Open Brief
met betrekking tot de controverse binnen de kleine christelijke partijen In Nederland inzake de Euroverkiezingen
De Waarheidsvriend is geen politiek orgaan. Wel hebben lezers met politiek te maken. Zeker als het gaat om politiek, waarin de Schrift en de belijdenis der Reformatie richtsnoer wil zijn, ligt het ook in ons blikveld. Inzake de onenigheid in deze tussen de kleine christelijke partijen over de candidatenlijst voor de Euroverkiezingen, vanwege verschillen inzake de vrouw in de politiek, werd door een viertal personen een Open Brief geschreven aan de partijbesturen, boven de partijpolitiek uit Omdat deze brief slechts in één dagblad integraal werd afgedrukt, geven we deze hier gehéél weer. Intussen lijkt er opening in het conflict te zijn gekomen doordat mevr. drs G. van Visser-van Lente (kandidate voor de RPF) in een Open Brief aan het bestuur van de SGP te kennen heeft gegeven haar kandidatuur in te trekken.
Huizen, 24 januari 1994
Aan de besturen van SGP, GPV en RPF
'… niet zoekende mijn eigen voordeel
maar het voordeel van velen…'
(1 Kor. 10 : 33)
L.S.
Ondergetekenden, elk behorende tot één van de stromingen in Nederland binnen de zogeheten Gereformeerde Gezindte, willen langs deze weg uiting geven aan hun diepe bezorgdheid, om niet te zeggen innerlijke beschaamdheid, aangaande de in de pers breed uitgemeten discussies binnen en tussen de drie kleine christelijke partijen over de gezamenlijke kandidatenlijst voor de ophanden zijnde Euroverkiezingen. Die discussies betreffen de op de spits gedreven verschillen van inzicht omtrent de plaats van de vrouw in de politiek, in concreto de plaats van een vrouw op de kandidatenlijst voor de RPF. Nu deze zaak zodanig dreigt te escaleren, dat daarmee verloren dreigt te gaan de ene zetel voor reformatorische politiek in Europa – waardig en bekwaam ingenomen door een parlementariër, die het vertrouwen van alle drie de partijen geniet – willen wij een appèl laten uitgaan. Vooral omdat wij diep overtuigd zijn van de waarde van het reformatorische getuigenis in Europa.
Hoewel wij niet op directe wijze betrokken waren of wilden zijn bij interne partijpolitieke discussies in deze, voelen wij ons nochtans – of juist daarom – gedrongen uiting te geven aan onze gevoelens, omdat genoemde drie partijen alle in hun politieke bezig-zijn zich beroepen op de Heilige Schrift en daarbij ook de gereformeerde belijdenis als uitdrukking van gemeenschap voluit ernstig willen nemen. Het gaat zelfs om partijen, die van tijd tot tijd kritische vragen stellen bij de invulling van de 'C' in andere politieke partijen. Als zodanig moet het beschamend worden geacht, dat nu op zodanige wijze publiekelijk uiting wordt gegeven aan onenigheid, dat gemeenschap ver te zoeken is. Wij willen er geen onduidelijkheid over laten bestaan, dat wij van oordeel zijn, dat politieke betrokkenheid van de vrouw in het politieke leven niet strijdig is met Schrift en belijdenis. Maar naar ons gevoelen gaat het in de onderhavige kwestie nauwelijks nog om die zaak, in ieder geval niet alléén daarom. Wil men stellen, dat dit wel het geval is, dan valt ook op andere punten te betwijfelen of er sprake is van echte, principiële loyaliteit ten opzichte van elkaar.
Langzaam maar zeker lijkt deze zaak een prestigekwestie te zijn geworden, waarbij niemand bereid is de laagste weg, namelijk die van zelfverloochening te gaan, met het oog op het publiek en een geloofwaardig getuigenis in een ontkerstenend Europa.
Wij baseren één en ander op de volgende overwegingen:
1. In de eerste plaats – niet het belangrijkste, maar toch niet te veronachtzamen – dient te worden bedacht, dat de plaats van de vrouw op de kandidatenlijst van de RPF een onverkiesbare lijkt te zijn.
2. In de tweede plaats gaat het toch niet om samensmelting van drie partijen. De partijen blijven afzonderlijk bestaan maar schuiven, met het oog op de grote waarden waarvoor men wil staan in Europees verband, slechts hun lijst ineen, zeker ook vanwege de haalbaarheid van een zetel in het Europees parlement.
3. In de derde plaats is het zo dat, of op de betreffende plaats nu een vrouw staat of niet, de discussies, die de afgelopen maanden zijn gevoerd en in de pers breedvoerig naar buiten zijn gebracht, er geen enkele onduidelijkheid over laat bestaan hoe binnen de afzonderlijke partijen over de vrouw in de politiek wordt gedacht. Binnen geen der partijen behoeft men zich zorgen te maken over de vraag of ze naar de kiezers toe in deze nog wel herkenbaar zijn. Kiezers hebben hun conclusies al lang getrokken.
Gegeven dit alles doen we een beroep op de verschillende partijen om, terwille van een betrouwbaar gezicht van wat christelijke politiek in reformatorische zin heet te zijn, elkaar de hand te reiken en elkaar tegemoet te komen. Wij doen hier geen uitspraak over de vraag hoe dit zou móéten. Wel hoe het zou kùnnen.
De SGP dient zich af te vragen of het haar de prijs van het verlies van de zetel in het Europees parlement waard mag zijn, door zo vast te houden aan een tot het uiterste doorgevoerd 'principe'.
Aan de RPF valt, om dezelfde reden, te vragen of het nu werkelijk van beslissende betekenis voor haar betrouwbaarheid inzake de vrouw in de politiek is om te persisteren bij genoemde plaats op de kandidatenlijst.
Aan het GPV valt te vragen of het niet op zijn weg ligt leiding te geven in het gaan van de laagste weg voor allen.
Aan alle partijen is het recht voorbehouden om, bij welke uitkomst dan ook, in openheid en eerlijkheid uiting te geven aan de pijn, die aan één en ander verbonden is.
Bij dit alles valt te bedenken het woord van Paulus aan de gemeente van Korinthe: 'want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten?' (1 Kor. 10 : 29). Paulus bedoelt hier immers niets minder mee te zegen dan dat hij weliswaar vrijheid heeft in Christus maar dat hij die vrijheid niet in Gods oordeel wil laten komen, omdat hij een belemmering zou vormen voor het geweten van de ander.
Dit uitgangspunt geldt naar onze overtuiging wederkerig: voor hen, die een plaats voor de vrouw op de kandidatenlijst gewenst achten en voor hen, die dit niet acceptabel achten.
Wil een beroep op Schrift en belijdenis in Europees verband nog enigszins terzake zijn, dan mag in deze worden verwacht, dat de één de ander uitnemender acht dan zichzelf. Tenzij men de kwestie waarom het gaat als een zaak wil zien, waarmee christelijke politiek staat of valt. In dat geval is naar onze overtuiging ook deze christelijke politiek, zeker wanneer die met zo hoge pretenties wordt gevoerd, 'een zouteloos zaakje' (A. A. van Ruler) geworden. Men kan christelijke politiek smakeloos maken door verwatering van beginselen en door verstrakking ervan.
Wij bidden ieder, die hier verantwoordelijkheid draagt, wijsheid toe om zulke wegen te banen, dat niet duizenden, wie het gemeenschappelijk reformatorisch getuigenis op het niveau van de Europese politiek ter harte gaat, beschaamd zullen staan wanneer zij zich rekenschap moeten geven van hun politieke keuze, met name ook in het kader van een zich verenigend Europa.
Intussen verblijven wij met broederlijke groeten en hoogachting,
drs. C. Blenk, Amsterdam
K. Bokma, Apeldoorn
ir. J. van der Graaf, Huizen
ds. J. Westerink, Bunschoten
w.g.
(J. van der Graaf)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's