De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

6 minuten leestijd

In een boekje van G. J. van den Enden en ds. P. de Vries met herinneringen aan wijlen ds. H. Hofman, in leven voorganger in een vrij oud-gereformeerde gemeente te Schiedam ('Een gezant van de Koning', uitgave Verloop, Alblasserdam), het volgende over 'heilige gevatheid':

'Ds. Hofman kon zeer gevat zijn. Door genade was deze gevatheid geheiligd om zondaren voor Christus te winnen. Ik vermeld twee voorvallen waaruit dat blijkt. Hij bezocht eens één van zijn gemeenteleden in het Dijkzigt-ziekenhuis te Rotterdam. Toen hij een lift binnen stapte die al behoorlijk vol was, merkte één van de aanwezigen op: "Daar heb je weer zo'n doodgraver". Onmiddellijk reageerde ds. Hofman met de woorden: "Meneer, dat hebt u fout, ik ben geen begrafenisbedienaar, maar ik zit in de handel". Al de mensen in de lift luisterden inmiddels belangstellend. "Waar handelt u dan in?", vroeg de man die hem eerst een doodgraver genoemd had. Toen vertelde ds. Hofman dat hij in goud handelde en het voor niets weg wilde geven, maar dat niemand er belang bij had. In nog geen paar minuten tijd legde hij het Evangelie van verzoening door voldoening uit. Toen hij uit de lift stapte, zeiden al de mensen in de lift: "Dag, dominee". Zij hadden begrepen en bemerkt, dat zij met een dienstknecht van Christus te doen hadden, en hij had hen het goud aangeboden om niet.
Het tweede voorval vond plaats aan het einde van de jaren veertig. Aan ds. Hofman werd gevraagd de begrafenis te leiden van een vrouwtje uit een volksbuurt in Schiedam. Toen hij aan het sterfhuis kwam, voelde hij bij de familieleden de tegenstand. Zij moesten van een dominee in zijn zwarte pak niets hebben. Zij ontdooiden echter wat, toen ds. Hofman zei dat hij eigenlijk helemaal geen dominee was, maar slechts een eenvoudige schippersjongen. De zoons van de overledene kwamen er openlijk voor uit dat zij C.P.N. stemden, een partij die toen in havenbuurten zeer populair was. Tot hun grote verbazing, antwoordde ds. Hofman: "Dat kan ik goed begrijpen, want ik ben vroeger ook een communist geweest". Nu was het ijs helemaal gebroken. Daar wilden zij meer van weten. Hij ging hen toen vertellen dat hij vroeger enkel en alleen zijn eigen ik had gezocht. Hij wilde zelf heer en meester zijn, en zich door niemand laten gezeggen. "Het echte communisme", zo ging hij voort, "is dat wij het belang van de ander zoeken en wat wij over hebben met anderen willen delen." "Maar zo was het bij mij niet", zei hij, "ik wilde er alleen zelf beter van worden. Ik dacht niet aan een ander, maaralleen aan mezelf." De ruwe havenarbeiders gaven eerlijk toe, dat het bij hen eigenlijk niet anders was. "Eigenlijk zijn wij dan geen goede communisten", zei ds. Hofman. "Feitelijk is er maar één echte communist." Nu, de mannen waren benieuwd wie dat wel was.
"De enige, echte communist", zo zei ds. Hofman, "is God Zelf." Dat hadden die havenarbeiders nog nooit gehoord. Heel eenvoudig heeft hij toen verteld dat God Zijn Zoon gezonden heeft, niet om er Zelf beter van te worden, maar om verloren zondaren te redden. Hij betuigde hoe de Heere hem te sterk was geworden en hij met al zijn eigen goede bedoelingen overboord was gegaan om de zaligheid in Christus te vinden. De tijd vloog om. Toen hij opstapte, zei de familie: "Wij hadden nooit geweten dat een dominee zo was". Zonder enige problemen kon ds. Hofman de rouwdienst leiden en de familie heeft met eerbied en aandacht geluisterd.'


Bij de intrede van een predikant in zijn nieuwe gemeente voegde één van de ambtsbroeders in zijn toespraak hem de volgende 'dichtspreuk' (ook van toepassing op predikanten) toe van Ida Gerhardt:

Mijn zoon, zo ge dichter wilt worden,
gewen uw pen om te delgen.

Hebt ge zeven woorden geschreven,
gij zult er zes met de ban slaan.

En zo zich het zevende handhaaft,
het is van godswege een leenwoord.

Gewen uw pen om te delgen,
mijn zoon, wees tègen uzelve:

Dat wat een vers tot een vers maakt
is niet van sterfelijke oorsprong.

Wie dichter is zorgt dat hij staan laat,
mijn zoon, wat nièt van zijn hand is.


Op D.V. 7 februari a.s. hoopt aan de Rijks Universiteit te Utrecht te promoveren aan de faculteit der aardwetenschappen en de ruimtelijke wetenschappen ir. W. van Leussen te Bergschenhoek. De titel van het (Engelstalige) proefschrift luidt 'Macrovlakken en hun bijdrage aan de slibtransporten in Estuaria' (een estuarium is een rivermonding, v.d.G.). We feliciteren de heer Van Leussen van harte met de voltooide studie en de behaalde doctorsgraad. De heer Van Leussen was diaken in Bergschenhoek en ook lid van de hervormde commissie voor het werelddiakonaat. De betrokkenheid op het diaconaat komt ook tot uitdrukking in enkele bijgevoegde stellingen. Hier volgen enkele stellingen:

• Juist in tijden van economische recessie blijven de woorden van Huizinga 'Een cultuur kan hoog heten, al brengt zij geen techniek of beeldhouwkunst voort, maar niet, als zij de barmhartigheid mist' uiterst actueel, en verdienen zij grote aandacht bij het opstellen van politieke programma's.

• In het diaconaat – de dienst der Barmhartigheid – verdient de koinonia (gemeenschap, red.) een minstens even hoge prioriteit als de diakonia (dienst, red.).

• Het beeld van de diaken als een soort armenmeester uit de vorige eeuw blijkt een wijdverbreid hardnekkig vooroordeel en leeft, bewust of onbewust, nog steeds voort.

• In tegenstelling tot het merendeel der huidige theologische literatuur vormt Handelingen 6 : 1-6 een essentiële basis voor de fundering van het diaconaat. De typering van de diaken in het Beleidsplan 1993-1996 van de GDR als een 'voorganger voor de gemeente' voor het inzamelen en uitdelen van de gaven is daarom op goede gronden gekozen.

• In de loop der afgelopen eeuwen zijn er diverse belangwekkende studies verschenen en voorstellen gedaan om het diaconaat een gezonde basis te geven. Dat zulke voorstellen nooit een breed draagvlak hebben kunnen krijgen wordt veroorzaakt door onvoldoende aandacht voor het diaconaat in de theologische opleiding. Dit verdient nadere aandacht. Het blijft anders pionierswerk van enkelen.

• De recente hoogwaterproblemen in de Nederlandse rivieren illustreren dat de natuur grilliger is dan men vaak beseft. Door klimaatveranderingen en versnelde zeespiegelrijzing zal dit de komende decennia waarschijnlijk nog sterker het geval zijn. Het is jammer dat de politieke belangstelling afneemt bij overschrijdingsfrequenties die lager zijn dan eens per vier jaar.

• De voordelen van vermindering van geluidsoverlast door massale plaatsing van geluidsschermen langs autosnelwegen weegt niet op tegen de nadelen van grove aantasting van het landschap.


Ds. T. Harder, chr. gereformeerd ziekenhuispredikant, gaf ergens de volgende anekdotische weergave van het begin van een 'pastoraal gesprek' aan een ziekenhuisbed.

Pastor: 'Mevrouw, waarvoor ligt u hier?'
Patiënte: 'Voor ƒ 3000,– per week.'
Posfor: 'Dat bedoel ik niet. Ik bedoel: wat hebt u dan?'
Mevrouw: 'Ik heb maar ƒ 2000,–…'
Pastor: 'Nee, mevrouw, dat bedoel ik niet. Ik bedoel: wat scheelt er dan aan?'
Mevrouw: 'Precies ƒ 1000,–.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's