Vergeten worden
Het behoort nu eenmaal bij de aard van de mens, dat hij plannen maakt. Maar hij moet daarbij bedenken, dat de Heere zijn weg bepaalt. Wie zal dat op de een of andere manier niet ondervinden? Wij hadden gedacht, dat onze loopbaan een bepaalde richting zou uitgaan. Wij hadden in stout voornemen daarbij wel eens schone toekomstdromen gemaakt. Maar – onze loopbaan liep geheel anders. Van al onze verwachtingen kwam geen enkel onderdeel terecht. Onze hoopvolle voornemens werden de bodem ingeslagen. Zie, dan komt het er nochtans op aan, op de Heere te blijven vertrouwen. Hij bestuurt onze levensweg. Dat zal ons vrede doen hebben ook met menige teleurstelling.
Het is eigenlijk maar beter de weg niet te veel te overdenken en niet teveel plannen te hebben voor de toekomst. Dat is anders wel zwaar, met name in een tijd, waarin de futurologie oppermachtig heerst. Alles, op kleine schaal wordt berekend, op grote schaal worden instituten opgericht waar men vermoedens tot waarschijnlijkheden test. Publiek opinie-onderzoek wordt gehouden om enigermate te kunnen voorspellen hoe stemmingen en verkiezingen uitvallen. Maar telkens blijkt, dat men zich grandioos vergist. Het is volstrekt niet verboden om bepaalde voornemens te hebben en zekere doeleinden zich te stellen, maar laat ze niet tezeer aan de openbaarheid komen. Bewaar ze op een vage schets in een la van een oude kast en spreek er meer met de Heere over dan met uw intiemste vrienden. Dan behoeven wij die plannen niet als illusies te zien verdwijnen, dan kost het ons geen strijd te berusten in de bestiering van God, zelfs al zijn de mensen de werktuigen, door wie onze gang bestuurd wordt. Hoezeer gelden deze opmerkingen niet, op het punt van beroepen te ontvangen!
Daar zijn soms van die gemeenten, waar wij als predikant graag zouden willen dienen en waar wij herhaaldelijk in aanmerking komen en toch komt het maar nooit tot een beroep. Veel later hoor je soms hoe dat zo gelopen is en dan kunnen wij dat de Heere dankbaar overgeven, dat wij daar niet beroepen werden. Het gebeurt daarentegen óók, dat wij ergens beroepen worden en wij hebben geen vrijmoedigheid voor het beroep te bedanken, hoe weinig het ons ook aanstaat. Wij gaan, omdat wij menen onze plicht te verzuimen, wanneer wij niet gaan en het lijkt ons, dat wij er niets kunnen uitrichten. Alles is daar even krom en scheef. Er zijn soms van die gemeenten, waar het alles alleen maar goed schijnt te zijn, als het raar en vreemd toegaat. Althans niet naar de heilige orde van de kerk. In dit opzicht bestaan er vreemde geschiedenissen…
Niet lang daarna gaan wij weer uit die gemeente weg, gevolg gevende aan een roeping, die evenzeer onafwijsbaar zich voordoet. Dan moeten wij toch niet oordelen, dat wij tevergeefs op die ongewenste standplaats zijn geweest. Wij hebben er toch iets moeten leren, al ware het alleen maar dit, dat wij in ons zelfvertrouwen wat geschokt werden. Kijk, wij verbeelden ons zo licht, dat met ons een nieuwe periode in de wereldgeschiedenis aanbreekt, dat met onze verschijning een enorme opwekking zal plaatsvinden. Van die waan moeten wij worden genezen. Daartoe kan zulk een wanordelijke gemeente dienen. Wij leren daar, dat de dingen in Gods Koninkrijk niet op ons commando gebeuren, maar dat de ware kracht tot levensvernieuwing alleen van Boven komt. Het gebeurt soms ook, dat wij een bepaalde gang van denken in een bepaalde gemeente zo verafschuwen. Wij menen dan dat het in een geheel andere gemeente nu eens recht ideaal zal toegaan. Wij zijn zo gebiologeerd door zekere scheve geestesvoorstellingen, dat wij menen, ginds bestaat dat gelukkig niet meer. Maar, och heden – wij gaan over naar die andere gemeente, maar daar leven weer andere olifanten en tijgers. Wij idealiseren menig keer zo gauw, wat bij nader toezien lang zo begeerlijk niet is. Wij ontmoeten in de ene gemeente veel bekrompenheid. Neen maar, zo verbeelden wij ons, in een andere gemeente heerst veel licht en beschaving. En zie, na een paar jaar komen wij in een modernere gemeente. Maar 't wordt dan een heilzame afkoeling voor ons. Daar leren wij dan, dat de vooringenomenheid van die verlichte gemeente vooral niet minder bedenkelijk is dan van die stijve gemeente, waarover wij ons tevoren beklaagden.
Veel teleurstelling en verdriet geeft het soms, wanneer men vergeten wordt. Anderen ontvangen mooie beroepen. Wij schijnen niet meer te bestaan. De stroom gaat aan ons voorbij. Laten wij dan wel weten, dat niet ieder beroep zo puur geestelijk wordt uitgebracht. Er spelen soms hoogst ongure elementen door het r loert dan op ons de arbeid werktuigelijk te gaan verrichten en van de preken niet het werk te maken, dat er gemaakt van moet worden. Men loopt gevaar uit te doven. Als het geluid maar gehoord wordt, schijnt het ons goed. Als de dreun maar klinkt, als de frasen maar ratelen… Zie, het gevaar komt op, wanneer men niet gelooft, dat de Heere der gemeente er Zijn gezegende bedoeling mee heeft, of wanneer men niet door de liefde van Christus gedrongen wordt, om zonder moe te worden, te blijven arbeiden. Daar is toch ook op die vergeten plaats een arbeidsveld, daar blijven toch zovelen, die nog niet voor Christus gewonnen zijn, niettegenstaande de jarenlange arbeid. Moeten wij dan echt denken, dat wij alles gewonnen hebben, wanneer wij maar eenmaal professor zijn aan de universiteit of de een of andere baan bekleden, waar wij ver van de gemeente in de lucht zweven? Wij hebben wel eens de gedachte, dat het gewone gemeenteambt niet meer in ere is. Je moet eerst overal bekend zijn, dikke boeken hebben geschreven, die niemand leest – maar dàn zou je het geluk hebben bereikt!…
Wat een grote dwaasheid! De eeuwigheid zal openbaren, dat de stille trouwe werkers allicht meer zegen hebben gesticht dan de trompetblazers der eeuw. Daar aan het alledaagse front, daar moet geworsteld worden met de gewetens, dáár moet gestreden worden in de gebeden, opdat het Evangelie vruchten moge dragen. Daar moet dan zijn een steeds nauwlettender nagaan van eigen arbeid en houding, opdat er uit verwijderd worde wat de zegen der prediking afbreuk kan doen. 't Is treurig, wanneer de gemeente de indruk ontvangt, dat de predikant haar niet meer telt, dat hij van haar weg verlangt. Dan is geen vrucht op de arbeid meer te verwachten.
Zijn er dan geen plaatsen, die uitdovende werken op de ijver? Zeker, er zijn plaatsen, waar schier alleen maar geesteloosheid heerst. Maar die dofheid kan ons dan alleen maar neerdrukken, in zoverre wij als predikant niet door de liefde van Christus gedrongen worden. Wijzelf moeten een levenwekkend element wezen. Straalt er van onze persoon warmte uit, dan zal vroeg of laat daarvan ook iets bespeurd worden op degenen, die om ons heen leven. Daar zit de kern van de zaak op vast. Zelf ons levenslicht aan het grote Licht der wereld ontstoken te hebben, dat is het geheim. Gedurig maar weer onze flauwe kracht vernieuwd te mogen zien door de Heilige Geest! Het is wel moeilijk voor lege stoelen en banken te moeten preken. Als er dan maar wordt volhard, om het beste te geven wat wij hebben, ook aan die weinigen, dan zal de uitdoving wel verre blijven. Een groot gehoor wekt op, maar een klein gehoor ook, althans in onze eigen gemeente. Wij worden door die weinigen verstaan, als wij maar zorgen, dat wij telkens iets hebben, dat de moeite loont, om verstaan te worden. Wie zelf gegrepen is door het Woord, wordt bewaard voor de eentonigheid. Hij fleurt door het Woord op en het frisse leven straalt hij uit.
Er zijn nogal wat hulpmiddelen om groen en fris te blijven. Eén van de voornaamste is om gedurig onze geest te voeden met de gedachten van de Heilige Schrift. Daarbij te verwijlen doet niet uitdrogen. Nu eens worden wij hierdoor gevoed, dan weer door wat anders getroffen. Dan zeggen wij: ons leven is te kort om het Woord uit te zeggen. Wij geven ons leven in Gods hand. Gemor houdt op en de vreugde bloeit.
A. van Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's