De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

17 minuten leestijd

Meegaan of tegenstaan
Je moet elkaar leren verdragen. Dat is ieder die in een gezin is opgegroeid met de paplepel ingegeven. Wie in het huisgezin Gods is geboren, krijgt het vanuit de Schriften eveneens als een gulden regel mee. Je moet er de zwakken verdragen. De liefde leert er je veel zaken onder de dekmantel houden. Met volharding wordt er geprobeerd dwalenden weer onder de controle van het Woord te krijgen (tucht). Je weet je in de gemeente Gods aanvaard door Christus. Daarom is het je opdracht ook elkaar te aanvaarden als leden van hetzelfde lichaam. De Schrift geeft ruimte voor verscheidenheid binnen de gemeente. Uiteraard zijn er ook grenzen aan deze verdraagzaamheid. Het Hoofd Christus bepaalt wie er tot Zijn lichaam behoren. In de Hervormde kerk is er door de eeuwen heen een manier van leven ontstaan waarbinnen rekening wordt gehouden met diepgaande verscheidenheid. Sommigen spraken en spreken in dit verband over richtingen, anderen gebruiken de verzachtende term modaliteiten. In het Samen op Wegproces komt de genoemde Hervormde 'kerkcultuur' onder druk te staan. We moeten oppassen daar alleen de Gereformeerden de schuld van te geven, hoezeer het juist is dat zij meer gewend zijn aan één soort gelovigen: de gelijkgezinden met de neuzen allemaal één kant op. De spanningen die het SoW-proces veroorzaken, hebben veel meer oorzaken. Ze hebben te maken met de snelle ontwikkelingen van onze moderne maatschappij die de kerken volledig in hun greep hebben gekregen. De moderne vragen sleuren kerken mee waarbij aangrijpend veel van wat altijd tot de schat van de kerk der eeuwen heeft behoord, wordt ingeleverd en weggedaan. November 1993 werd het Ontwerp-Kerkorde in eerste lezing ter trio-synode behandeld. Eén van de opmerkelijke aspecten van deze kerkorde is dat er een artikel in ontbreekt over het huwelijk. Bewust hebben de opstellers dat gedaan, omdat er geen eenduidige visie meer te vinden is binnen de kerken over het huwelijk als enige bijbels-legitieme vorm van samenleven. In het blad Ecclesia (Orgaan van de Stichting Vrienden van dr. H. F. Kohlbrugge) van 21 januari 1994 staat te lezen wat drs. H. Klink (Hoornaar) op de synode over deze kwestie heeft gezegd. Hij begint te zeggen dat èn in de Romeins-Helleense wereld èn in de tijd van de Reformatie het huwelijk zijn bijbelse betekenis opnieuw verkreeg in een tijd waarin bandeloosheid en verwording van seksualiteit grove vormen begon aan te nemen.

En nu? Vandaag de dag lijken we voor het overgrote deel te lijden aan de waan van het vooruitgangsgeloof. We denken dat, mèt het voortschrijden van de jaren, de ontwikkeling van ons mensen naar een steeds hoger peil voert. Er is geen groter vergissing dan deze. En er is geen hoogmoediger gedachte denkbaar. Inderdaad, we evolueren altijd wel ergens heen. Luther heeft eens gezegd dat stilstand eigenlijk onmogelijk is. Hij heeft daar het beeld van een paard voor gebruikt. De vraag is, door wie het bereden wordt en welke richting het op draaft; het paan kan een tegengestelde richting inslaan.
Moeten wij ons niet realiseren, dat àls we instemmen met dit artikel waarin het huwelijk niet als zodanig voorkomt, àls we dit besluit en soortgelijke besluiten nemen, wij hier ter synode het tegenproces tegen het Evangelie dat 'ontkerkelijking' heet, bekrachtigen? Ja, dat wij, terwijl we voorwenden christelijk te zijn, de ontchristelijking bezegelen? Zegt Christus niet, dat het zout zouteloos kan worden? Is dan het zout zouteloos? Ook de zuurdesem kan uitgewerkt raken. En het huis dat met bezemen gekeerd is, kan vol demonen raken – als het geloof eruit is.
Moeten wij ons niet realiseren dat wij, als wij met dit artikel uit het ontwerp-kerkorde instemmen, het tegenproces tegen het Evangelie (de ontkerkelijking) bekrachtigen? En dat terwijl wij voorgeven christelijk te zijn? Is dan het zout niet zouteloos geworden? Heeft dan de dichter T. S. Elliot gelijk die onze eeuw ergens typeert als een eeuw 'which moves progressively backwards' ('een eeuw die al voortgaande achteruitgaat')?
Onze eeuw beweegt zich niet naar de gemeenschap met het christelijk geloof, maar naar een weer aanhaken bij het heidendom van vóór het christelijk geloof Alleen… met één dimensie erbij: het heidendom wordt gesanctioneerd door de kerk, door een kerk die niet meer luistert. Wij maken deel uit van onze tijd en van het vooruitgangsdenken van onze tijd. Dat denken getuigt van hoogmoed ten opzichte van ons voorgeslacht en wat wij daarvan hebben meegekregen. Ik durf te stellen dat daarin veel goeds was. Dat daarin het zout der aarde was. Het denken van het voorgeslacht was bevrucht door de Wet van God. Zo was het bij Luther, bij Calvijn, bij Groen van Prinsterer, bij Kierkegaard, bij zo-zo-zovelen. En zouden wij vandaag de afbraak bezegelen van wat zij ons doorgaven?
In de techniek is zeker vooruitgang mogelijk. Maar ook in ethisch-religieuze zaken? Is de ethiek, is de echte religie, is het echte christelijke geloof veranderlijk? Is er op het gebied van ethiek en geloof juist geen achteruitgang en vervreemding? En wordt het voorstel als in artikel VII niet ingegeven door die vervreemding, die nu massaal om zich heen grijpt, waardoor de voorstanders de meerderheid kunnen behalen? Maar vormen de tegenstanders niet de meerderheid, als het gaat om de Kerk? De Kerk van alle eeuwen? De bekeerde Augustinus liet zich niet meesleuren door het heidense gedachtengoed. Luther niet. Calvijn evenmin. Zij waren in dat opzicht – als alle ware gelovigen – vreemdelingen. En met een beroep op de wolk der getuigen van Hebreeën 11 zeg ik: de eigenlijke meerderheid ligt bij de tégenstanders van het voorgestelde artikel.
Hoe kwam het dat Luther en Calvijn (en anderen) niet met het tijdsproces, met hun tijdgeest meegingen? Omdat zij, in zekere zin, in het geloof buiten hun tijd stonden. Gegrond in de Rots, die Christus is. Deze Christus is het, die T. S. Elliot in een van zijn gedichten laat zeggen: 'I made my laws, but you set up commissions'. Ik ken amper een scherper woord: 'Ik gaf Mijn wetten, maar u stelde commissies in'.
Laten we ons toch niet laten meeslepen door het tijdsproces. De voorstanders van het voorgestelde artikel hebben de tijdgeest mee, ik ontken dat niet. Maar laat ons denken en leven vanuit Christus, die zei: 'Meent nu niet, dat Ik gekomen ben om de Wet en de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar om die te vervullen'. Elk christelijk réveil betekende terugkeer, herijking aan de Openbaring en aan de Wet van God. Dat is reformatie.
Ik vrees – ja ik weet – dat wat we nú dreigen te doen deformatie is. Wat we hier dreigen te bezegelen is een trend van nog maar weinig jaren. En nú al voert die trend tot zulke vergaande beslissingen. Het zedelijk besef stond bij de mensen van zo'n vijftig jaar geleden nog in hun harten gegrift. Bij ons is dat, zo lijkt het, amper meer het geval. Laat men beseffen wat men doet, als men zich vandaag op dit punt vervreemdt van de christenheid die tot voor kort, algemeen en alom, volstrekt anders over deze dingen dacht.

Te vrezen valt dat ds. Klinks appèl nauwelijks gehoor krijgt. Als de Verenigde Naties 1994 uitroepen tot het jaar van het gezin, regent het protesten juist in ons eigen land. Wie opkomt voor het christelijk huwelijk heeft alle wind tegen. Achter dit ingrijperide meningsverschil ligt een absolute verschuiving in het denken over verdraagzaamheid en dan naar christelijke norm. In De Reformatie is prof. J. Kamphuis aan een reeks artikelen bezig onder de titel Kerk en Tolerantie. Uit zijn tweede bijdrage (22 januari 1994) citeren we het volgende.

Tolerantie functioneert in de hedendaagse (westerse) samenleving en cultuur als een sleutelwoord. De tolerante levenshouding wordt zonder meer als ideaal gezien en aangeprezen. Tolerant-zijn schijnt in de samenleving de menselijke grond-houding te zijn en te móeten zijn. Verdraagzaamheid naar alle kanten en in alle opzichten wordt 'het grote gebod' van onze samenleving! Zo krijgt tolerantie hoe langer hoe meer de vulling van:
de bereidheid de algehele vrijheid te erkennen voor iedere overtuiging en van elke daaruit voortkomende of daarmee samenhangende levenshouding, hoe afwijkend deze overtuiging en praktische levenshouding ook is van traditionele overtuigingen en morele voorschriften (maximes), zoals deze – eventueel – nog leven in de meerderheid van de bevolking.
Zo kan men, om een voorbeeld te nemen, in het buitenland tegenwoordig Amsterdam aangeprezen zien als de stad waar de tolerantie bij uitnemendheid gepraktiseerd wordt! Blijkens de toelichting doelt men er dan op dat hier geen enkele grens wordt gesteld aan wat toegelaten en zelfs als positief aanvaard wordt: ethische aberraties zijn geen aberraties meer. Perversiteiten worden zó niet meer genoemd en als het wèl gebeurt, dan is ook het perverse leven een wijze van leven die een wettige plaats heeft als wettig alternatief.
Hiermee heeft het begrip tolerantie een ontstellende verbreding gekregen, die tegelijk een wezenlijke verandering inhoudt, als men nl. dit hedendaagse woordgebruik vergelijkt met het tot voor kort gangbare gebruik van het begrip en de term.

Prof. Kamphuis geeft breed de opvatting weer van een zekere W. F. Adeney, die het overzichtsartikel over 'tolerantie' schreef in de in 1921 verschenen Encyclopaedia of Religion and Ethics. Prof. Kamphuis haalt dit artikel aan, omdat daarin tolerantie nog wordt omschreven als een normatieve tolerantie. Dat wil zeggen: ze was ondergeschikt aan een gezaghebbende instantie, die zich geroepen wist tot het bewaren van de normen. Maar, aldus Kamphuis, aan het slot van zijn bijdrage laat Adeney zien, dat toen al de grote verandering in denken zich aandiende. Geen verdraagzaamheid meer die door een norm wordt begrensd. Tolerantie is nu geworden: aanvaarding van de absolute vrijheid voor iedereen. Onverdraagzaam is ieder die deze regel niet aanvaardt. Alles moet kunnen en alles moet mogen, tenminste als het niet ingaat tegen wat men vandaag als menselijk ervaart en heeft aanvaard.

Erasmus-Luther
Prof. Kamphuis duikt in de geschiedenis om te laten zien dat ontwikkelingen van onze tijd wortels hebben in het verleden.

De hedendaagse opvatting van 'tolerantie' heeft diepe wortels in de geschiedenis. We hebben in de eigentijdse 'verdraagzaamheid' te doen met een definitieve doorbraak van de grond-overtuigingen van het humanisme, dat in de mens de maat van alle dingen ziet. Wij doelen nu niet op 'humanisme' als een abstract beginsel, maar op de concreet-historische beweging van het humanisme, dat in de 16e eeuw in wetenschap en cultuur machtig naar voren drong.
Die 16e eeuw was ook de eeuw van de grote reformatie!
De wegen van humanisten en van reformatoren kruisten elkaar onophoudelijk. Soms leek het alsof ze 'samen op weg' waren. Ze maakten vaak ook samen front. Want de humanisten keerden zich dikwijls samen met de reformatoren tegen de middeleeuwse, rooms-katholieke scholastiek en tegen de misbruiken in de roomse kerk, ook tegen de gezagsaanspraken van de kerkelijke hiërarchie. Er wordt terecht op gewezen, dat veel reformatoren, o.a. Melanchton, maar ook Calvijn, diepgaand zijn beïnvloed door het humanisme, dat ook grote verdiensten heeft in het openen van de bronnen van onze cultuur in Griekenland en Rome – bronnen die in de Middeleeuwen dikwijls verstopt waren geraakt. Hoeveel heeft de Nederlander Desiderius Erasmus van Rotterdam (1469-1539) niet betekend, alleen al voor de tekst van het Griekse Nieuwe Testament en de daarbij gevoegde aantekeningen! We hebben in Erasmus te doen met een grote vertegenwoordiger van het zogenaamde 'christelijke humanisme'. Hoe diep echter de bijbelse invloed ook reikte en het eigen gezicht van het zestiende-eeuwse christelijke humanisme bepaalde, er is metterdaad een fundamenteel verschil tussen reformatie en (bijbels) humanisme. Het humanisme in zijn grond-overtuiging koos vóór de menselijke autonomie en stond daarom in laatste instantie en wezenlijk tegenover de Reformatie, die de bevrijding van het leven zoekt in de gehoorzaamheid aan het Woord van God.
Het is voor ons onderwerp van werkelijk de allergrootste betekenis er goed oog voor te hebben, dat de reformatoren bij alle dankbaarheid voor de hulp van humanistische kant tegen 'Rome' geboden, heel goed wisten dat zij positie innamen, niet alleen tegenover de roomse hiërarchie, maar ook en evenzeer tegenover het humanistische ideaal van de vrije mens. De reformatoren werden er wel toe gedwongen!

Prof. Kamphuis geeft aan, dat het grote en indringende debat tussen Luther ('De knechtelijke wil') en Erasmus ('De vrije wil') in de periode 1524-1525 de grote, historische breuk betekent tussen reformatie en humanisme.

Voor ons doel, nu we over het thema van de tolerantie in de kerk schrijven, is dit debat van meer en van directer betekenis dan men misschien op het eerste gezicht zou denken. Er wordt namelijk uit duidelijk, dat de wegen van meet af óók scheiden op het punt van de zekerheid aangaande de leer die God in Zijn Woord heeft geopenbaard. Luther sprak vanuit die zekerheid – de zekerheid van een genadig God in Christus. Hij polemiseerde op stellige toon tegen Rome, dat de geloofszekerheid wegnam. Daarentegen, voor Erasmus was er maar heel weinig zeker. Hij vond de toon van Luther veel te stellig. Veel zaken hoorden z.i. binnen de grenzen van de theologische discussie. En wat onderwerp van discussie is, daarin moet men elkaar ook weten vrij te laten. Zo duikt het thema van de verdraagzaamheid op in het debat tussen deze twee groten!
Wanneer we Erasmus lezen in zijn Vrije wil van 1524, merken we dat de toon gezet en de weg bepaald wordt voor de komende tijd, zowel wat betreft die 'vrije wil' en het synergisme (de medewerking van de mens met God) inzake het heil, als wat betreft de zekerheid van het geloof èn van de belijdenis van het geloof. De scepsis, de twijfelzucht van Erasmus inzake de grote vragen van het geloof, neemt de gestalte van een vergaande verdraagzaamheid aan.
Ook Luther zet van zijn kant de toon voor de komende tijd: de rechtvaardiging door het geloof alléén, de vrije, loutere genade van God – het zijn zaken die het waard zijn assertief, stellig, besproken te worden. Luther sprak op geloofs-niveau en daarom op de wijze van de 'assertio', de stelling, die vast was gefundeerd in het klare Woord van God.

De opvattingen van Erasmus, door Luther weerlegd in o.a. de bekende regel 'Spiritus Sanctus non est Scepticus (= De Heilige Geest is geen Twijfelaar), hebben toch grote invloed gehad op de geesten in Nederland. In het gedachtengoed van de Remonstranten komen we Erasmus tegen. Met hun edict van tolerantie riepen ze op tot de vrede der kerken, wat zoveel betekende als: gereformeerden moeten inbinden en voor ons vrije denken dient ruimte te komen.

Doorbraak in humanistische tolerantie
In een 3e artikel (29 januari 1994) tenslotte geeft prof. Kamphuis aan hoe via de 18e eeuw het humanisme met zijn autonome tolerantie doorbreekt via de Verlichting. In de 19e eeuw verbindt zich daaraan het agressief atheïsme van Fr. Nietzsche.

De aanvaarding van de autonomie van de mens (verbonden met een sterk individualisme) maakt de huidige samenleving wezenlijk atheïstisch. Vooral in ethische vragen doet de autonomie zich krachtig gelden in het zogenaamde recht tot zelfbeschikking, ook over het leven zelf. Steeds wordt daarbij een beroep gedaan op de tolerantie als allesbeheersende, menselijke grondhouding, waarvoor de overheid moet waken en die zij in de samenleving ook moet opleggen.
Voor de kerk, die wil leven in gehoorzaamheid aan het Woord van de levende God, betekent dit, dat er principieel voor haar geen plaats is in deze samenleving. Zij wordt, als zij aan het Woord van God als zijn gezaghebben openbaring vasthoudt, gezien als het centrum van de intolerantie. De huidige, verabsoluteerde en autonome tolerantie zal daarom òn-verdaagzaam blijken tegenover de belijdende christenen, tegenover de kerk, die zich in alles alléén aan het Woord wil houden. De tolerantie slaat om in intolerantie! Daarmee zijn we weer terug bij het begin van de christelijke jaartelling: de situatie in het Romeinse keizerrijk. Hier heerste grote tolerantie tegenover vele godsdiensten. Maar toen de jonge christelijke kerk openlijk uitkwam voor de naam van de enige God – géén keizer-cultus! – en stelling nam tegenover volkszeden, die door het Evangelie werden veroordeeld, tóen was er voor die kerk geen tolerantie meer!

Ik denk dat wat ds. Klink ter trio-synode over het huwelijk heeft gelaakt in de Ontwerp-Kerkorde, hier zijn wortels heeft. De kerk laat zich meenemen in normloze verdraagzaamheid en geeft daarom bijbelse gegevenheden prijs.

Tolerantie en SoW
In de laatste aflevering van Woord en Dienst (28 januari 1994) valt de laatste 'Overgooier' van de afzwaaiende assessor van het Hervormde moderamen, dr. J. Hoek, te lezen. Dr. Hoek bepleit daarin: 'Bonders recht op méér ruimte'. Ook dat heeft te maken met verdraagzaamheid en dan binnen één kerkgenootschap. Het is een wat lang citaat, maar ik weet het niet goed te bekorten, vandaar.

Laat ik nog een 'hot item' mogen aanroeren. Een zaak waar ik me altijd aan geërgerd heb en waaraan ik als synode/moderamenlid graag wat aan had willen veranderen, is het gebrek aan evenredige vertegenwoordiging van de verschillende modaliteiten of richtingen in de kerk en wel in alle geledingen en op alle niveaus. De praeses van de Gereformeerde Kerken in Nederland, ds. P. Boomsma, heeft nog onlangs een sympathiek pleidooi voor evenredige vertegenwoordigen gevoerd. Het is echter in de praktijk nog niet zo eenvoudig om hieraan gestalte te geven. Ik ben er vast van overtuigd dat de verhoudingen er in de synode heel anders uit zouden zien wanneer deze vergadering werd gekozen als het parlement: elk meelevend gemeentelid één stem. Het ligt nu eenmaal zo niet, maar er mag gevraagd worden om het beleid van afvaardigen en benoemen vanuit het gezichtspunt van evenredigheid nog eens eerlijk door te meten. Of durft men dit in de over-vertegenwoordigde middengroep van de kerk niet aan uit angst voor de rechterflank? Veelal betekent de leuze 'aandacht voor de breedte van de kerk' dat er in een grote commissie één 'bonder' en als het meezit ook nog eens één lid van de Confessionele Vereniging mag zitten. Als er per ongeluk teveel leden van behoudende richting in zo'n commissie komen, slaat de onrust toe! Ik denk dat een 'ontmoetingsbeleid' alleen kans van slagen heeft, wanneer we elkaar volop de ruimte geven. Op basis van 'repressieve tolerantie' is geen echte ontmoeting mogelijk. Helaas heb ik op dit punt nog weinig ten goede zien veranderen. Verschillende keren heb ik meegemaakt dat mensen opstapten uit raden en commissies, omdat ze zich een eenling voelden tegenover een grote progressieve meerderheid. Kan deze zaak niet eens op de agenda van de synode worden gezet?

Reële vrees
Wanneer hier geen beleidsombuiging plaatsvindt, blijft men belangrijke stromingen in de kerk in het isolement dringen. Er is de laatste tijd nogal eens gesproken over de angst van de Gereformeerde Bond. Angst is een slechte raadgever, maar reële vrees dat de ondervertegenwoordiging van de orthodoxe stromingen alleen maar groter zal worden in de beoogde VPKN als er niet nu al duidelijke afspraken worden gemaakt: 'quotisatie' van het aantal hoogleraren, docenten, functionarissen, leden van synode, breed moderamen en organen van bijstand, zodat elke stroming in de kerk, inclusief de middengroep die zich niet nader wil benoemen, krijgt wat haar toekomt.

Het is wel op de valreep, maar toch… dat wou ik nog even kwijt!

Eerlijkheidshalve moet er wellicht aan worden toegevoegd, dat wij soms wat al te makkelijk weigeren bepaalde verzoeken te honoreren. Toch valt de hiergenoemde 'repressieve tolerantie' blijvend te hekelen in onze kerk. Misschien kunnen de visitatoren-generaal daar ook nog eens een brief aan wijden. Van Dale's Groot Woordenboek der Nederlandse Taal verklaart die voor u misschien lastige term als: 'schijnbare tolerantie van de gevestigde orde, die protest tegen de bestaande orde toestaat om de indruk van tolerantie te wekken, maar in feite daarmee het protest ontkracht'. Simpeler al eerder geformuleerd: Honden mogen blaffen, uiteraard, daar zijn het honden voor. Maar de karavaan gaat onverstoord verder. Blaffende honden bijten immers niet. Het zijn ook best aardige dieren. Maar ze moeten aan de riem of in hun hok.
We zijn dr. Hoek erkentelijk voor wat hij op een waardige wijze heeft mogen doen in het geheel van onze kerk in de geest van een 'bruggenbouwer'.

J. Maasland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's