Uit de Pers
Tijd, tijden, halve tijd
De geoefende bijbellezer zal in deze woorden direct enkele bijbelteksten herkennen: Daniël 7 : 25 en Openbaring 12 : 14. De tijd van de onderdrukking die het volk Gods, de christelijke gemeente zal ondergaan in deze bedeling. De uitleg van apocalyptische teksten geeft de nodige variatie te zien in exegetische werken. Waar ergens, dan speelt wel hier de geloofsovertuiging een geduchte rol mee. Ik waag me er dan ook niet aan, maar gebruik de woorden slechts naar de klank om de opstap te krijgen naar het thema dat we dit keer willen aansnijden: de tijd waarin we leven, de eeuw die met ons aan het oud worden is. Bij het naderen van een eeuwwende hebben mensen altijd de neiging gehad een soort balans op te maken. Hoe was de eeuw die ging? Wat heeft de tijd ons gebracht? Of wat zijn we door de tijden heen verloren geraakt? Dat kan variëren tot een verheerlijken van de 'goede oude tijd' of tot een bejubelen van de voortgang der tijden waarbij met een zucht de nodige ballast van vroeger wordt losgelaten. We moeten ervoor waken in een soort 'fin de siècle-stemming' te vervallen. Dat wil zeggen: en gevoelen van hopeloosheid, omdat zoveel lijkt weg te zijn en er eigenlijk niets goeds voor in de plaats gekomen is. Fin de siècle = einde der eeuw, eind-der-tijden-gevoel van een vermoeid geworden mens. Een christen kent een andere tijdsduiding. Hij kent zeker vermoeidheid, zoals Prediker die onder woorden brengt (1 : 8). Het leven maakt moe, omdat zoveel in de macht der zonde blijft. Maar hij weet ook van een uitzicht naar een wereld waarin geen tijd meer zijn zal. In Bijbel en Wetenschap (tijdschrift van de Evangelische Hogeschool) besteedt mr. H. P. Medema in twee artikelen aandacht aan de twintigste eeuw. In het decembernummer 1993 deed hij dat aan de hand van twee toekomstvisies van twee beroemde literatoren: de Engelse schrijver G. K. Chesterton en zijn The Napoleon ofNotting Hill en van de eveneens Engelstalige schrijver Georg Orwell en zijn beroemde boek '1984'. Beide schrijvers boden een boek waarin ze hun visie gaven op hoe het er aan het eind van de twintigste eeuw in de wereld uit zou zien. Het komt er in het kort op neer dat beide schrijvers er van overtuigd waren, ieder vanuit eigen visie en interpretatie, dat het er om zou gaan wie het hart van de moderne mens voor zich zou weten te winnen. In de aflevering van januari/februari 1994 zet mr. Medema zijn verhaal voort en kiest hij opnieuw twee beroemde scribenten uit. De één schreef zijn werk twaalf jaar ná het begin van deze eeuw en de ander twaalf jaar vóór het einde van deze eeuw. Allebei hebben ze het over tijd. Medema typeert als volgt: Beide geschriften zijn een blik in een gesloten wereld: het eerste is een speurtocht in de micro-wereld van het 'ik', het tweede in de macro-wereld van het heelal.
Op zoek naar de verloren tijd
Zo luidt de titel uit het Frans ('A la recherche du temps perdu') vertaald van de beroemde delen van Marcel Proust die vanaf 1913 verschenen.
Wat is er zo merkwaardig aan deze roman? Misschien wel vooral dat er geen greep op te krijgen is. In dit boek ontbreekt alles wat tot op dat moment beschouwd werd als noodzakelijk bestanddeel van een roman. Van de klassieke eenheid van plaats, tijd en handeling is al helemaal geen sprake, maar er is zelfs geen identificeerbare hoofdpersoon of verteller, er is geen 'plot', en de lezer raakt voortdurend de oriëntatie kwijt over tijd en plaats. Ondanks de duidelijke zinspelingen op tijdgenoten is dit boek ook geen sleutelroman; op ieder personage past niet één, maar passen soms wel tien sleutels, naar Proust zelf zei. Het eindresultaat is dat de lezer voortdurend in de war raakt.
Jacques Normand schreef in 1912 zijn rapport als lector voor de uitgever Fasquelle (die de uitgave van Du côté de chez Swann weigerde): 'Na 712 pagina's – en het zijn er eigenlijk veel meer door de chaotische nummering – heeft men werkelijk geen enkel idee waar het over gaat'. Alfred Humblot, directeur van uitgeverij Ollendorf, verklaarde 'niet te begrijpen dat een meneer dertig pagina's kan gebruiken om te beschrijven hoe hij zich om en om draait in zijn bed alvorens de slaap te vatten'.
Maar het is ook precies de bedoeling van de auteur dat de lezer in de war raakt, en dat hij daardoor als vanzelf gaat zoeken – niet naar de verloren tijd, maar naar 'zijn diepere ik', Ie moi profond, dat volgens Proust moest worden onderscheiden van le moi social, het 'ik' dat in het maatschappelijke leven zichtbaar wordt. Beroemd is de belevenis van het eten van een madeleine, een koekje dat in de thee gedoopt wordt, een ervaring die de verteller overspoelt met allerlei herinneringen die hem naar zijn 'ik' voeren. Prousts verteltrant is vol van dergelijke ervaringen.
Zoektocht naar binnen
Wij worden aldus ertoe aangezet de verteller te vergezellen in een zoektocht naar het 'ik', een verschijnsel dat de westerse cultuur voordien niet gekend had. Vanaf de middeleeuwse Koning-Arthur-literatuur was het motief van de zoektochten ('queesten') bekend, maar daarin zocht de hoofdpersoon altijd naar iets buiten zichzelf, bijvoorbeeld naar de Graal, iets kostbaars waarin het geheim van de godheid of het geheim van het leven vervat was: Nu, op de drempel van de twintigste eeuw, gaat de mens op zoek naar zichzèlf, en dat is nieuw. De opkomst van de psychologie – of Proust iets van Freud had gelezen, schijnt onduidelijk te zijn, maar hij was ongetwijfeld bekend met het werk van de psycholoog en filosomt niet zo maar op een toevallig ogenblik. De mens van de twintigste eeuw is niet alleen God kwijt, maar ook zichzelf, en hij tracht, dolende door de tijd, zichzelf te hervinden. In Le Temps retrouvé zegt Proust dat hij door zijn boek 'de lezer in staat stelt zichzelf te lezen'.
Bij Proust zoekt de mens, aldus mr. Medema, naar het duurzame van het leven, naar de verbindende factor. Is dat er eigenlijk wel? Is er wel één geldende visie op mens en wereld of beleeft ieder dat weer anders? Je zou misschien kunnen zeggen: ieder maakt dat eigenlijk zelf uit. Een zoektocht die nooit tot het echte vinden leidt.
Een korte geschiedenis van de tijd
Dat is de letterlijke vertaling van een beroemd geworden geschrift van de Engelse fysicus Stephen Hawking, in het Nederlands verschenen onder titel 'Het heelal'.
Professor Hawking is een van de beroemdste fysici van dit moment en wordt beschouwd als voortzetter van het werk van Einstein. Hij verwierf grote vermaardheid door het ontwerpen (samen met Roger Penrose) van een model voor black holes, zwarte gaten in het heelal. Door een ziekte van de motorische zenuwcellen, ALS (amyotrofe laterale sclerose), ook wel de ziekte van Charcot genoemd, is hij al bijna dertig jaar veroordeeld tot volstrekte invaliditeit.
'Een theorie van alles'
In dit boek geeft Hawking een beschrijving van de huidige stand van de natuurwetenschap vanuit het gezichtspunt van enerzijds de relativiteitstheorie en anderzijds de quantium-mechanica, en hij denkt hardop na over een 'geünificeerde theorie' die nog niet bestaat, maar die beide zou moeten verbinden. Maar daaraan koppelt hij indringende vragen over het bestaan van God: 'Waarom doet het heelal eigenlijk al die moeite om te bestaan? Is de geünificeerde theorie zo dwingend dat ze haar eigen bestaan teweegbrengt? Of heeft ze een schepper nodig, en zo ja, heeft deze dan nog andere gevolgen voor het heelal? En wie schiep de schepper?' (p. 209)
Hawking schetst dan een model van een heelal dat volkomen op zichzelf staat, een helaal dat zo 'in elkaar zit' dat begrippen als begin en einde geen rol meer spelen, en bij deze schets maakt hij gebruik van zijn eigen bevindingen op het gebied van zwarte gaten.
Volgens de oude modellen van het heelal bleef (zo schrijft Hawking) 'God nog steeds de aangewezen persoon om het uurwerk op te winden en te kiezen hoe het begon. Zolang het heelal een begin had, konden we denken dat het ook een schepper had'. Vervolgens stelt hij de vraag: 'Wanneer het heelal daarentegen werkelijk volkomen op zichzelf staat, zonder begrenzing of rand, heeft het begin noch einde: dan is het er gewoon. Welke plaats er dan nog over voor een schepper?; (p. 174)
Marcel Proust ging op zoek naar de verloren tijd. Stephen Hawkings houdt nog slechts fysische tijd over. Er klopt geen levend hart in de tijd. Er zit geen plan achter. Er is geen doel waarheen de tijden gaan.
Gevangene van de tijd
Medema probeert in enkele woorden de visies van Proust en Hawking samen te vatten, als hij schrijft:
Bij Proust reist de verteller, zonder gezicht, zonder naam, zonder precieze leeftijd, heen en weer door de tijd. De relativiteitstheorie van Einstein wordt hier, zoals Dezon-Jones treffend zegt, in de beschrijving van de menselijke psyche toegepast. Wij weten nooit precies waar we ons bevinden, want plaats en tijd zijn slechts onderling afhankelijke functies van het menselijke ik.
Onder de bekwame leiding van Hawking reizen wij eveneens heen en weer door de tijd. Het lijkt een veelbelovende reis, met weidse uitzichten. Opnieuw een citaat: 'Zodra we een volledige theorie ontdekken, zal deze na verloop van tijd voor iedereen begrijpelijk zijn, niet alleen voor een handjevol geleerden. Dan kunnen allen, filsofen, geleerden en gewone mensen, deelnemen aan de discussie over de vraag waarom wij en het heelal bestaan. Wanneer we het antwoord op die vraag kennen, is dat de bekroning van het menselijk verstand – want dan kennen we de geest van God' (p. 210). Laten we niet te snel zeggen dat dit een hoogmoedige pretentie is van hemelbestormers die de troon van God willen innemen. Want de God wiens geest wij dan kennen, bestáát volgens Hawking helemaal niet. Het is niet mogelijk de grenzen van het heelal te overstijgen, want het heelal heeft helemaal geen grenzen, rust niet in iets of Iemand anders, maar in zichzelf.
Proust zegt dat er niets is wat de mens transcendeert en Hawking stelt dat er niets is wat het heelal transcendeert. Met andere woorden: we zijn op onszelf aangewezen in onze eigen kleine wereld en we zijn in het grote heelal eveneens op onszelf aangewezen. Er is niet Iemand die wij God noemen. Er is Niemand. Alleen ik ben er, samen met anderen die ook niemand anders hebben dan alleen zichzelf.
Hier, in deze beide boeken, vinden wij de mens van de twintigste eeuw ten voeten uit: hij heeft om zich heen en in zichzelf geschouwd, en onderkend dat hij opgesloten zit in een gevangenis, in de psychologische tijd (Proust) en in de fysische tijd (Hawking). Twaalf jaar na het begin en twaalf jaar voor bet eind van deze eeuw worden wij rondgeleid in een schijnbaar eindeloos universum, waarin wij echter principieel even opgesloten zitten als een gedetineerde die in de binnenplaats van de gevangenis gelucht wordt. De moderne mens heeft , heeft geen zicht meer op iets dat zijn ervaringswereld transcendeert. Hij kent niet meer de verbijstering ten aanzien van de eindeloze verten van het heelal en de diepten van het menselijke hart, die Fascial voerden tot een ootmoedig geloof in God. Hij dwaalt rond in de gevangenis van zijn eigen universum. Een enkeling (zoals Hawking) vindt het leven in die gesloten ruimte wel om uit te houden. Miljoenen anderen stellen zich, soms vertwijfeld, de diepste zinvragen met grotere aandrang dan ooit. Maar de echte bevrijding uit deze gevangenis vindt een mens pas als zijn ogen worden geopend voor het Goddelijke licht.
Intussen gaat die mens wel zijn ongekende gang door de tijd. Technisch is hij tot aangrijpend veel in staat. Waar liggen er nog grenzen vandaag? In 'De Wekker' van 7 januari 1994 besteedt prof. dr. W. van 't Spijker daar aandacht aan in zijn altijd lezenswaardige column 'Marginaal?'.
Eindpunt op eindtijd
De wereld kan nauwelijks van verbazing bekomen. Een moeder van 59 met een tweeling. Een moeder van 61 in verwachting uitziend naar de voorspoedige geboorte van een kleintje. Een negervrouw, die een blank kind ter wereld brengt. Een kleurling die een dito kind bestelt. Een lesbienne die kiest voor het medisch circuit omdat dit in een tijd van aids de veiligste weg lijkt en de beste bescherming biedt voor de anonimiteit van een zaaddonor. Er gaat geen week voorbij of er is wel iets dergelijks aan de hand. De particuliere klinieken leveren straks op bestelling: bruine ogen linker kamer, blauwe ogen en bond haar rechter deur. Vaders niet nodig. Alles is kunstmatig geworden. Het leven lijkt wel een grote prothese. In deze kunstmatige wereld groeien onze kinderen op. Hoe kunnen ze echt blijven? Een oude psalm zegt: ik ben hier beneden een vreemdeling. Maar hoe kun je een vreemdeling worden in wereld waarin alles en waarin iedereen vreemd gaat? Het natuurlijke is eerst. Daarna het geestelijke, zegt de apostel. Dat zal op z'n minst toch wel betekenen dat men nimmer aan het geestelijke zal toekomen, als we niet eerst weer gewoon hebben leren denken, op een vanzelfsprekende natuurlijke manier. En een negerin met een wit kind is niet natuurlijk, een moeder van tegen de zeventig straks nog minder. De hele wereld wacht op gewone dingen.
Hoort het bij de eindtijd?
Het laatste bijbelboek zegt dat het beest tekenen zal doen die de hele wereld tot verbazing brengen. Alles aan dit beest is onnatuurlijk. Maar het doet wonderen, en door de wonderen gaat er een verleidende macht van uit. Er wordt een beeld gemaakt. En dit beeld wordt een sprekend, bezield teken van menselijke macht, onder invloed van niemand minder dan de draak. In die wereld staat de kerk en groeien haar kinderen op. Het natuurlijke is door het draconische weggenomen. Plaats voor het geestelijke is er niet meer. Waaraan zouden onze kinderen meer behoefte hebben dan aan een natuurlijke bescherming van het gezin, waar het geestelijke kan gedijen?
Een natuurlijke bescherming van ouders, die van geestelijke waarden en normen werkelijk verstand hebben. De kerk dreigt haar plaats te verliezen ten opzichte van zichzelf vooral, omdat hier, op dit punt de verwereldlijking is ingetreden. Geruisloos. Ook dat behoort bij de eindtijd, die niet alleen een versneld proces oplevert van gelijkschakeling, maar vooral een bijna onherkenbare verleiding over de gemeente brengt.
Helaas zoeken velen het in die uiterlijkheden, hetzij conservatief, hetzij progressief, die ons de ogen doen sluiten voor wat innerlijk waarheid is, echtheid, waarachtigheid, dat is ook een zekere vorm van natuurlijkheid en ongekunsteldheid. De Geest werkt ook dat. Hij is de Schepper-Geest van de natuur en het natuurlijke.
Geest of beest? Wie het winnen zal, weten we, al beseffen we de toenemende invloed van het beest. Het Koninkrijk Gods echter is gekomen en zal komen. Dat Koninkrijk staat als 'een marge rondom de geschiedenis' (A. A. van Ruler). In het historisch verloop der dingen komt de opstandigheid van de mens tegen de heerschappij van God tot openbaring. Maar God is niet weg te poetsen uit Zijn wereld en ons leven. De tijd houdt daarom niet op met een knal. Ons leven mondt niet uit in het niets. 'En hij zwoer bij Dien, Die leeft in alle eeuwigheid, Die de hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is en de aarde en hetgeen daarin is en de zee en hetgeen daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn' (Openbaring 10 : 6).
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's