Hier', aldus één van de romanfiguren, 'hoort een calvinist niet thuis.' De man is katholiek, maar komt uit het noorden. 'Boven de grote rivieren', verklaart hij, 'zijn alle Nederlanders calvinist. Wij houden niet van te veel, niet van te lang, niet van te duur.'
In april vierde het CDA zijn jubileum. Een verslaggever constateert dat er, ondanks koorzang over de Heilige Maagd Maria, een calvinistische sfeer hing. Want alle prominente sprekers waren nogal somber.
In een televisie-interview komt de schrijfster en landbouwkundige Louise Fresco te spreken over haar engagement met bevolkings- en wereldvoedselvraagstukken. 'Plichtsgevoel?', informeert haar gesprekspartner. 'Dat is te moralistisch', antwoordt zij. 'Dat klinkt naar calvinistische padvinderij.'
Een hele goeie tot besluit van deze bloemlezing. Een voorbericht op de film 'dr. Vlimmen', toen die het afgelopen voorjaar op de televisie zou komen. 'De bigotte bevolking,' lees ik, 'katholiek van geloof, maar calvinistisch van zeden.' Dat slaat dan op de dorpsroddel en het uitspugen van een veearts in een Noordbrabants nest, die erop wordt aangekeken dat hij zijn dienstmeisje zwanger heeft gemaakt. Calvinistisch, jawel.
Het woord staat voor hoekig, steil, weinig buigzaam, kaal, zuinig, onvermogen eigen standpunten te relativeren, somber, met een overdreven schuldgevoel… ook het schuldgevoel van al die linkse mensen over alle weedom waar ook ter wereld. Allemaal calvinisten. In die zin ken ik calvinistische pacifisten, vegetariërs, feministen, niet-rokers…. calvinistische atheïsten zelfs. Mensen die met dunne lippen hun heilige principes gaan verkondigen en verdedigen als ze die miskend of aangevallen achten.

Blankesteijn toont aan, dat dit alles helemaal niets met Calvijn en het calvinisme te maken heeft. Het voorbeeld uit de architectuur slaat op de Stijlgroep van Mondriaan en later Rietveld. De strenge vormen van Rietveld hebben helemaal niets met het calvinisme te maken.

Voor een aantal van de gegeven citaten kun je dus zo al aantonen, dat ze met Calvijn of met het calvinisme niets van doen hebben. Maar er blijven andere, die vooral liggen op het terrein van karakter en sociale vaardigheden of het tegendeel daarvan. Naar mijn mening kun je ook daarvoor Calvijn en het calvinisme niet verantwoordelijk maken. Wel een betweterig soort drammerigheid, starheid, steilheid, die je, boven religieuze verdeeldheid, in Noord-Nederland aanzienlijk meer aantreft dan elders; in sommige delen van Noord-Nederland althans. Het is vooral Hollands.

Wij zijn van Hollands jong geslacht
en wij geloven,
dat is: wij hadden zo gedacht,
dat hulp van boven
niet overbodig is.

Wij zijn in aantal klein misschien;
maar wij getuigen,
dat is: wij willen laten zien,
dat wij niet buigen,
voor het strikt nodig is.

Een fraai gedichtje is dit van Jan Wit, waarin hij het starre ruggenrecht (en de vaardigheid om, als dat erg schadelijk wordt, toch te buigen) niet toeschrijft aan de calvinist, maar aan de Hollander in ons.
Maar: laat het waar wezen, dat dit zogeheten calvinisme ook voorkomt, en veel voorkomt bij mensen die, behalve op buitenlandse reizen, nooit een kerk van binnen zien en dat je die mentaliteit dus niet rechtstreeks in verband kunt brengen met hervormden, gereformeerden of andersoortige calvinisten… Het is toch mogelijk, dat het calvinisme onze volksaard zo heeft gestempeld, dat nu nog mensen, die niets hebben met het christendom en zeker niet met het christendom van Johannes Calvijn, er de nare gevolgen van ondervinden.
Dat zou kunnen, maar er spreekt veel tegen. Om te beginnen is het merkwaardig, dat het calvinisme er elders heel anders uitziet, in Frankrijk bijvoorbeeld. Maar we kunnen dichter bij huis blijven.

Als voorbeeld kiest Blankesteijn dan de 'Achterhoekse calvinisten', die heel anders zijn dan calvinisten elders. Toen het calvinistisch beïnvloede geloof in deze lage landen kwam, trof het hier een reeds eeuwen bestaande volkscultuur aan. Dáár moeten we veeleer het typisch Hollandse zoeken.

Mijn stelling is nu: al die dingen, die in een trendy taalgebruik 'calvinistisch' heten: hoekigheid, rechtlijnigheid, zwaaien met principes en het beroemde vingertje waarmee wij de hele wereld vermanen… dat alles heeft niets te maken met het calvinisme en alles met het feit, dat het calvinisme zich hier nestelde in een mentaliteit die er al was, een Hollandse mentaliteit, die het calvijnse geloof kleurde. In Frankrijk is het calvinisme anders, in de Gelderse Achterhoek is het calvinisme anders.
Als wij, naar aanleiding van het uiterst rechtse racisme in Duitsland, de aandrang voelen om de Duitsers mee te delen dat wij woedend zijn en niet op het idee komen een formulering te zoeken, die voor de overgrote meerderheid van góede Duitsers een hart onder de riem, een steuntje in de rug is… dan is het niet ons calvinisme, dat ons parten speelt, maar doodgewone Hollandse botheid.

Calvijn was helemaal zo enghartig niet, aldus Blankesteijn. Wel hebben zijn Hollandse fans een netwerk van mag-niet gespannen.

Puritanisme en kleine Hollandse luyden
Nogal wat calvinistische gelovigen raakten onder de bekoring en de invloed van de uit Engeland afkomstige beweging van wat heet het Puritanisme. Dat sloot kennelijk aan bij de hier al heersende typisch Hollandse mentaliteit, ten onrechte verbonden met de naam van Calvijn.

De Nederlanden waren in de 16e eeuw allerminst een calvinistische natie. Nog ná 1600 telde het ledenregister van de hervormde gemeente Haarlem bijvoorbeeld niet eens 200 namen, baby's meegerekend. De elite was meer door Erasmus beïnvloed, laafde zich aan de pas (her-)ontdekte Griekse beschaving, speelde met Griekse goden en had op z'n minst voor een flink deel een wazig voorzienigheids-idee van God. De regenten van de wat grotere steden trokken zich zo weinig mogelijk aan van luidruchtige dominees en kerkeraden.
En 'het volk'? Dat was òf rooms (velen uit de hogere bevolkingsgroepen bleven dat trouwens ook), of het deed zo'n beetje mee aan de nieuwe leer, maar niet teveel. Tijdens de overwintering van Barentsz en Heemskerck op Nova Zembla werd er vlijtig uit de Heilige Schrift gelezen – een model-familie van calvinistische snit, zou je denken. Maar ze vierden er, voor zover mogelijk, wèl carnaval en Maria-Lichtmis. Zeelui, gerecruteerd, overwegend, uit de onderste lagen van het volk.
Mijn veronderstelling is nu, dat de nieuwe hervormde gemeenten vooral bestonden uit de kleine burgerij – de 'kleine luyden', ook toen al. En het zijn, door de eeuwen heen, die kleine luyden, die grijpen naar regels en regeltjes, verboden en voorschriften. Hier in ons land nestelde het calvinisme zich in de kleinburgerlijke cultuur en had daarvan de geur aangenomen, toen, in de loop van de 17e eeuw, het nieuwe geloof doordrong tot het grootste deel van de bevolking. Je kunt je ook goed voorstellen, dat het puritanisme juist bij die kleine luyden een willig oor vond.
De kleine burgerij vond je in de steden vooral. Holland domineerde en daar waren ook de meeste steden. Wat wij de calvinistische levensstijl noemen, is de stijl van de Hollandse kleinburger. Calvijn en het calvinisme op zichzelf hebben daar geen schuld aan.

In genoemde rede van prof. Schutte komt ergens de volgende regel voor: 'Het heeft er dus alle schijn van dat de puritanisering van de levenswandel in de zeventiende eeuw, die vaak exclusief aan het calvinisme geweten wordt, in werkelijkheid een veel algemener, Europese cultuurtrend en mentaliteitsverandering vertegenwoordigt'.
Welnu, de doorsnee mens heeft kennelijk behoefte aan vlotte typeringen en daarom heeft Blankesteijn gelijk als hij als volgt zijn bijdrage afsluit:

We zullen dat woord wel niet meer kwijtraken. Het is zo handig. De Hollander die het gebruikt, kan alleen al door de intonatie laten merken dat hij er naar beste weten zelf niet aan lijdt – en mocht hij er wèl aan lijden, dat hij het niet helpen kan; een kwestie van erfelijke belasting, een laat geval van geestelijke kwetsuren, teweeggebracht door een averechtse religie.
Puriteins geïnfecteerde calvinisten hebben stellig enkele hinderlijke Hollandse trekjes in ons volkskarakter door de eeuwen heen geconserveerd. Maar ze koesterden en bewaarden wat er al was. Wat hoekig, rechtlijnig, star, betweterig is in ons, is Hollands, niet calvinistisch. Wie zo eerlijk is, dat te erkennen, krijgt nog rijker troost in de schoot geworpen: de erfelijke belasting heeft niet het gewicht van zo'n dikke drie eeuwen, maar nog aanzienlijk méér. We kunnen het dus echt niet helpen.

Maarten 't Harts bijna traumatisch zich afzetten tegen al wat herinnert aan het gereformeerde Maassluis heeft niets uit te staan met wat er eventueel allemaal mis zou zijn in het calvinistische wereldje. Maar hij is een prototype van de zeurderige benepen Hollander die altijd gelijk wil hebben en er tegelijk een dikbelegde boterham mee verdient.

De mens Calvijn
In dezelfde aflevering van 'Rondom het Woord' staat een gesprek te lezen met dr. J. van Eck. Van hem verscheen een jaar geleden de studie 'God, mens, medemens; humanitas in de theologie van Calvijn'. In dit boek komt ook een hoofdstuk voor over 'het genieten bij Calvijn'. Hij wijdt in de Institutie een heel hoofdstuk aan de plaats van de aardse goederen en het genieten ervan in het geloofsleven. Genieten is méér dan alleen maar gebruiken. Het genieten van Gods goede gaven is voor Calvijn geen bijkomende zaak, aldus dr. Van Eck. Het raakt zelfs één van de grondvragen van zijn theologie, namelijk die naar een goed geweten voor God door het geloof. Wie het genieten als zodanig tot zonde verklaart, ontneemt de gelovigen een vrijheid die zij in Christus hebben. Op dit punt krijgt dr. Van Eck vragen voorgelegd, waarop hij zijn antwoord geeft in het hier volgende citaat.

Voor mijn gevoel krijgt al het leuks dat Calvijn over het genieten zegt, een beetje de kleur van kale witte wanden door de manier waarop het woord matiging daarbij een rol speelt. Is 'geniet, maar met mate' specifiek calvinistisch?
Ja, het is een oud filosofisch probleem, dat de stoïcijnen al gesteld hadden en dat de epicuristen, de mensen van het genieten, moest matigen. Het is één van de thema's in de antieke filosofie en dat zet zich bij Calvijn en zijn tijdgenoten door. Ik denk dat niemand in zijn tijd het voor het ongebreideld genieten zou willen opnemen. En als je het mij persoonlijk vraagt, moet je dat nu nog niet doen. De vraag naar het genieten moet nog steeds op twee manieren worden gesteld. Mensen die het uit angst niet durven, moeten leren om het te doen; mensen die het leven in honderd procent genieten willen zien opgaan, mogen weleens een paar grenzen in God en de medemensen gesteld zien. Ik vind die paar grondlijnen die Calvijn aangeeft helemaal niet erg.

Het woord matiging vind je eigenlijk tot vandaag de dag. Er is geen bisschop of synode die aanbeveelt om maar eens lekker de bloemetjes buiten te zetten. Ook Luther heeft het over matiging gehad. Maar waarom komt het bij Calvijn zoveel nadrukkelijker aan? Is dat een kwestie van ons onvermogen om te lezen, of van de formulering die Calvijn er zelf aan heeft gegeven?
Daar zitten twee aspecten aan. Ten eerste het calvinisme na Calvijn, met alle negatieve betekenissen die het woord gekregen heeft. In Amerika noemt men het puritanisme en ik denk dat dat historisch juister is. De zeventiende eeuw, die in Nederland door het calvinisme is gestempeld, was cultureel gezien een uitbundige eeuw. De dichtkunst floreerde en Bredero bijvoorbeeld was gewoon lid van de Gereformeerde Kerk en stond niet onder censuur om de gedichten die hij maakte. Die wereld heeft er in het begin van de zeventiende eeuw wat anders uitgezien dan later met de puriteinse invloeden die in de hervormde en gereformeerde kerken binnen kwamen. Ik denk dat die bijkleuring altijd nog hangt aan het woord calvinisme.

Het is weleens aardig om niet alleen theologen naast Calvijn te lezen, maar ook de essays van Montaigne en te zien hoe alles in Frankrijk functioneerde. Daar waren de grote moralisten die het leven wilden styleren. Ook moralisme heeft dan een negatieve klank gekregen, want dat betekende het styleren, het maken van een levensstijl. En daar is ook Calvijn mee bezig geweest. Het is een klassiek getinte stijl, waarin beschaafd genoten werd. Dat wil nog niet zeggen, dat hij niet zeer intens genoten heeft.

Calvijn door velen gezien als een Godsgeschenk aan een verworden kerk, door anderen verguisd en veracht. Willem de Mérode schreef eens een gedicht over hem van de volgende inhoud. De strekking van het gedicht laat ook weer een bepaald Calvijnbeeld zien, dat we te uwer overweging geven.

Calvijn
Hij met de doodskop en fanatisch boos
Van baard en oogen, kon geluk ontberen.
Waarom de Souvereiniteit des Heeren
Juist hem tot feilloos treffend wapen koos?

Hij wierp zich ziende in het grondeloos
Diep van Zijn eeuwige genaverbonden;
Verheffend bovenal en voor altoos
Gods Eer, Wiens heiligheid hem had verslonden.

Hij werd het hoofd der ijzren hiërarchie.
Zijn grondwet van het koninkrijk der heemlen
Beheerschte onwrikbaar streng geloof en leven.

Tyran, bestreed hij elke tyrannie,
En dwong, wanneer vijanden rondom weemlen,
Den Heer ten strijd, en liet de wereld beven.

J. Maasland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's