Boekbespreking
K. A. Deurloo, A. Dicou, B. F. M. Hemelsoet, F. J. Hoogewoud, K. A. D. Smelik, R. Zuurmond (red.): Amsterdamse Cahiers voor exegese en bijbelse theologie, Cahier 12. Uitgeverij Kok, Kampen 1993, 135 biz. + bijlage, ƒ 29,–.
S. Ketelaar toont aan dat met de geboorte van een zoon uit een onvruchtbare vrouw steeds een nieuwe situatie begint. God grijpt reddend in door het leven te schenken aan het onmogelijke (18v.).
M. Leygraaf begint haar artikel met de stelling: Wanneer woorden geordend worden tot een verhaal, bepaalt het verhaal de betekenis van de woorden (20). Toegepast op de geschiedenis van Sodom en Gomorra zou dit volgens haar betekenen, dat de spits in dit geschiedverhaal niet gericht is op het oordeel van God over beide steden, maar op 'een redding in het klein omwille van Abraham, de vader van Israël, in wie gezegend zijn alle volkeren der aarde' (27). Ongastvrijheid ten opzichte van de vreemdeling is ook het thema van Richteren 19. Dit hoofdstuk krijgt een geladenheid die het zonder Genesis 19 nooit zou hebben gehad (28). Treffend zijn de overeenkomsten in het woordgebruik. Maar voor de bijvrouw van de Bethlehemiet komt helaas geen redding opdagen. Ze wordt verkracht en vermoord.
K. A. D. Smelik wijst op het hergebruik van verhaalmotieven in het boek Genesis. Rabbijnse exegese kan een hulpmiddel zijn om dit verschijnsel op te sporen (31-37).
In het kader van een studie over het roepingsverhaal van Mozes legt C. den Hertog de Naam JHWH uit als een 'dynamisch' of 'daadwerkelijk zijn' en de zinsnede 'Ik zal zijn' als 'Ik pleeg te zijn die Ik pleeg te zijn' (38-61).
K. A. D. Smelik en H.-J. van Soest komen na een zorgvuldige vergelijking van de openingsformules in de boeken der Koningen tot de conclusie dat het raamwerk in deze boeken temggaat op één auteur of groep van auteurs (62-86).
B. de Wit bespreekt de lotgevallen van de voorwerpen uit de tempel. De wijze, waarop dit motief wordt verwerkt, geeft geen aanleiding om de literaire eenheid van de boeken der Koningen in twijfel te trekken (87-105).
K. A. Deurloo stelt de vraag, waarom Josia na het vinden van het wetboek in de tempel een gezantschap zond naar Hulda en niet naar Jeremia (106-115).
Het onderwerp van de bijdrage van J. W. Mazurel is de betekenis van het 'hout' uit Ezechiël 37 : 16 tot 20 (116-121).
R. Zuurmond schreef een artikel over de geschiedenis van de 'overspelige vrouw' (122-130).
Wie zich in één van bovengenoemde teksten wil verdiepen, late niet na deze aflevering van de Amsterdamse Cahiers te raadplegen. Er ligt veel kennis en informatie in opgeslagen.
H. J. de Bie, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's