Een boek en een hoofd
Een zeker scherpzinnig Duits denker heeft een fijnzinnige spreuk bedacht. Hij luidt: Wanneer een boek en een hoofd op elkaar botsen en het klinkt hol, is het dan altijd de schuld van het boek? Begrijpt u de onderliggende gedachte? De wijsgeer betwijfelt of je nu wel altijd kunt zeggen, dat de lectuur van het boek zo moeilijk is. Veeleer ligt het aan het feit, dat men in het geheel niet leest of het betoog niet tot zich laat doordringen. In het algemeen gezien wil de filosoof natuurlijk beweren, dat er wel veel boeken zijn, maar dat ze niet gelezen worden. De mensen blijven onontwikkeld, dom, laten de gelegenheid tot vermeerdering van kennis voorbijgaan. Wij leven thans in het tijdperk van televisiekijken en praten. Avonden worden aan het apparaat doorgebracht en uren worden versleten met vergaderen.
Wij menen, dat het daarom tijd wordt het bestaan van het boek weer onder uw aandacht te brengen. Televisiekijken zonder grens werkt remmend op initiatief, nieuwsgierigheid, motivatie, fantasie, logisch denken en concentratie. Doordat het beeld voortdurend heen en weer schiet en de handeling steeds wisselt bevordert de televisie evenmin het denken in oorzaak en gevolg. Men ondergaat de gebeurtenis op het beeldscherm méér dan deze logisch te ontleden. Bij gevolg wordt vanzelf het denkvermogen stijver en trager. Dat is met de handeling van het lezen geheel anders. Je kunt boeken verslinden, maar dat is niet lezen. Lezen wil zeggen: kiezen, bepeinzen, overlezen en nadenken. Drie soorten lezers zijn er: een eerste, die zonder oordelen geniet. Een derde, die zonder genieten oordeelt. En een middelste, die genietend oordeelt en oordelend geniet. Deze schept eigenlijk het kunstwerk opnieuw.
Het is niet onduidelijk wat ten aanzien van het boek het standpunt van de apostel Paulus is. In de tweede brief aan Timotheüs lezen wij immers duidelijk: Breng de reismantel mede, die ik te Troas bij Carpus gelaten heb en de boeken, inzonderheid de perkamenten. Bij het naderen van de barre winter zou de apostel graag de warme mantel terughebben tot verwarming in de zonder twijfel erg ongerieflijke kerker. Welke boeken en perkamenten Paulus heeft bedoeld, laat zich niet met zekerheid uitmaken. Wel, dat hij op het bezit der laatste nòg meer prijs stelt dan van de eerste. Boeken, of liever boekrollen, waren vervaardigd uit papyrus. Voor kostbare geschriften gebruikte men het duurdere perkament. Onder die naam kunnen zijn bedoeld òf perkamentbladen òf boeken, daarvan vervaardigd. Vermoed is, dat Paulus bedoelt delen van het Oude Testament, afschriften van zijn eigen brieven, of, met de perkamenten, notitieboekjes. Maar het is alles gissing – wij weten het niet. Maar in ieder geval, Paulus werd geleid door goddelijke ingeving, maar toch wilde hij zijn boeken bij zich hebben. Hij had Timotheüs opgewekt om te volharden in het lezen, en hij deed het zelf ook, ofschoon hij nu als een drankoffer zou geofferd worden. Zolang wij leven, moeten wij lezen…
Daar hebben wij nu het uitgangspunt van onze gedachten bereikt. Een predikant moet levenslang blijven lezen. Van een enkele olijke student werd verteld, dat hij aan het einde van de academische studie gekomen, al zijn boeken verkocht had, om enkel met een bijbel, een kerkboek en een Trommius naar zijn gemeente te gaan. Daaraan zou hij genoeg hebben. Tot zulk een uiterste kan maar een enkele, indien ook zelfs een enkele, vervallen. Maar dat met behoud van al hun boeken velen er bijna geen oog meer insloegen, is toch wel waar en een bedroevend feit. Wat dit van iemand bewijst? Dat hij enkel gestudeerd heeft om klaar te komen, maar dat hij bitter weinig belangstelling had in hetgeen er gestudeerd en bestudeerd werd.
Wij nemen nog wel áán, dat in de Bijbel gelezen wordt. Maar wanneer dat lezen niet tegelijk bestuderen wordt, wanneer daarbij Hebreeuws en Grieks terzijde wordt gezet en geen kennis wordt genomen van andere uitleggingen dan welke de kanttekeningen van de Statenbijbel vermelden, zal het preken op de duur mottopreken worden. Dan zullen er in de preken weldra dingen komen van welke een gymnasiast denkt: Maar heeft die man Hebreeuws en Grieks geleerd? Dan roept de prediker met een dankbaar gemoed uit: Eben Haëzer! als ware dit de Hebreeuwse vertaling van: Tot hiertoe heeft de Heere geholpen. Vele andere afdwalingen voegen zich daarbij. Allicht komt er ook een wonderlijke verklaring op het toneel. Een vreemde sprong zo hier en daar ten aanzien van een tekst die men in het verband geweld aandoet. Het is nu eenmaal zo: de eenvoudige zin van een tekst vindt men menigmaal te simpel. Er moet een bloemenruiker bij; een versiering – het gewone acht men te gewoon. Daarom wordt gezocht naar het ingewikkelde.
Voortgezette studie evenwel doet op de hoogte blijven van het onderzoek. Daar is zeker een wetenschap, die voortdurend andere vondsten verheerlijkt. Een grote reserve is daar op zijn plaats. Zoveel veronderstellingen, die men reeds als slotsommen verkondigde worden aldra weer vervangen door andere, omdat zij onhoudbaar bleken. Er zit in iedere wetenschap een vloeiend element. Wie zich puur afhankelijk maakt van het meest recente, verandert onophoudelijk van mening. Zo dwaas is het nog niet om zich bij de tekstverklaring aan de klassieke auteurs en de beproefde boeken te houden. Daarbij tevens een gedegen bijbels woordenboek te raadplegen. Het zou toch overmoedig zijn om te beweren, dat het ware verstaan aan de Schriften eerst in onze eeuw is aangebroken.
Daarom – een weloverwogen omgang met boeken voedt de geest. Een menigte van boeken versnippert slechts ons denken. Zo hebben wij bijvoorbeeld aan de universiteit het geraamte van de kerkgeschiedenis leren kennen. Slechts hier en daar hebben de handelende personen voor ons vlees en bloed gekregen. Voor speciale studiën omtrent enkele tijdvakken en personen ontbrak vaak de tijd. Hoe heerlijk, wanneer wij door uitvoeriger levensbeschrijvingen of monografieën een of andere tijdvak van de kerkhistorie met levende gestalten gevuld zien; hoe opbouwend wanneer wij op deze of gene getuige des geloofs in het bijzonder het oog kunnen vestigen. Wij werden daardoor zelf gesterkt en verfrist. Ook tegenwoordig verschijnen er nog alom levensbeschrijvingen, die ons de mens zelf en zijn tijd levend doen verstaan.
Als Paulus wenste zijn boeken en perkamenten bij zich te hebben, mogen wij niet achterblijven. Wat stimuleren die boeken ons, wat bevorderen ze de geestelijke kracht. Vooral vuurt het ons aan, wanneer wij eens een geheel bijbelboek doornemen. Nieuwe vergezichten openen zich voor ons, oude waarheden gaan opnieuw bloeien. De prediking zal er door verdiepen en vernieuwen.
Evengoed zal iemand zeggen: de gemeente is mijn boek. Daarin lees ik dag aan dag. Zij geeft mij telkens nieuwe stof aan de hand. Dan antwoorden wij: accoord, de gemeente geeft ons aanleiding om de stof, die wij hebben, uit steeds andere oogpunten te bezien en voor te stellen; zij leidt onze keuze van het onderwerp, dat wij zullen behandelen en bepaalt de wijze van behandeling. Maar de gemeente is onze bron niet. Dat is de Heilige Schrift. En daarom – de meest gezegende predikers zijn niet geweest de mannen, die zich enkel in de gemeente bewogen van de maandag tot de vrijdag, maar zij, die studie met de ijverige arbeid in de gemeente wisten te paren. De gemeenteoverlopers krijgen iets van gieters, die aldoor besproeien of de grond schraal dan of hij vruchtbaar is, of het regent dan wel of de zon schijnt; zij geven aldoor hetzelfde schrale water. De mannen enkel van studie zijn daarentegen de landbouwkundige gelijk, die een geheel magazijn zeer deugdelijke meststoffen heeft aangelegd en daarover heerlijk weet te praten, maar die verzuimt ze aan de akker toe te vertrouwen. Gemengde arbeid is nodig. De oude regel is geweest in de voormiddag studie, in de namiddag gemeentebezoek, in de avond catechese of vergadering. Nu geven wij ons gewonnen: dit schema was vermoedelijk vroeger beter handbaar dan tegenwoordig. De levensomstandigheden zijn zo geheel anders dan voorheen. En toch – bij alle verandering blijven enkele oude grondregels dezelfde. Het zal goed zijn ons daaraan te houden: lezen, met de pen in de hand en de klok in het oog!
A. van Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's