De openbare school: van de overheid… of niet?
Bijzondere scholen hebben de privaatrechtelijke bestuursvorm en ressorteren dus onder een vereniging of stichting. Openbare scholen hebben als bevoegd gezag de gemeente(raad). Artikel 23 van de Grondwet geeft de positie van beide soorten scholen haarscherp aan. Van verschillende zijden wordt nu aandrang uitgeoefend om de band tussen de openbare school en de gemeente losser – of geheel los – te maken.
Als motieven worden vooral genoemd:
• de ouders van de leerlingen moeten intensiever bij de school betrokken worden. Dit kan nu al via bepaalde gemeentecommissies volgens de Gemeentewet; echter velen vinden dan nog hun invloed te gering;
• de gemeente heeft twee petten op: enerzijds is ze bevoegd gezag van de openbare school, anderzijds voert ze onderwijsbeleid zowel t.a.v. de openbare als de bijzondere school. Door de openbare school nu op afstand van de gemeente te plaatsen krijgt de gemeente een (meer) gelijke positie tegenover de beide soorten scholen.
Hierbij past als kanttekening de vraag, of de gemeente wel een eigen onderwijsbeleid moet voeren. We zagen het al: mede uitvoeren van de wet behoort reeds lang tot haar taak en dat is goed, maar overheveling van regelgevende bevoegdheden naar de gemeenten dient ten principale uitgesloten te worden.
De discussie over de keus: moet de bestuursvorm van de openbare school een privaatrechtelijke stichting, een publiekrechtelijke stichting (het onderwijsschap, te vergelijken met de bestuursvorm van een waterschap) of een meer uitgebreide gemeentecommissie is in volle gang. De nieuwe gemeentewet heeft de discussie hierover nog eens extra aangewakkerd. In PvdA en VVD is er een tendens naar (een van) de beide stichtingsvormen, het CDA blijft het meest geporteerd voor de gemeentecommissie(-nieuwe stijl). Hoe dit juridische debat ook verder moge verlopen, van beslissende betekenis zijn twee dingen:
• wat is in deze contekst de plaats van het bijzonder onderwijs t.a.v. het openbaar onderwijs en omgekeerd? Gaan we toe naar een diffuus patroon waarbij het constitutionele onderscheid tussen het openbaar en het bijzonder onderwijs feitelijk wordt opgeheven? Als dat gebeurt komt de grondwettelijke vrijheid van onderwijs volledig in de lucht te hangen;
• wat zal in dit verband de relatie zijn tussen de school en de centrale, resp. de lokale overheid? Die kan wel eens zodanig verschuiven dat aan wijziging van de Grondwet niet te ontkomen zal zijn. De cruciale vraag is wat er dan van de vrijheid van onderwijs zal overblijven. Zal er een nieuwe schoolstrijd ontstaan? Of zijn we misschien al zover gekomen dat het bijzonder onderwijs – waaronder het christelijk onderwijs – het aan de innerlijke (geestelijke) kracht ontbreekt om zijn na 80 jaar strijd zo duur verworven positie nog manmoedig te verdedigen?
Het Schevenings accoord
Rond de zomer is deze ontwikkeling in een stroomversnelling gekomen, toen in juli in Scheveningen een accoord werd gesloten tussen de minister van onderwijs en de vier grote koepelorganisaties (voor het openbaar, neutraal-bijzonder, prot. chr. en het r.k. onderwijs). Dit Schevenings accoord is verreikend, het bevat overeenkomsten op het gebied van de bekostiging van de scholen (lump sum-financiering), de arbeidsvoorwaarden en o.a. over de bovengenoemde punten. (Vermeldenswaard is dat de p.c-en r.k.-koepel een voorbehoud maken t.a.v. de privaatrechtelijke bestuursvorm van het openbaar onderwijs.)
Het document, dat dus, gezamenlijke richtinggevende uitspraken bevat, is in de diverse 'achterbannen' besproken, en eind september in de Centrale Commissie voor Overleg (het topoverlegorgaan) aan de orde gesteld.
Men kan zich afvragen in hoeverre het parlement hier wezenlijk nog wat in de melk te brokkelen heeft. Immers het zijn geen kleinigheden waarover de minister en het 'veld' het reeds eens geworden zijn. Staatsrechtelijk gezien rijzen hier principiële bezwaren, zoals: kan de regering accoorden sluiten met het veld, waarbij zelfs de Grondwet – i.c. een grondrecht – in het geding is? Wat is de rol van de Kamer dan? (Achteraf) goedkeuren wat maatschappelijk al geregeld is? De tegenwerping, dat het parlement toch steeds zijn politieke verantwoordelijkheid blijft behouden, heeft hier niet zoveel praktische betekenis, omdat de reële politieke ruimte immers sterk is ingeperkt. Een convenanten-onderwijsbeleid versterkt de parlementaire democratie in elk geval niet. Maar, er is nog een ander bezwaar. De onderwijskoepels vertegenwoordigen de richtingen van het Nederlandse onderwijs. Hun herkenbaarheid wordt ermee gediend indien zij zich in het overleg zo onafhankelijk mogelijk kunnen opstellen. Die herkenbaarheid wordt echter verzwakt indien onder de dwang naar resultaat van het overleg alle neuzen in één richting worden gedrongen. Dat heeft een verblekende werking naar de richtingen. Wat zal er bijvoorbeeld van het protestants-christelijk organisatiewezen – wat betreft de herkenbaarheid – over zijn na zeg nog eens 3 van soortgelijke convenanten? Wat mij betreft moet een dergelijk Schevenings beraad zich dan ook niet herhalen.
Zoals het er nu naar uit ziet zal de Tweede-Kamer nog dit najaar over deze zaak haar oordeel geven.
Om het actuele beeld m.b.t. de vrijheid van onderwijs compleet te maken kunnen we natuurlijk aan twee zaken niet voorbij gaan, nl. aan de Tijdelijke Wet Arbeidsbemiddeling in het Onderwijs (de TWAO) en aan de Algemene Wet Gelijke Behandeling (de AWGB).
De TWAO
De TWAO verplicht scholen bij vacatures wachtgelders in dienst te nemen. Alleen als deze niet beschikbaar zijn – er wordt rekening gehouden met de richting – mag men overgaan tot een vrije sollicitatie. Deze wet heeft een tijdelijk karakter en geldt voor 4 jaar.
Het doel ervan is om het zeer grote aantal wachtgelders in het onderwijs terug te dringen. Dit aantal is zo groot – ca 40.000 nu – dat dit de schatkist per jaar tegen de 1 miljard gulden kost. Een enorm bedrag dus.
Deze wet welke op 1 januari van dit jaar in werking is getreden ondervindt veel weerstand in het onderwijsveld. Begrijpelijk omdat hier het vrije benoemingsrecht van de scholen drastisch wordt ingeperkt. Aan de andere kant moet bedacht worden dat het gehele onderwijs ook medeverantwoordelijkheid draagt voor de huidige massale wachtgeldersproblematiek. Niemand mag van de overheid vergen dat zij – zeker gelet op de tegenwoordige budgettaire situatie – bereid is zo langzamerhand elke arbeidsplaats tweemaal te betalen: een keer voor de werkende en een keer voor de wachtgelder. Kort en goed, deze wet zou niet moeten mogen; ik zie hem als een noodwet, die met een beetje meer medewerking van het veld, voordat de 4 jaar om is, weer zou kunnen verdwijnen. Gelukkig is m.i. nog niet gebleken dat schoolbesturen verplicht werden over te gaan tot benoemingen die regelrecht indruisen tegen de identiteit van de school. We zullen er evenwel alert op moeten blijven dat dit ook niet zal gebeuren.
De Algemene Wet Gelijke Behandeling
Deze wet grijpt dieper in. Immers zij raakt zeer direct de identiteit van de school. De doelstelling is om discriminatie tegen te gaan en dat is een goede zaak. Echter dit kan wel ten koste gaan van de vrijheid van onderwijs. In de praktijk zal de rechter uitmaken of er van overtreding van de wet sprake is. Het is hier niet de plaats om op de wet, die dit najaar in de Eerste Kamer behandeld wordt, uitvoerig in te gaan. Wie wil weten wat het effect is van deze wet op de vrijheid van onderwijs leze het advies van de Raad van State er maar eens op na. Dit advies van 's lands hoogste raadscollege was ronduit vernietigend, juist vanwege de inbreuk op art. 23 GW, waarin het aanstellen van leerkrachten als voorbeeld voor de vrijheid van onderwijs zelfs met name genoemd wordt.
Wat mij tijdens de plenaire behandeling in de Tweede-Kamer bijzonder frappeerde, was het feit dat de regering die altijd zo dwangmatig vasthoudt aan de scheiding van Kerk en staat en er o zo bang voor is dat de overheid als zedemeester zou kunnen worden afgeschilderd, nu plotseling haar reserves liet varen en wèl haar eigen grenzen overschreed, zich wèl als zedemeester ontpopte. Namelijk door de scholen een sexuele moraal op te dringen waar ze zich maar aan te houden hebben. Of het hier om homofiele dan wel heterofiele leerkrachten gaat, is hier niet aan de orde. De centrale vraag is of het een christelijke school is toegestaan om op grond van de eigen moraal die gebaseerd is op de identiteit van de school – en welke afwijkt van de heersende moderne moraal – aan de leraren bepaalde eisen te stellen betreffende het levensgedrag, hetzij binnen hetzij buiten de school. Art. 23 van de Grondwet is daar duidelijk in. Dat recht mag de scholen niet ontnomen worden. In Nederland waarin zo hoog wordt opgegeven van onze tolerante samenleving, daarin behoren àlle minderheden een plaats te hebben.
Vermoedelijk is het laatste woord over de in behandeling zijnde wetgeving nog niet gezegd.
Het is uiteindelijk de rechter die in concrete gevallen uitmaakt of ook de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs als erkende grondrechten hier te lande in de praktijk gewaarborgd worden.
Actieve betrokkenheid nodig
Ik koos als titel 'De vrijheid van onderwijs… bedreigde vrijheid'. Dat die vrijheid bedreigd wordt moge genoegzaam uit de inhoud van dit artikel gebleken zijn. Feitelijk is dit al sinds 1917 het geval, mede doordat wij ons na de pacificatie te weinig gelegen hebben laten liggen aan de inhoud van het christelijk onderwijs. Thans echter is er zoveel gaande, dat een actieve betrokkenheid van zeer veel mensen die het christelijk onderwijs een warm hart toedragen hard nodig is. Hopelijk kan dit overzichtsartikel eraan bijdragen, dat we ons er metterdaad voor willen inzetten om de vrijheid van onderwijs creatief en suggestief in praktijk te brengen.
Gelukkig, er zijn nog heel veel christelijkeI scholen en dus liggen er kansen genoeg.
Wij bidden God om geloof, hoop en liefde, om ten behoeve van de honderdduizenden kinderen op onze scholen datgene te (blijven) doen wat onze dure roeping is.
drs. G. van Leijenhorst, Garderen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's