De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

7 minuten leestijd

André Lascaris, Het Soevereine Slachtoffer. Uitg. Ten Have B.V., Baarn 1993, 346 blz., ƒ 45,–.
Hoe bevrijden wij ons van geweld? Al vanaf zijn kinderjaren werd André Lascaris door deze vraag geboeid. De weerslag daarvan treffen we aan in dit boek, dat getuigt van grote belezenheid. De schrijver, een Nederlandse dominicaan, promoveerde in 1970 in Oxford en is thans verbonden aan het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving te Nijmegen. Als uitgangspunt kiest hij het 'transcendente'. Immers zonder hemel is er geen aarde (11). Toch kan het gebruik van het woord 'God' al opgevat worden als een uiting van geweld. Mannen onderdrukken de gevoelens van vrouwen, wanneer zij het transcendente opvatten als een 'hij'. Om aan dat gevaar te ontkomen, duidt de schrijver God beurtelings aan als 'hij' en 'zij' (11v.).
Onze samenleving is gebaseerd op geweld. Daarin leven wij (50-85). Dat is het tweede gegeven in dit boek. Want 'de mens is geen eiland' (John Donne) (17). Antropologisch gezien zijn wij afhankelijk van de wet van de 'mimesis' of 'mimese'. Wij bevinden ons in een 'mimetische werkelijkheid', een term die regelmatig in dit boek terugkeert. De gedachte van de 'mimese' of 'navolging' is gelanceerd door Plato. De mimetische werkelijkheid wordt beheerst door het geweld. Wat de oorsprong van het geweld betreft, tasten wij in het duister. Zij ligt volgens René Girard in het begeren (56; op blz. 263 blijkt Lascaris toch deze gedachte te willen overnemen). De escalatie en de besmettelijkheid van het geweld maken de oorzaken onzichtbaar. Het geweld schept zijn eigen geschiedenis (58). In onze tijd is iedereen ertoe geneigd, zichzelf als een slachtoffer van geweld te beschouwen. Elk gebruik van geweld dient te worden beleefd als een nederlaag (85).
In het Oude Testament ('het Eerste Testament') zoekt men in toenemende mate een uitweg uit het conflictueuze geweld in de 'vergeving' (261). Maar dat is pas het geval na de ballingschap. Voor die tijd kende men de hoop dat God aan de zonden voorbijgaat en ze niet meer 'gedenkt'. De vergeving is wel aan voorwaarden gebonden. Er moet altijd iets tegenover staan, want er moet recht worden gedaan (94). Er is alleen vrede door gerechtigheid (86-143).
Het Nieuwe Testament (het 'Tweede Testament') is geworteld in het Oude. Ook hier geldt, dat er recht zal geschieden (144v.). De historische feiten achter de lijdensverhalen zijn moeilijk te achterhalen. Ze geven theologische interpretaties. Jezus wordt uitgedreven als een zondebok. Hij is het slachtoffer, dat de waarheid, gerechtigheid en vrede vertegenwoordigt. Op het geweld dat Hem wordt aangedaan, reageert Hij niet met geweld. Zijn vertrouwen is op God gericht. Daarom is Hij geen willoos slachtoffer. Hij blijft tegenover Zijn vervolgers soeverein (163v.). Vandaar de titel van het boek. In Jezus wordt een God zichtbaar, die niet het kwaad uitroeit met geweld, maar altijd bereid is een nieuw begin te maken (144-199).
Tot de theologieën, die de mensen hebben onderdrukt, rekent Lascaris de klassieke verzoeningsleer (Anselmus; varianten: Calvijn, de contra-reformatie en K. Barth), de uniciteit van Jezus (de discussie aan het begin van onze eeuw over de 'absoluutheid van het christendom') en de voorstelling van een hiërarchische God (200-255). Zelf typeert hij het transcendente als de 'levende God'. Wij kennen Hem slechts uit de verhalen van mensen die leven in mimese met Jezus.
God verhoudt Zich tot ons op drie wijzen: 'als degene die het initiatief neemt tot ons bestaan en ons ruimte geeft; als heilbrenger, bevrijder, schenker van toekomst en nieuwe mogelijkheden; en als liefde, als degene die over de mimetische wederkerigheid van relaties heen bevrijdende en leven gevende relationaliteit mogelijk maakt, zijnde de inhoud van dit heil' (255v.). Deze relaties worden traditioneel aangeduid als de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Lascaris ziet de Geest als een vrouwelijke metafoor. 'De Geest, de relationaliteit, is het hart van God'. De drie metaforen 'Vader', 'Zoon' en 'Heilige Geest' kunnen in beginsel vervangen worden door andere, zoals 'licht', 'bron', 'wijsheid', 'adem', enzovoort (256).
Theologisch gezien bevrijdt de onvoorwaardelijke vergeving mensen geheel van geweld (263). Recht gedaan worden krijgt hier een bijzondere kwaliteit: het slachtoffer maakt zich niet meer afhankelijk van de dader of van de gestolde, onderdrukkende structuur, maar is soeverein. Nooit is een mens meer beeld en navolger van God dan wanneer hij onvoorwaardelijk vergeving aanbiedt (264). Een bepaalde methodiek is daarvoor niet te geven (266). Er zijn wel voorbeelden van. De knieval die Willy Brandt als bondskanselier in 1970 in Warschau deed, bracht een kentering in de verhouding tussen Duitsland en de overige Europese landen (269v.). In de liturgie worden Jezus en de inspiratie door Zijn Geest een model ter navolging temidden van de samenleving en de verschillende sociale systemen (274).
De eerste vraag, die al lezend bij mij opkwam, is of dit boek ooit het predikaat 'Nihil obstat' (geen bezwaar) van het RK leergezag zal verkrijgen. Want op het gevaar af beticht te worden van 'onderdrukking' en 'geweld' moet ik toch zeggen dat deze studie èn op hoofdpunten èn in details strijdig is met wat de Schriften ons leren. Om slechts één ding te noemen: de seksualisering van de Godsvoorstelling treffen we wèl aan in de religies van de goyim, maar is niet legitiem in Israël. Waar het toch gebeurt – onder invloed van de Baäldienst – roept dat de toom van God op. Maar daarmee zijn we met dit boek toch niet klaar. Het is een spiegel, die ons wordt voorgehouden. Want wie van ons durft te zeggen, dat hij of zij nooit misbruik heeft gemaakt van macht?
Diegenen onder ons die studie maken van ethische vraagstukken, doen er goed aan dit boek te raadplegen. Opnieuw blijkt, dat ethiek en dogmatiek nauw samenhangen. Maar dat niet alleen. Hier functioneert de theologie temidden van de andere wetenschappen. Eén voorbeeld: de gelijkenis tussen de chaos in natuurlijke verschijnselen en in die van de maatschappij brengt I. Prigogine ertoe, een warm pleidooi te voeren voor een hernieuwd gesprek tussen de natuurwetenschappen en de sociale wetenschappen (239-243; 258).
H. J. de Bie, Huizen

Edith Plantier en Theo Moorman (red.): 'Vol vuur voor het pastoraat', bijdrage aan de gedachtenvorming over pastoraat en supervisie, 167 blz., prijs: ƒ 32,50, uitgeverij Meinema, Zoetermeer 1992.
Ter gelegenheid van de 75e verjaardag van prof. C. H. Lindijer is hem een bundel schetsen aangeboden door wetenschappers en pastores die op de een of andere wijze in contact met Lindijer stonden of staan. Soms is dat vanwege een bij hem verricht promotie-onderzoek, dan weer is er sprake van samenwerking op het gebied van het pastoraat, bijvoorbeeld in het pastoraal centrum van de Evangelisch-Lutherse Kerk te Amsterdam. Kenmerkend voor de visie van Lindijer op pastoraat is, dat het niet alleen een taak is van een professioneel geschoold iemand, maar ook van vrijwilligers, gemeenteleden onderling. Aan deze opvatting ligt de gedachte van het algemeen priesterschap der gelovigen ten grondslag.
Na een voorwoord en een vraaggesprek met prof. Lindijer volgt een zeventiental artikelen en een lijst van boeken, geschreven door Lindijer. In de artikelen komt heel wat interessant materiaal op tafel, vanuit verschillende theologische disciplines (de ondertitel dekt het boek niet helemaal).
Zo schrijft R. Houtsma over supervisie, H. Donga over een gemeentewerk-kerkeraadsdag, J. F. Koolhaas over dromen in het pastoraat, en W. G. J. van de Sluys over pastoraat en aids. Vooral het laatste artikel van de hand van W. Zijlstra is een uitstekende diepteboring naar de zinvraag van het pastoraat.
Naar aanleiding van de afzonderlijke artikelen zouden allerlei boeiende discussies gevoerd kunnen worden. B.v. over de verhouding tussen ambt en algemeen priesterschap in het pastoraat. Echter daarvoor leent een boekbespreking als deze zich niet. De toonzetting van het geheel komt overeen met de titel van het boek, waarin Lindijers enthousiasme voor het pastoraat wordt vertolkt. Jammer dat de pen van een van de auteurs op p. 112 even te veel door emotie in plaats van door beheerst denken gedreven werd.
W. Verboom, Hierden/Harderwijk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's