De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

7 minuten leestijd

Bladerend in Ex Libris – Keur uit de werken van dr. J. H. Gunning Jhz (de man van Pniël) (Uitgave Ploegsma, Zeist, 1936) troffen we de volgende aardige passages. We geven ze weer in aangepaste spelling.

• Twee redenaars
'lk heb hen beiden horen spreiden. Booth en zijn vrouw, en ben door beiden diep ontroerd geworden, maar toch het meest door
haar. Ik heb de grootste redenaars van binnen- en buitenland mogen beluisteren: Van Oosterzee, dr. Kuyper, Talma, Spurgeon, Bersier, Karl Gerok, Frank Thomas en nog vele anderen, maar boven die allen staat voor mijn gevoelen Catherine Booth. Ik kan niet precies beschrijven, wáárin het buitengewoon-boeiende harer woorden gelegen was, maar mij blijft haar toespraak onvergetelijk. Zij bracht mij van het begin tot het einde in de directe tegenwoordigheid van Jezus Christus. Zij had niets van de bruisende oratorie der beroemde mannen, die ik zopas noemde, maar van het ogenblik af dat zij haar mond opende, nam zij bezit van het hart harer hoorders en sprak hun als het ware niet van buiten, maar van binnen toe. Zij sprak maar zelden geheel voor de vuist, veelal met kleine aantekeningen vóór zich, die zij soms in de keuken of in de huiskamer, met baby op haar schoot, op onogelijke kladjes papier had volgekrabbeld. Het is innig jammer dat zij uit bescheidenheid het voorstel afwees, haar toespraken terstond te laten stenograferen en drukken: – soms waarlijk wonderschone woorden, die zouden blijken, van onvergankelijke betekenis te zijn geweest, zijn nu voor het nageslacht verloren gegaan. Haar man was in zijn spreken aan een spuitende fontein, een IJslandse geiser gelijk, grillig, onberekenbaar, vaak door geniale, ook wel eens door triviale, maar altoos pakkende anecdoten, geestigheden (wij, studenten, zouden zeggen: "door leuke moppen") de mensen boeiend – zij was rustig, logisch, maar diepontroerend. Zij bracht de zondaars niet, als haar William, tot plotselinge besluiten, luidruchtige exclamaties, maar tot een blijvende onrust over hun zielestaat, die moest eindigen met volledige overgave aan Christus. Zij was oneindig rijker aan diepe gedachten dan haar man. Zij had soms werkelijk geniale lichtflitsen op het Bijbelwoord. Bij haar trad de verschijning, hoe sympathiek ook en hoe aangrijpend ook als je alles van haar lijden afwist, toch meer op de achtergrond bij de majesteit van Gods zoekende en waarschuwende liefde, die zij naar voren bracht; bij hem ging de bekoring vooreen deel uit van zijn gehele verschijning, bij welke zijn toespraak in zekere zin als zijn uniform paste, maar die toch zelden door bijzondere verhevenheid of diepte uitblonk. Doch de man zelf in zijne profetische gestalte liet steeds een diepe beschaming bij een mens achter over zijn eigen gebrekkigheid en zijn onvolkoren toewijding aan Christus. Hier stond een mens vóór je, die geen andere passie had dan zondaars naar het kruis van Golgotha te brengen, te slepen als hij kon.
Het waren beiden machtige getuigen, die – zoals Napoleon geloof had in zijn ster en "dat stomme woord: onmogelijk" haatte ("ce bête mot: impossible") – vastelijk geloofden in Gods macht, waarvoor niets onmogelijk was. (…)'


• Over het sterven
'Het sterven is zeer zeker een hoogst ernstig gebeuren, het naderen van de "koning der verschrikking" is ontroerend in hoge mate, maar zijn bitterheid is toch voor de gelovige geweken. Die heeft zijn Heiland voor hem op het kruis gedragen en – weggedragen. Als christenen zijn wij op weg naar het leven, en de dood is daartoe (wanneer wij de wederkomst des Heeren niet mogen aanschouwen) slechts de weg, de
donkere weg somtijds, maar toch de weg, die naar het licht heenleidt.
Daarom houd ik niet van al die wonderlijkheden, die ook vrome christenen soms ten opzichte van de dood te zien geven. De heidense Egyptenaren zetten wel een doodskop, ja een gebalsemde dode aan hun maaltijd. Nu, daar waren het dan ook heidense Egyptenaren voor! Maar christenen verfoeien zulke griezeligheden, al worden ze helaas ook wel af en toe bij hen gevonden. Keizer Maximiliaan nam op al zijn reizen zijn doodskist mee. Een hertog Von Oels stichtte zowaar een "ridderorde van het doodshoofd". De vorstin Dorothea van Brunswijk droeg altijd een gouden doodsidstje op haar boezem. Vorst Wolfgang van Anholt sliep vijftien jaar lang met zijn doodskist naar zijn bed. De prediker Scriver hield elke dag van zijn leven een voorbereiding voor zijn sterven. (…)'


• Een gedicht over Zie het Lam Gods:

Gelijk een lam, dat stil ter slachtbank gaat,
Gelijk een schaap zich zwijgend scheren laat,
Zo deedt Ge uw mond niet open onder 't kwaad,
U overkomen.
God heeft U uit het oordeel weggenomen,
Toen Ge elke teug des bekers hadt gedronken,
En 't zondig volk gerechigheid geschonken
In 's Heeren oog.


• Over Schotland en de Schotten (in het begin van deze eeuw!):

'De zondag wordt in Schotland nog veel strenger als rustdag gevierd dan in Engeland. Ik vergeet nooit de indruk van heilige en weldadige kalmte, die een zondagmorgen in Edinburg op mij maakte. Alle winkels waren dicht, alle bedrijf stond stil, geen geluid werd uit fabriek of werkplaats vernomen. Als je tegen kwart voor elven talloze klokken hoort luiden, worden de straten overstroomd van lieden, die in alle richtingen kerkwaarts wandelen en die elkaar als 't ware toeroepen: "Komt, laat ons opgaan naar de voorhoven des Heeren!" Dit alles geldt ook wel ten dele van Engeland, maar niet in die mate als in Schotland. In Engeland zijn allerlei museums en plaatsen van ontspanning open, in Schotland ziet je geen sport en spel op 's Heeren dag beoefend. In Engeland zijn de herbergen een deel van de zondag geopend; in Schotland zijn zij de ganse dag gesloten, hoewel ik betwijfel of er daarom minder gedronken wordt. Integendeel, nergens zag ik zoveel dronken mannen èn vrouwen als in Edinburg, en op het platteland moet het whiskygebruik ook formidabel zijn, al is er een kentering ten goede. Het was volstrekt geen zeldzaamheid dat ook de "minister" (dominee, red.) op zijn huisbezoek geregeld een glaasje van die vurige Schotse jenever meedronk, maar in de laatste jaren is de strijd tegen drankmisbruik en drankgebruik met grote ernst aangebonden. Ondanks hun aangeboren trek naar een "glaasje" zijn de Schotten in 't algemeen matig, vlijtig en buitengewoon werkzaam. (…)
Ierland ken ik helaas nog niet door eigen aanschouwing, maar ik heb de boeken van Rev. Irwin Brown gelezen, en ook wel met leren verkeerd. 't Is misschien wel aardig eens een ogenblik de drie typen naast elkaar te plaatsen: de Ier, de Engelsman en de Schot. Ik heb eens de volgende leuke anecdote gelezen, die hen alle drie goed typeert:
Drie heren, tot de drie genoemde naties behorende, kwamen eens in een hun onbekende stad, en zagen in een winkel een bekoorlijke juffer, die aller harte sneller deed kloppen.
De Ier zeide: "Kom, laat ons een halve kroon uitgeven en dat lieve kind eens even gaan zien".
De Engelsman zei: "Yes, maar zou een shilling niet genoeg zijn?"
De Schot zei: "Wel, ik heb er niets tegen, maar 't zou even best gaan als we vroegen even een shilling tegen twee sixpences in te wisselen".
Nòg zo'n een typerend voorbeeld!
Drie reizigers komen voor de eerste maal in hun leven in Londen met de trein aan.
De trein staat nog niet stil, of de opgewonden Ier heeft al, zijn bagage en hoed vergetend, de deur van de wagon opengeworpen, en blootshoofds op het balkon stappende, roept hij uit: "Dit is dan de machtige hoofdstad… de grootste stad van de wereld… het hart van het keizerrijk!"… enz. enz. De Engelsman, als een nauwkeurige, nuchtere John Buil, doet geen uitroep en toont geen emotie, maar pakt zijn boeltje, zijn eigen en niemand anders bagage, netjes bijeen, en stapt doodbedaard, te midden van al de herrie rondom hem, de wagen uit. De Schot heeft al de bagage, kranten, dozen, kortom al wat er in de wagen nog aanwezig is, van hemzelf of van een ander, samengepakt, en gaat er mee weg.
Hier hebt gij de zuinigheid, wilt ge: inhaligheid van de Schot, de zakelijkheid van de Engelsman en de impetueuze onstuimigheid van de Ier gekenmerkt.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's