De vrijheid van onderwijs… Een onbedreigd bezit? (2)
Een belangrijke doelstelling van het onderwijsemancipatiebeleid is het wegnemen van de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het onderwijsmanagement. Het kabinet acht het daartoe wenselijk een wettelijke maatregel te treffen teneinde schoolbesturen te stimuleren tot actief handelen met betrekking tot de positie van vrouwen in leidinggevende functies in het onderwijs.
De kern van de door de minister beoogde wet is dat, ingeval van ondervertegenwoordiging van vrouwen in de directie van een school, wordt voorgeschreven dat de schoolbesturen ten minste éénmaal in de 2 jaar een document inzake positieve actie dienen vast te stellen. Daardoor worden de besturen van scholen verplicht een beleid inzake het bevorderen van de deelname van vrouwen in leidinggevende onderwijsfuncties te voeren. In bedoeld document dient – met het oog op de bevordering van een evenredige arbeidsparticipatie van vrouwen en mannen in het schoolmanagement – de wijze waarop dat beleid gevoerd wordt, omschreven te worden. Daartoe dienen in dat document in ieder geval streefcijfers, inclusief een tijdpad waarlangs deze streefcijfers worden bereikt, opgenomen te worden. Voorts dient hierin te worden aangegeven welke activiteiten door het schoolbestuur ten aanzien van de vergroting van het aantal vrouwen in leidinggevende onderwijsfuncties zijn/worden ontplooid. Bedoeld document dient tenslotte een overzicht te bevatten van de beoogde/bereikte resultaten van het in gang te zetten/gezette beleid inzake positieve actie. Naar mijn opvatting overschrijdt de wetgever zijn bevoegdheid, nu uit het wetsvoorstel blijkt, dat hij in de inhoud van het positieve actiebeleid zelf treedt.
De vrijheid van benoeming van het onderwijs is een wezenlijk bestanddeel van de in de Grondwet verankerde vrijheid. Derhalve kunnen schoolbesturen naar mijn oordeel niet worden gedwongen om (meer) vrouwelijke schoolleiders te benoemen.
De Onderwijsraad heeft zeer onlangs geconcludeerd dat de principiële bedenkingen die vanuit de kring van het reformatorisch onderwijs tegen een dergelijke dwang zijn geuit, terecht zijn en dat het wetsvoorstel in strijd komt met de grondwettelijk gegarandeerde benoemingsvrijheid.
Voorts merk ik op dat het m.i. verwerpelijk is dat de rijksoverheid bij haar zorg voor het onderwijs de ideologie van de emancipatiebeweging afdwingt.
Leerlingenstatuut
Op 19 februari 1993 is een wet in werking getreden die het bestuur van een school voor voortgezet onderwijs verplicht elke twee jaar in een reglement, leerlingenstatuut genaamd, de rechten en plichten van de leerlingen vast te stellen. Hierin dienen in elk geval voorschriften opgenomen te worden die strekken tot handhaving van de goede gang van zaken binnen de school, de regeling van geschillen, de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de bescherming van gegevens uit de persoonlijke levenssfeer en de wijze waarop het bevoegd gezag zorg draagt voor de bewaking van de kwaliteit van het onderwijs.
Volgens de Onderwijsraad is het opleggen van deze verplichting aan de besturen van scholen voor voortgezet onderwijs strijdig met artikel 23 van de Grondwet, waarin de onderwijsvrijheid is gewaarborgd. Schoolbesturen zijn m.i. mans genoeg ook zonder wettelijke regeling aan de rechten en plichten van leerlingen aandacht te besteden. Daarom moet bovendien geconcludeerd worden dat hier sprake is van een overbodige regeling.
Medezeggenschap in het onderwijs
Onlangs is de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in werking getreden onder gelijktijdige intrekking van de Wet medezeggenschap onderwijs van 1981.
In deze nieuwe wet is vastgelegd t.a.v. welke zgn. bijzondere bevoegdheden de medezeggenschapsraad of een geleding daarvan instemmingsrecht of adviesrecht heeft. In de kring van het reformatorisch onderwijs wordt deze regeling omtrent de bijzondere medezeggenschapsbevoegdheden als een inperking van de vrijheid van (in)richting van het onderwijs gezien. De positie van de leerlingen in de medezeggenschapsraad is versterkt in die zin dat in de raad van scholen voor voortgezet onderwijs leerlingen zitting moeten hebben. Als geleding nemen zij in deze raad een gelijkwaardige positie in t.o.v. personeel en ouders en hebben zij advies- en instemmingsbevoegdheden. Deze gelijkwaardige positionering van leerlingen t.o.v. ouders en personeel in de medezeggenschapsraad wordt in het reformatorisch onderwijs in flagrante strijd met de Bijbelse visie omtrent gezag en gezagsaanvaarding geacht. Overigens bevat deze wet de bepaling dat de minister ontheffing kan verlenen van het instellen van zo'n raad op gronden die verband houden met de godsdienstige overtuiging die aan de school ten grondslag ligt. Een zodanig verzoek moet ondersteund worden door ten minste 2/3 deel van het personeel en 2/3 deel van de ouders (en 2/3 deel van de leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs).
Het medebetrekken van leerlingen in een medezeggenschapsraad en bij een verzoek om ontheffing wordt in het reformatorisch onderwijs zowel om principiële als om pedagogische redenen volstrekt onaanvaardbaar geacht.
Tijdelijke Wet Arbeidsbemiddeling Onderwijs
De vrijheid van benoeming van leerkrachten in het bijzonder onderwijs staat anno 1993 volop onder druk. Op 1 januari 1993 is nl. de Tijdelijke Wet Arbeidsbemiddeling Onderwijs (TWAO) in werking getreden. Aanleiding voor deze wet is het terugdringen van het aantal wachtgelders en het toeroepen van een halt aan de gestegen wachtgelduitkeringen. Deze wet verplicht schoolbesturen elke vacature te melden bij het arbeidsbureau. Vervolgens gaat het arbeidsbureau bemiddelen bij de vervulling van de vacature door te bezien of er wachtgelders beschikbaar zijn. Ook deze wet voorziet in de mogelijkheid van ontheffing voor schoolbesturen die een door het arbeidsbureau voorgedragen kandidaat niet wensen te benoemen gelet op de identiteit van de school. Wordt door het schoolbestuur deze wet niet strikt nageleefd, dan vindt een forse korting plaats op de rijksvergoeding, nl. ƒ 65.000,- per jaar. In het reformatorisch onderwijs zijn helaas veel vacatures en vrijwel geen wachtgelders. De minister heeft het reformatorisch onderwijs – gelet hierop – toestemming gegeven om met de diverse arbeidsbureaus afspraken te maken over praktische oplossingen voor dit bijzondere probleem.
De vrijheid van het bijzonder onderwijs blijkt met name uit de vrijheid tot het voeren van een identiteitsgericht beleid inzake de aanstelling van leerkrachten. De genoemde TWAO acht men in het reformatorisch onderwijs – en beslist niet alleen in die kring – strijdig met de grondwettelijke vrijheid van onderwijs, waarvan de vrijheid tot benoeming van leerkrachten een wezenlijk onderdeel is.
De Algemene Wet Gelijke Behandeling
Over deze door de Tweede Kamer aanvaarde wet is al veel gezegd en geschreven. Ook 'de Waarheidsvriend' heeft eerder een aantal bijdragen gewijd aan deze wet die doordrenkt is van de revolutionaire vrijheid- en gelijkheidsideologie en bedreigend is voor het christelijk onderwijs. In onze huidige samenleving roept men luide op om tolerant te zijn jegens minderheden. Men wordt echter intolerant tegenover schoolbesturen die zich in hun beleid geroepen weten zich te stellen onder het volstrekte gezag van de Heilige Schrift.
Mr. G. Holdijk zal opnieuw een artikel over deze bijzonder gevoelige materie voor dit periodiek verzorgen. Ter voorkoming van doublures en gelet op de mij toegemeten plaatsruimte volsta ik door hem bij te vallen in hetgeen hij in 'de Waarheidsvriend' van januari 1991 stelde dat men met Groen van Prinsterer niet anders dan kan concluderen dat de zgn. neutrale democratische staat op zijn tijd dictatoriale, onverdraagzame trekken aanneemt.
Onderwijs en de Europese integratie
Het zgn. Verdrag van Maastricht heeft een hoofdstuk 'Onderwijs, beroepsopleiding en jeugd' aan het Verdrag van de Europese Gemeenschap (EG-verdrag) toegevoegd. Hierdoor is een uitdrukkelijke bevoegdheid aan de Europese Gemeenschap toegekend om op het terrein van het onderwijs regels vast te stellen en een samenhangend beleid te voeren.
Deze verdragsbepalingen bevatten belangrijke waarborgen, t.w. 'volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de Lid-staten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel en van hun culturele en taalkundige verscheidenheid'. Bij de Onderwijsraad is de vraag gerezen of de vrijheid van richting wel volledig door de garanties van deze bepalingen wordt gewaarborgd. Het tot ontwikkeling brengen van de Europese dimensie van het onderwijs kan – zo oordeelt de Onderwijsraad – mede betrekking hebben op de inhoud van het onderwijs.
Zelfs de oud-onderwijsminister Deetman benadrukte onlangs dat te dezen aanzien gewaakt moet worden voor argeloosheid. Omdat ons bestel van openbaar en bijzonder onderwijs elders niet voorkomt, kan z.i. al snel in Brussel aan de specifieke kenmerken worden voorbijgegaan. Alertheid vanuit Nederland kan volgens hem nuttig zijn.
Geconcludeerd moet dan ook worden dat het beslist niet uitgesloten is dat de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van onderwijs door deze EG-maatregelen op de tocht komt te staan.
Ik ga er zonder meer vanuit dat elke lezer de vraag of de vrijheid van onderwijs als gevolg van overheidsmaatregelen een onbedreigd bezit is, ontkennend zal beantwoorden.
Ook zijn helaas bedreigingen van binnenuit te constateren. De invloeden van de zich door secularisatie en verzakelijking kenmerkende samenleving gaan ook het reformatorisch onderwijs niet voorbij. Hierop ga ik in dit artikel niet verder in, omdat dit facet niet in de vraagstelling van de redactie lag besloten.
Hoewel de vrijheid van onderwijs door onderscheidene overheidsmaatregelen bedreigd wordt, mag de bewaking van die vrijheid niet alleen hierin bestaan dat men op scherp staat jegens elke bemoeienis van de overheid. Dit bewaken dient niet minder betrekking te hebben op het daadwerkelijk functioneren van de grondslag, vooral als men pretendeert dat de gereformeerde belijdenisgeschriften geen monumenten uit het verleden zijn, maar grote betekenis hebben in het heden – ook ten aanzien van het onderwijs.
De aanduiding 'reformatorisch' dient verstaan te worden als een blijvende opdracht, ook in die zin, dat de kern van de identiteit van de reformatorische school – ondanks de vele onderwijsvernieuwingen en de vèrstrekkende overheidsbemoeienis – geheel overeenstemt met de opvatting van Calvijn waarmee hij zijn Institutie aanvangt:
'Nagenoeg de ganse hoofdinhoud van onze wijsheid, die verdient voor de ware en hechte wijsheid gehouden te worden, bestaat uit twee delen, de kennis van God en de kennis van onszelf'.
J. J. Verhage, Ridderkerk
(algemeen secretaris van de VGS)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's