De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

9 minuten leestijd

In een prachtig boekje 'Vroomheid en opwekking in de zeventiende en achttiende eeuw' (teksten uit de wereld van puritanisme en piëtisme en methodisme; uitgave Meinema, Zoetermeer) troffen we de volgende ontboezemingen van Richard Baxter (1615-1691), één van de meest toonaangevende Engelse puriteinen uit de 17e eeuw ('terugziende op zijn geestelijke ontwikkeling'):

'Vroeger wist ik veel minder dan nu, en toch was ik niet half zo veel bekend met mijn onwetendheid als ik nu ben. Ik had een groot genoegen in de ontdekkingen die ik dagelijks deed en in het licht dat op mij inscheen (als een man die komt in een land waar hij nooit tevoren was). Maar ik wist nog maar weinig hoe onvolmaakt ik die dingen verstond waarvan de ontdekking mij zozeer verheugde, en evenmin hoeveel daar tegenin gebracht kon worden, en ten aanzien van hoeveel dingen ik nog een vreemdeling was. Maar nu ervaar ik veel groter duisternis over alle dingen, en merk ik hoe weinig het is dat wij weten in vergelijking met dat waarvan wij onwetend zijn.
ik zie nu meer goed en meer kwaad in alle mensen dan ik vroeger zag. Ik zie dat goede mensen niet zo goed zijn als ik eens dacht dat zij waren, maar dat zij meer onvolmaaktheden hebben. (…) En ik zie dat weinigen zo slecht zijn als hun kwaadwillige vijanden, of belijders die hard zijn in het oordelen en zich van de anderen afscheiden, zich indenken. Bij sommigen inderdaad ervaar ik dat de menselijke natuur zo bedorven is, dat er grotere overeenkomst is met duivelen dan ik eens dacht dat iemand op deze aarde ooit zo geweest was. Maar zelfs in de bozen is er gewoonlijk meer openheid voor genade waar men zijn voordeel mee kan doen, en meer dat getuigen kan voor God en heiligheid dan ik eens geloofde ooit aanwezig te zijn geweest.
Mijn ziei is meer aangedaan door het denken aan de ellendige wereld, en meer gericht op het verlangen naar haar bekering dan vroeger. In mijn gebeden placht ik maar weinig verder te kijken dan Engeland, daar ik geen aandacht gaf aan de toestand van de rest van de wereld, behalve als ik bad voor de bekering van de joden, dat was bijna alles. Maar nu ik beter de toestand van de wereld versta, en de methode van het Gebed des Heren, is er niets in de wereld dat mij zo zwaar op het hart ligt als de gedachte aan de ellendige volken van de aarde. Voor mij is het meest verbazingwekkende deel van heel Gods voorzienigheid, dat Hij zo, tot nu toe, bijna heel de wereld verzaakt, en zijn speciale gunst tot zo weinigen beperkt. (…) Toch ben ik niet zo zeer geneigd om een onvoorwaardelijk oordeel van verdoemenis uit te spreken over allen die nooit van Christus gehoord hebben; daar ik meer reden heb dan ik vroeger wist, te bedenken dat Gods handelen met zulke mensen voor ons zeer onbekend is, en dat de goddelozen hier onder ons. Christenen, in een veel erger staat verkeren dan zij.
Ik ben meer bedroefd over de onenigheden tussen Christenen dan toen ik een jonger Christen was. Uitgezonderd de zaak van de ongelovige wereld is voor mijn denken niets zo droevig en pijnlijk als de zaak van de verdeelde kerken. Daarom ook ben ik mij dieper bewust van de zondigheid van die prelaten en zieleherders, die de voornaamste oorzaak van deze verdeeldheden zijn. O, hoeveel miljoenen zielen worden door hen in onwetendheid en goddeloosheid gehouden, en misleid door partijvorming alsof dat ware religie zou zijn. Hoe wordt de bekering van ongelovigen door hen gehinderd, en Christus en religie op snode wijze onteerd. De twisten tussen de Griekse en Roomse kerk, de papisten en de protestanten, de lutheranen en de calvinisten, hebben het koninkrijk van Christus jammerlijk gehinderd.
Verder dan ooit ben ik er vandaan grote dingen te verwachten van eenheid, glans of welvaart voor de kerk op aarde, of dat heiligen zouden dromen van een koninkrijk van deze wereld, of zich zouden vleien met de hoop op een gouden tijdperk, of te heersen over de goddelozen (tot er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn, waarin gerechtigheid woont). Integendeel, ik vrees eerder dat lijden het meest gewone lot van de kerken moet zijn, en dat christenen inderdaad zelfverloochenende kruisdragers moeten zijn. (…) Christenen moeten Christus navolgen en met Hem lijden, voor zij met Hem heersen: en zijn koninkrijk was niet van deze wereld.
Ik leg niet zo grote nadruk op de uitwendige wijzen en vormen van eredienst als jonge belijders doen. (…) Ik kan niet zo eng zijn in mijn principes van kerkelijke gemeenschap als velen zijn, die zo sterk voor een vaste liturgie zijn, of zo sterk ertegen, zo sterk voor ceremoniën of zo sterk ertegen dat zij geen gemeenschap kunnen houden met een kerk die niet van hun inzicht of hun weg is.'


Uit de 'Statistische Nieuwsbrief Nederlandse Hervormde Kerk 1992', vastgesteld december 1993, het volgende overzicht van de 'ontwikkelingen 1992' in de Hervormde Kerk:

[Zie: tabel]


Dit jaar is het honderd jaar geleden dat ds. François HaverSchmidt te Schiedam overleed (suïcide). Hij behoorde tot de zogeheten 'moderne richting' oftewel de vrijzinnige stroming. Er verscheen een aansprekend boek van drs. H. Noordegraaf 'HaverSchmidt en Schiedam' (uitgave Fonds Historische Publikaties, Schiedam). Daaruit rijst ook heel duidelijk het beeld op van de 'modernen', die de meest elementaire geloofswaarheden met voeten traden. Dat een moderne dominee intussen niet altijd op sympathie kon rekenen leert ons de volgende passage uit de herdenkingspreek van HaverSchmidt op 2 juli 1884 bij zijn 25-jarig ambtsjubileum:

• 'En zo ben ik dan nu, na vijfentwintig jaar aangeland (…) – waar! Ja – wéér? Wie het zo van bulten af beziet, zou wel eens geneigd kunnen zijn van te menen, in een hoekje, waar ik tamelijk wel verdrongen zit, waar ik, ronduit gesproken arm noch been verroeren kan, en waar ik, o ja, volkomen vrijheid heb, maar de vrijheid om langzaam, en zeker, dood te gaan. Naast mij geen enkel ambtgenoot, die enige waarde hecht aan hetgeen ik de mensen te zeggen heb. Een kerkeraad, die, telkens als ik optreed, stilzwijgend de gemeente toeroept: doe als wij en blijf weg. Om mij heen een kring van collega's, waaronder mij slechts één (de oudste) (Asma, H.N.) overbleef, om samen onze nood aan elkaar te brengen. In het midden van een classis met 50 predikanten, waarbinnen het moeite zou hebben vijf bij elkander te brengen (ik zocht ze tevergeefs) die zouden zeggen: ik ga met u, in uw gevoelens, mee. Verder onder een bevolking, waarvan de ene helft nauwgezet katholiek is, zodat het dus al wel is, als mijn groet van die zijde beantwoord wordt. En de andere helft: och, hoevelen ervan, als zij hun bijbel opslaan, wier oog wel in de eerste plaats schijnt te vallen, alsof het van mij en mijns gelijken geschreven stond, opeen: "scheidt u af" en "raakt niet aan", want "wat deel heeft de gelovige met de ongelovige?" En dan hoevelen, die de bijbel lang voor goed hebben dichtgeslagen, indien zij er ooit een blik in wierpen… "O mijn gemeente, o gij burgers van Schiedam, o gij mensen om mij heen – want ik roep u allen tot getuigen – ik heb niet aan een kerkelijke gemeente alleen willen toebehoren. Ik heb een burger willen zijn met en voor u allen, naar de gave mij geschonken nuttig en tot vreugde van iedereen, met mij wonende in dezelfde stad: het was mijn eerzucht een mens te zijn, niets meer en niets minder voor elk die mens was, onverschillig van welk geloof en van welke stand, rijk en arm, oud en jong, in vreugde of in lijden: als ik iets voor u doen en zijn kon, dan heb ik dat gewenst, gepoogd – gedaan, al heeft het zeker nog al veel te wensen overgelaten."
Zijn ideaal was, zo zei hij in dezelfde preek, een "christendom boven geloofsverdeeldheid, van waarachtige burgerzin, van mensenliefde".


"In zijn preek gehouden ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig ambtsjubileum in Schiedam op 4 augustus 1889 komen we dezelfde gedachten tegen: zijn openstaan voor contacten met andersdenkenden, het waarderen van het goede in hen en het zoeken naar punten van overeenkomst. Scherp nam hij stelling tegen de confessionelen en hun pretentie dat zij de ware leer hadden. Zij konden hun streven doorzetten met behulp van het algemeen kiesrecht, waarbij een menigte van onmondigen door enkele behendigen gedreven werd. Haverschmidt sloot niet uit dat de toestand nog droeviger zou worden":
'Wij weren niet wat nog komen kan. Misschien gaat het Genootschap waartoe wij behoren, het zich "Hervormd" noemende, een nog droeviger tijd tegemoet, een tijd waarin voor zulken als wij (die noch van Dordt noch van Utrecht of van enige andere school, die zelfs van geen apostel of evangelist, die alleen van Jezus' beginselen, van de blijde boodschap der mensenliefde weten willen) geen ruimte langer binnen haar wanden overschiet.'


• In september 1865 had HaverSchmidt (als dichter Piet Paaltjens) al een gedicht gemaakt ('Snikken en Grimlachjes') over het keurslijf van de predikant, onder de titel 'Dat heertje…':

Dat heertje met zijn witte das
Was eertijds een minnezanger:
Doch sinds het die witte das om heeft,
Minnedicht het niet langer.

Nu preekt het en doet huisbezoek.
En voor de variatie,
Houdt het 's winters, driemaal in de week,
Lidmatencatechisatie.

Ik bezweer u, mijn allerliefste vriendin'
Den draak hier niet mee te steken:
Er zit wezenlijk zoo iets aandoenlijks in.
Dat een hart er wel van mogt breken.


• En zijn catechisaties? Kort na nieuwjaar schreef hij aan een vriend:

'Ik ben stomp gecatechiseerd. Ik heb de jongens trachten te beduiden waarom Cyrus de Joden naar hun land liet trekken. Het wou hun maar niet klaar worden. Hoe meer ik het hun uitlei, des te slaperiger werden ze. Ik deed een beroep op hun geweten. Toen begon er één te snorken! Soms denk ik wel eens: had Cyrus de Joden maar gehouden, dan waren wij met ere van hen af geweest. Maar ik beken, straks komt mijn betere natuur weer boven. Dan vraag ik: waar zou mijn collega X dan over hebben moeten preken? Heb ik hem niet op een oudejaarsavond over Sanherib horen uitweiden? Arme Sanherib? Als hij dat eens had kunnen voorzien? Verbeeld u, dat ze over 3000 jaar op oudejaarsavond de mensen in slaap wiegen met een der generaals van de Atjeh-oorlog of met de genoemde predikant zelf!'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's