Geloofsafval begint bij twijfel aan de Openbaring
De voortschrijdende onkerkelijkheid
Dezer dagen is het honderd jaar geleden, dat in Schiedam ds. François Haver-Schmidt, bekend als de dichter Piet Paaltjens, zich het leven benam. Een reeks boeken is verschenen ter zijner nagedachtenis en een reeks herdenkingen staat op stapel. Over 'François HaverSchmidt en Schiedam' verscheen een boeiend boek van de hand van drs. H. Noordegraaf. In dat boek gaat het niet over de dichter maar helemaal over de dominee. Welnu, HaverSchmidt was wat men in die tijd noemde een 'moderne' dominee. Hij behoorde tot de moderne richting, een stroming – zegt Noordegraaf wat relativerend – die sterker was in wat men niet wilde (geloven) dan in wat men wèl geloofde. Op de paasmorgen van 1855 kwam in Schiedam, zo meldt dit boek, ds. L. Bonman tot schrik van de gemeente op de kansel vertellen, dat Christus niet lichamelijk was opgestaan.
Bij de modernen was 'Jezus mensenliefde' en 'christendom boven geloofsverdeeldheid' leidraad voor hun denken. Alles wat met wonderen te maken had, sneuvelde voor de rechtbank van het menselijke verstand. De inconsequentie was, dat de meeste modernen in de kerk bleven. Dat was ook het verwijt van hen, die wèl de consequenties trokken uit de 'nieuwe inzichten' en toga en bef aan de kapstok hingen, zoals de predikanten Conrad Busken Huet en Allard Pierson. Vele modernen bléven. Het betekende een strijd op 'leven en dood' met de orthodoxen, die de modernen 'godloochening' verweten, terwijl de modernen vaak met verachting neerkeken op de 'minder ontwikkelden, die vast bleven houden aan een verouderde geloofsopvatting en hun verstand uitschakelden om te kunnen geloven.'
Verwoestend
Intussen deed het modemisme wel zijn kerkverwoestende werk. In de vorige eeuw was er nog geen Sociaal en Cultureel Planbureau, dat, zoals vandaag, ook onderzoek doet naar de secularisatie in Nederland. Cijfers van toen zeggen wèl, dat negentig procent van Nederland christelijk was (gedoopte natie). Wat zegt dat cijfer echter, als we zien wat binnen het modernisme nog ècht geloofd werd? De grote afval was in feite toen al ingetreden. De kerk werd vergruizeld door kern-ongeloof en dientengevolge door binnenkerkelijke twisten enerzijds en door afsplinteringen anderzijds. De grote twijfel, die door de modernen uit de school van de Leidse universiteit (J. H. Scholten, A. Kuenen en C. P. Tiele) werd gezaaid, heeft enorm ontbindend gewerkt. Christelijk Nederland heeft toen goeddeels gemeend de zaak veilig te kunnen stellen door het zoeken van beschutte orthodoxe onderkomens, waar de modernen geen toegang hadden. In de windstilte van een kerkelijk afgegrendelde orthodoxie zou het bijbels-christelijke leven zich wel voortzetten. Vandaag weten we beter. Ook nazaten van de negentiende-eeuwse orthodoxie zijn in onze dagen gekomen tot een algemeen betwijfeld christelijk geloof. De afval is doorgegaan, onstuitbaar zelfs.
Cijfers
Regelmatig verschijnen nu in onze tijd publikaties inzake verrichte onderzoeken over de voortschrijdende onkerkelijkheid. Enkele jaren geleden werden we opgeschrikt toen openbaar kwam, dat de grens van vijftig procent gepasseerd was. Minder dan vijftig procent van ons volk rekende zich nog tot een kerk. En nu is er dan wéér een onderzoek naar de secularisatie in Nederland, gepubliceerd door het Sociaal en Cultureel Planbureau. De gegevens zijn hiernaast kort samengevat.
De herhaling, met steeds kortere tussenpozen, van zulk soort onderzoeken betekent – vooral wanneer de dagbladen het als voorpaginanieuws brengen – dat telkens schrikreacties ontstaan. De verontrustende cijfers hebben een zekere aanjaagfunctie met betrekking tot kerkelijk doemdenken. De meerderheid van de bevolking is immers onkerkelijk en het kerkbezoek daalt nog steeds en over twintig jaar – weten de onderzoekers – zal nog maar vijfentwintig procent van ons volk kerkelijk zijn. De enquêtes worden overigens altijd opgezet vanuit het gezichtspunt van de secularisatie op kerk en geloof en niet vanuit kerk en geloof op de secularisatie, alsof secularisatie ook niet een eigen ontwikkeling kan hebben.
Zijn de ontwikkelingen dan niet aangrijpend? Zeer! Maar wat zeggen de cijfers eigenlijk? Was het in de vorige eeuw echt rooskleuriger met betrekking tot geloven in Nederland? Tienduizenden hebben sindsdien in de loop der jaren nog een band met de kerk bewaard, terwijl ze innerlijk al afgehaakt hadden. Tienduizenden in de gemeenten kregen in de loop der jaren ook geen vaste grond meer onder de voeten. De vraag van de slang in het paradijs 'Is het ook dat God gezegd heeft?' is in de vorige eeuw krachtig theologisch geponeerd en kerkelijk op vele plaatsen doorvertaald, met het gevolg, dat mensen zelf niet meer wisten wat ze nog geloven kònden en dan vervolgens ook nog echt gelóófden.
En dat proces herhaalt zich steeds. De cijfers laten nu zien, dat in de Hervormde Kerk een stabilisering heeft plaatsgevonden. Het percentage kerkgangers ligt daar al sinds 1950 op hetzelfde niveau, zeggen de cijfers. Het percentage, wel te verstaan! Dat is bij de afkalving op zich een schrale troost. Sinds de zestiger jaren vindt de grote uittocht ook plaats uit de rooms-katholieke kerk. En de derde kerk in grootte, de gereformeerde kerken, heeft zich gevoegd in de rij. In 1950 ging daar bijna negentig procent elke zondag naar de kerk, nu minder dan de helft en in 2020 zal dat minder zijn dan éénderde. Ook daar is het intussen allemaal begonnen met de grote theologische twijfel aan datgene wat ons is geopenbaard ('De theologen gingen voorop', A. M. Lindeboom).
De geschiedenis van de vorige eeuw zet zich door en herhaalt zich, telkens weer in andere vormen. 'Moderne mensen' kunnen niet meer alles aanvaarden, heet het dan. Ze kunnen niet meer aannemen wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard. Het is strijdig met hun verstand. Dat was in de vorige eeuw al zo. Dat is vandaag niet minder zo. Als zodanig is de moderne twijfel van vandaag zelfs hopeloos ouderwets. In iedere tijd voelen mensen zich op eigen wijze modem. 'Vroeger', zegt men vandaag, kon men nog wel geloven. Vandaag lukt dat niet meer. Maar dat zei men in de vorige eeuw dus ook al. En met verachting werd neergezien op het volk, dat nog meent, dat de Bijbel een betrouwbaar Boek is. Intussen grijpen 'moderne' mensen zelf echter ook altijd weer naar geloofsbronnen van eigen makelij.
Benadering
Beter nu dan terecht te komen in een neerwaartse spiraal van doemdenken, is het elkaar op te roepen te volharden in het geloof, ons in de Schriften al eeuwenlang geopenbaard en ons door het voorgeslacht, in geloof overgeleverd en beproefd gebleken. Dat geloof leeft ('nochtans') ook vandaag.
Wat we wel te leren hebben van de geschiedenis is, dat geen enkele kerkelijke kring, hoe gereformeerd men zich ook noemt, gevrijwaard is voor de grote afval. Het begint dan altijd met twijfelvragen inzake de Openbaring, vervolgens wordt toegegeven aan de twijfel en tenslotte wordt de twijfel gevoed. Het slot van het liedje is de kerkverlating. Als bezegeling van de grote twijfel.
De grote afval is zeker aangrijpend, maar voor een deel niet méér dan de bezegeling van een proces van jaren. Maar minstens zo aangrijpend is de mogelijkheid, dat daar, waar nu nog het Woord Gods als Openbaring wordt aanvaard en waar geleefd wordt uit de kracht der belofte, óók de vertwijfeling wordt gezaaid en vervolgens toeslaat. Dat kan gebeuren wanneer men, om toch helemaal bij-de-tijd te zijn en voor vol te worden aangezien bij de spraakmakende karavaan, juist ook aansluiting zoekt bij die groeperingen in de samenleving, waar de twijfel al lang 'werkt' en desastreus uitwerkt.
Men kan met de cijfers in de hand intussen ook het net aan de verkeerde zijde uitwerpen. Dat is het gevaar bij de christelijke organisaties. Van de cijfers, die gepubliceerd worden omtrent neergang van kerk en geloof, gaat immers een bedreigende werking uit in de richting van organisaties, die de C in de naam hebben en het dus moeten hebben van mensen, die zich op die C willen richten. Daar nu, waar de C vervaagd is (CDA, NCRV, het Christelijk onderwijs in het algemeen) wordt, bij publikaties als de onderhavige, direct gereageerd met de vraag hoe men de ledentallen voor zichzelf veilig stelt. Dat gebeurde ook nu weer. Het mag dan zorgwekkend heten, dat men nog al eens spreekt vanuit het optimistisch perspectief, dat in toenemende mate niet-christenen zich tot de organisatie bekennen. Alsof dit het paard vóór de wagen spannen zou zijn. Wat zíén niet-christenen er in? Het is toch het paard àchter de wagen, wanneer de niet-christenen zich namelijk wel bij de christelijke verbanden thuis voelen, omdat die niet meer zó christelijk zijn! Betekent dat in feite niet, dat de feiten van de neergaande cijfers doorslaggevend worden, zodat twijfel met twijfel wordt versterkt en gevoed? De neergaande spiraal zal er alleen door worden versterkt.
Antwoord?
Hebben 'we' intussen een afdoend antwoord op de neergang? Moet dat dan? De Deense dominee Kaj Munk zei herhaaldelijk al in een vroeg stadium, oog in oog met de ontkerstening, dat we nieuwe mensen nodig hebben. Mensen die het nog geloven. We hebben door de Geest bezielde christenen nodig. Mensen, die geloven in het 'zo spreekt de Heere' en niet: het kan zó, het kan ook anders. Mensen, die niet genoeg hebben aan een christelijke organisatie, waarin ze zich in het slechtste geval ook zelf kunnen ontplooien, maar mensen, die, ook bij onstentenis van welke christelijke organisaties dan ook, overtuigd zijn van de rijkdom van het Evangelie van Jezus Christus voor mensen vandaag en die ervan overtuigd zijn, dat alles, persoonlijk, kerkelijk en maatschappelijk, verloren is wanneer de mens aan dat Evangelie ontzinkt. We hebben dominees nodig, die weet hebben van het kermen om eigen afval, schuld en verlegenheid en die weten van verbazing omtrent verlossing en geborgenheid.
We hebben mensen nodig, die dat ook in de samenleving uitstralen, terwijl mensen thuis voor hen bidden.
We 'hèbben' de antwoorden op de secularisatie niet. De vraag is wèl welke houding we aannemen.
We zullen naar mijn overtuiging moeten afleggen elke vorm van defaitisme.
We zullen ook moeten afleggen elke vorm van machtsdenken.
We zullen moeten leren vrij te worden van gevoelens van miskend te worden.
We zullen erin geoefend moeten worden geen innerlijk genoegen te nemen met naamchristendom – vroom of verwaterd – met de ingekankerde houding van 'we geloven wel, maar we geloven het verder wel'.
We zullen vooral moeten afleren om tevreden te zijn met wat 'wij' nog hebben: bij ons is het zó ver nog niet(?)!
We zullen innerlijk vertrouwd moeten raken met een ontwikkeling, waarin van christenen in toenemende mate – eenvoudigwèg en eenvoudig – getuigenis wordt gevraagd van dingen, die volkomen zekerheid hebben, zonder dat daarbij op enig begrip kan worden gererkend. Dat vraagt om niets minder dan een innerlijke omschakeling, een innerlijke loutering zelfs, van meerderheidsdenken àf naar minderheidsdenken tóé. In navolging van de Gekruisigde.
Wat ons vandaag overkomt is niet vreemd in de geschiedenis, het is in het geheel van de wereld ook vandaag niet vreemd, het is zelfs in de Schrift niet vreemd. Eerder is het uitzonderlijk wanneer christenen in een land in de meerderheid zijn. Het christelijk getuigenis hangt echter niet aan meerderheid of minderheid maar aan de kracht der waarheid, ons geopenbaard in het Woord, en vlees en bloed geworden in Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane.
Niet schreeuwen
We worden geroepen achter de Gekruisigde aan te komen. Van de Knecht des Heeren zegt Jesaja, dat Hij niet zal schreeuwen en Zijn stem niet zal verheffen, dat Hij Zijn stem op de straten niet zal laten horen (Jes. 42 : 2). De komst van Christus, zegt Calvijn, zou niet gepaard gaan met praal en pracht, 'opdat (…) ons geloof – ook al veracht men Zijn nederigheid – toch niet zal verkwijnen'.
En dan zegt Calvijn:
'Hij maakt geen lawaai (reclame) voor Zichzelf. Nietwaar, wij zeggen dan meestal 'il ne fait pas grand bruit' (hij heeft niet veel drukte over zich). En inderdaad, Christus heeft Zich niet bij het volk aangeprezen. Vaak vermeed Hij het zelfs om in het openbaar wonderen te doen, zulks om iedereen te doen verstaan, dat Zijn heerschappij en macht of gezag totaal verschilt van die, welke koningen en vorsten zich toeëigenen om door zelf luid te schreeuwen maar de gunst van de massa te krijgen (Matth. 8 : 4; 9 : 30; 12 : 16; Mark. 5 : 43; Luc. 8 : 56).'
Toen Jezus de schare om Zich heen had en zei waartoe Hij in feite gekomen was, bleven alleen de zijnen over. 'Wilt gij ook niet weg gaan?', vroeg Hij. Tot Wie? vroegen ze. Zij bléven. In die tijd was er nog geen Sociaal en Cultureel Plan Bureau. Het zou er somber hebben uitgezien. Christus heeft nochthans Zijn stem niet verheven op de straten. Maar Hij kreeg wereldwijd mensen mee.
Daarom is het de geëigende gestalte voor christenen vandaag om niet schreeuwerig te doen, zich niet van de wijs laten brengen door telkens herhaalde prognoses inzake ontkerkelijking, maar op de toon te blijven, die Christus Zelf voor eens en voor goed heeft aangeslagen: Vreest niet, gij klein kuddeke! En: wie niet vóór is, is tégen.
God geve dat er vóór het jaar 2020 dan nog eens aanleiding is om enquêtes te houden over de crisis van de secularisatie. Een boodschap van twijfel mag intussen niet op zegen rekenen.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's