De omgang met de belijdenissen
In verband met de thans gevoerde discussies over de nieuwe kerkorde ontvingen we van dr. M. A. Smalbrugge, predikant van de in de Hervormde Kerk geïntegreerde Waalse gemeente te Delft, een artikel, waarin hij met de Gereformeerde Bond in gesprek wil zijn over 'de omgang met de belijdenis'.In dit artikel reageert hij ook op ds. R. van Kooten te Soest. Bijgaand plaatsen we het artikel van dr. Smalbrugge.Volgende week volgt een reactie van ds. Van Kooten.Red.
Het is al bijna weer een jaar geleden, dat wij in de kerk werden opgeroepen deel te nemen aan het gesprek over de ecclesiologische uitgangspunten van een evt. SoW-kerk. En dat ons op het hart werd gedrukt daarbij vooral naar de ander te luisteren. Te horen naar wat hem werkelijk beweegt. Intussen – medio december – is er wellicht wel hier en daar gesproken, maar de afstand tussen degenen die het SoW-proces in hun hart hebben gesloten en degenen die hun hart hebben verpand aan de belijdenis (ik weet het, de tegenstelling is onjuist) lijkt alleen maar groter. Er ligt intussen een adres van 19 predikanten op tafel, die ons te kennen geven op deze wijze niet mee te kunnen gaan in een herenigde kerk. Hoe je het ook wendt of keert, de spanning lijkt toe te nemen, de standpunten verharden. Daarom vraag ik, gewoon gemeentepredikant, voor één keer toegang tot uw kolommen om eens samen over die belijdenissen van gedachten te wisselen. In mijn hoek van de kerk, de Waalse Gemeenten, kennen we een sterke binding aan de NGB, die per slot door de eerste Waalse predikant werd geschreven, en aan de Catechismus van Genève, welks hoeder de Waalse Gemeenten een beetje zijn, omdat hij omwille van onze gemeenten aan de confessies is toegevoegd. Maar een goed deel van uw omgang met de belijdenissen ontgaat ons. En dat niet om redenen van taal en cultuur, maar om theologische redenen. Vandaar dat ik in uw kolommen het gesprek zoek, in een poging te verstaan en verstaan te worden. Want zoveel moet duidelijk zijn, onze omgang, openbaar en verborgen, met de Schriften en de belijdenissen zullen bepalend zijn voor het gezicht van een evt. SoW-kerk.
Hoor ik u goed en lees ik te goeder trouw de Waarheidsvriend, dan zijn de bezwaren snel samengevat. Een hotel-kerk wordt het, pluriformiteit zal daar de toon aangeven en artikel I van de concept-kerkorde (over het belijden) zal fungeren als excuusartikel, zoals de beroemde excuus-bonder in commissies en benoemingen. Want eigenlijk zijn die belijdenissen voor de vorm opgenomen. Zoiets als de oude stoel, die je van opa erft. Je doet hem niet weg, maar je zit er ook niet meer op. Of, als je het op het niveau van de beleving vertaalt, men doet maar alsof er onder ons geen dingen meer zijn 'die onder ons volkomen zekerheid hebben'. Het lijkt me dat we op dat niveau, dat van de beleving, met elkaar moeten spreken om elkaar enigszins te verstaan. En dus moeten we bezien hoe de Confessies beleefd en verstaan worden.
Confessies en de Heilige Geest
Dat laatste is nog geen simpele zaak. De Reformatie heeft afscheid genomen van het idee, dat er leringen zijn, die overal, te allen tijde en door iedereen geloofd moeten worden. In die zin was er sprake van een afscheid van het dogma. De reden daarvan lag voor de hand. Er is geen leer, die aanspraak kan maken op de kwalificatie 'waar' zonder dat de Geest dat bevestigt en bewerkt. En niemand kan bijvoorbeeld aanspraak maken op die Geest. Geen instelling, dus ook niet de kerk, en geen persoon, dus ook niet de ambtsdrager.
Zelfs de Schrift ontkomt in Reformatorische optiek niet aan dat zegel van de Geest. Immers, zo zegt de NGB, art. IV, de Schrift is ongetwijfeld gezagvol – d.w.z. is waar en betrouwbaar – maar als de Geest ons dat niet betuigt, blijft het een lege waarheid. Volgens de latere Reformatie gaat het om een waarheid welker heil je je nog moet toeëigenen; theologisch gesproken gaat het over het primaat van de Drieëenheid. Het is een gezag, zo zegt dit artikel, dat niet tot stand komt door de rol van de kerk. Nu is die koppeling van Schrift en Kerk een gebruikelijke vanaf de eerste tijden van het Christendom (immers, zowel Christus als de Schrift zijn gestalten van het Woord), maar de polemiek met de Rooms-Katholieke opvatting komt in dit artikel wel heel duidelijk naar voren. De kerk kan zich geen bemiddelende rol aanmatigen in de ontmoeting van de mens met het Woord Gods. Zo er al sprake is van een 'bemiddeling' (eigenlijk 'betuiging'), dan is die van de Geest afkomstig.
Wat is dan de rol van de kerk? Dat zij ziet en onderwijst, dat zij weliswaar het lichaam van Christus is, maar dat dat geen waarheid is, die wij in ons bezit hebben, maar die ons door de Geest wordt betuigd. Zij verkondigt en (be-)dient de gave der genade, maar bemiddelt die niet, want niet zij (de kerk) is heilsnoodzakelijk, maar het Woord. Om het in technische termen te zeggen: binnen de Reformatie zal de kerkleer altijd onder spanning staan van de leer over de Geest. De leer over het lichaam van Christus is dus nooit louter christologisch. Datzelfde schema zie je dan ook weer terugkeren in de avondmaalsleer. Er is niet 'zomaar' sprake van het lichaam van Christus; dat kan pas als de Geest vaardig is geworden over de gaven. Zie je af van die rol van de Geest, dan kom je terecht in een opvatting, waarin de kerk qualitate qua het lichaam van Christus is en tussen het gezag van de kerk en het gezag van de Schrift geen onderscheid meer kan worden gemaakt. Beide liggen in elkaars verlengde. Je komt dan terecht in de vicieuze cirkel van Schrift-Traditie-Kerkgezag. In de Rooms-Katholieke kerk heet die trits Schrift-Traditie-magisterium (het volmachtelijke leerambt van de Kerk). Tegen die cirkelredenering richt Calvijn zich op gepassioneerde wijze in de Institutie (IV, VIII).
Welnu, als ik het goed beluister, tref ik eenzelfde rechte lijn aan bij u tussen Schrift-Belijdenissen-Leertucht als in de Rooms-Katholieke kerk. Maar wat voor de Schrift geldt – de behoefte aan het getuigenis van de Heilige Geest – zal natuurlijk in sterkere mate ook gelden voor de confessies. Anders doen wij alsof de Kerk in haar leer (in de vorm van de confessies) automatisch beschikt over dat wat 'volkomen zekerheid onder ons heeft'. Alsof de schat van het geloof veeleer in handen van de kerk dan in die van de Geest zou liggen. Alsof de kerk en de belijdenissen de 'middelares aller genaden' zou zijn. Dat is niet zo en bij de omgang met de confessies moetje er voor waken niet te suggereren, dat het gezag van de Schrift en het gezag van de confessies één en dezelfde zaak is. Dat is terugvallen in een katholieke opvatting over de Traditie en het is het hart halen uit de confessies. Of om het anders te zeggen, in een reformatorische opvatting komt bemiddeling van het heil uitsluitend toe aan God en niet aan de mens. Dus tussen God en mens is bemiddeld door Christus en tussen zijn Woord en de mens wordt 'bemiddeld' door de Geest en niet door de confessies. Wat wij ervaren, zijn breuken, waarin wordt bemiddeld door Christus en de Geest. De breuk met God leer je pas zien in het kader van de Drieëenheid en bemiddeling in die breuk is dus volkomen Gods zaak, niet de onze.
De ware kerk
Heel fraai zien we dat terug in het artikel van de Nederlandse Geloofs Belijdenis over de ware Kerk (29). Het is bekende stof; als kenmerken van de ware kerk worden daar drie criteria opgevoerd: reine predikatie van het Evangelie, reine bediening der sacramenten en kerkelijke tucht. Alle drie elementen, die staan of vallen met de aanwezigheid van de Geest; zo niet, dan is er sprake van letterknechterij.
Wat de eerste twee betreft, richten wij ons altijd in gebed tot de Geest alvorens te kunnen preken of sacramenten te kunnen bedienen, wat betreft de laatste is het goed ons te herinneren, dat Calvijn, sprekend over de tucht in zijn behandeling van de ware kerk, begint met een citaat uit Augustinus, waarin deze de tucht omschrijft als het omzien naar 'de eenheid des Geestes in de band des vredes' (Inst. IV, 1, 16). En wat is het kenmerk van de valse kerk? Dat zij aan eigen ordinantiën meer macht en autoriteit toeschrijft dan aan het Woord Gods. Dat zij dus meent de waarheid in pacht te hebben buiten de Geest om. Kortom, zowel in de leer over de Schrift, als die over de Kerk zijn wij gehouden het geheim van de Drieënige God te verkondigen en ons verre te houden van enige gelijkschakeling met Christus. Christus wordt ons gepredikt, wij hebben deel aan Zijn lichaam, maar zijn Woord is van een andere orde dan het onze. Wij zijn slechts geroepen zijn Woord present te stellen.
De Gereformeerde Bond en de confessies
Om mijn vermoedens te resumeren. Op dit moment lijkt de GB in de ban van een hoogst katholieke opvatting van de rol van de confessies en die gezindheid lijkt mij haaks te staan op de eigenlijke inzet van de Reformatie. De confessies fungeren op dit moment als koppelwerkwoord tussen Schrift en Kerk, zij zijn het 'bewijs' dat wij in onze kerk met Christus' lichaam te maken hebben, zonder dat duidelijk wordt waar op hun beurt de confessies de macht aan ontlenen om koppelwerkwoord te zijn. Immers, het koppelwerkwoord kòppelt, zonder aan het onderwerp (Schrift) en het naamwoord (Kerk) zijn vermógen tot koppelen te ontlenen. In technische termen: het christologisch model overheerst verregaand de ecclesiologie en de confessies hebben in dit model als rol onze afhankelijkheid van de Geest te minimaliseren. Op grond van die confessies kunnen wij (de GB, red.) zeggen, dat deze kerk, in dit land en met deze geschiedenis, Gods eigen verbond vertegenwoordigt. Welnu, binnen een dergelijke opvatting over de rol van de confessies is het ons niet meer goed mogelijk nog onderscheid te maken tussen het gezag van de Schrift, het gezag van de Traditie (de confessies), en het gezag van de Kerk (de tucht). En toch klemt dat onderscheid zeer. Immers, juist reformatorische theologie is gehouden aan te geven in welke mate het gezag van de Schrift uniek, onvergelijkbaar en enig is; dat wil zeggen: waarom wij spreken over 'alleen de Schrift' (SOLA scriptura).
Maar als je dat verschil tussen Schrift, Traditie en Kerk zou kunnen aangeven, houd je dan nog wel een werkelijke rol over voor de confessies? Is elke nadruk op de Geest niet tegelijkertijd een vrijbrief voor subjectivisme en pluriformiteit? De vraag klemt, maar laat ik eerst, alvorens nader op de vraag in te gaan, mijn stelling toelichten aan de hand van een paar kanttekeningen bij de Persoonlijke Impressie over de 'Nieuwe Kerk' van collega R. van Kooten (Waarheidsvriend 762-64).
1. Collega Van Kooten begint met de behandeling van de sacramenten en constateert, in de conceptformulering voor een eventuele nieuwe Kerkorde, bij de Heilige Doop een tendens tot subjectivisme. Ik ben wel een beetje gevoelig voor zijn opmerkingen, maar de conclusie 'subjectivisme' is een schoolvoorbeeld van 'jumping to conclusions' (toewerken naar conclusies). Zolang de Heilige Doop bediend wordt, staat het individu bepaaldelijk niet op gelijke voet met Degene in wiens Naam wordt bediend. Het is niet als Napoleon, die zichzelf de kroon op het hoofd zette!
2. De volgorde Doop-Belijdenis-Avondmaal is verbroken, de Geloofsbelijdenis is niet meer het uitgangspunt voor de toelating tot de maaltijd des Heeren. Aldus het volgende bezwaar. Neen, maar wel is vereist het belijden van Jezus Christus en wellicht is dat juister geformuleerd. Collega Van Kooten weet ook heel best, dat de Geloofsbelijdenis niet zozeer een handeling onzerzijds is (waar dan nota bene het Heilig Avondmaal van afhankelijk zou zijn), maar de Doop des Geestes, komend na de Doop met water. Met andere woorden, dat ook de geloofsbelijdenis gave van God is en niet onze gave des geloofs aan de Heere. Helaas is dat besef veelal verloren gegaan en doen wij alsof de geloofsbelijdenis, met zijn juridische karakter van lidmaatschap en alle bijbehorende rechten, het wezenlijke is bij de toelating. Alsof wij, na onderricht te zijn, alsnog iets hebben aan te bieden aan de Heer der Kerk. Maar wat hebt gij dat gij niet hebt ontvangen?!
3. En dan het derde bezwaar. Weliswaar is er formeel sprake van een belijdende Kerk, maar dat is gezichtsbedrog, want de bij elkaar gevoegde confessies vertonen geen eenheid onderling. Ik hoor in dat bezwaar, dat die confessies niet kunnen fungeren als Formulieren van Eenheid en dat er tweeërlei of velerlei waarheid zou zijn toegestaan. Ook dat is iets wat mij bevreemdt. De formulieren drukken bij ons uit, dat wij daarin de eenheid van de kerk ervaren, niet dat zij zelf onderling zonder tegenspraak of spanning zouden zijn. Het bekendste voorbeeld is de avondmaalsleer en dan met name de werkelijke en waarachtige aanwezigheid van Christus in de tekenen van brood en wijn. De Heidelberger keert zich tegen iedere letterlijke opvatting van de instellingswoorden 'dit is mijn lichaam' en zegt, dat het brood niet het eigenlijke lichaam van Christus wordt (Zondag 29). De NGB daarentegen leert, dat wij ons niet vergissen, als wij zeggen te eten van het eigen en natuurlijk lichaam van Christus (art. 35). Ik weet, de avondmaalsleer van Calvijn is complex, maar laten we dan ook niet te snel heen lopen over het feit, dat onze confessies in sommige opzichten pluriformiteit, veelvormigheid vertonen.
Maar, zo zal wellicht de tegenwerping zijn, de werkelijke spanning zit in de predestinatieleer. Daar gaan de wegen echt uit elkaar tussen Gereformeerd en Luthers. Dat klopt en hoeft niet schokkend te zijn, tenzij wij ook dit onderdeel van de leer weer te dicht tegen de leer over de kerk aanleggen. Met andere woorden, als we de suggestie wekken, dat de uitverkorenen slechts gezocht kunnen worden onder de lidmaten der kerk. Maar juist het vijfde hoofdstuk van de Leerregels legt alle nadruk (art. 10) op het feit, dat wij van uitverkorenheid geen zekerheid kunnen hebben buiten de Geest om. Een Geest die aan het Woord is gebonden, maar dat Woord is niet louter aan onze kerk gebonden. Juist de grondleggervan de genadeleer, Augustinus, heeft altijd volgehouden, dat die Geest het middel is van de predestinatie; Hij bemiddelt. Laat je die overtuiging vallen, dan zul je predestinatie en kerkleer met elkaar vereenzelvigen en uiteindelijk terecht komen in de valkuil van het pelagianisme: wij zijn de perfecti, de uitverkorenen, de kerk. Neen, een goede interpretatie van de predestinatie zal het altijd moeten hebben van de Geest, juist om de valkuil van het pelagianisme en de vereenzelviging met de ecclesiologie (leer der kerk) te voorkomen.
Pluriformiteit
We komen toe aan de laatste vraag: is er dan toch sprake van pluriformiteit, tot in de confessies toe? Moet dan alles maar kunnen, zodra je belijdt, dat de Geest waait waarheen hij wil? Is er toch sprake van meerdere 'waarheden'? Kan ieder maar zo'n beetje uitzoeken in de schat der Kerk? De vraag is gecompliceerd. Zoals ik boven heb betoogd, is het de inzet van de Reformatie om van God te getuigen in zijn Drieënige gestalte en is dat de diepste reden van het feit, dat de Reformatoren de rooms-katholieke opvatting van de Traditie en haar leergezag afwezen. Zij misten in die toenmalige kerk de Heilige Geest, zij misten trouw aan het Woord en zij misten de verbinding tussen beide. Uit de zorg om dit alles zijn onze confessies geboren en het gaat dus niet aan deze in hun tegendeel te doen verkeren; wij volgen dan een heilloze weg, leidend tot pelagianisme en zelfverheerlijking. Wat dan? Is er dan alleen maar sprake van een impasse: ofwel de keuze voor uniformiteit (eenvormigheid), die noodzakelijkerwijs het uitgangspunt van de Reformatie ontrouw wordt, ofwel, tróúw aan dat uitgangspunt van de Reformatie en dan geen verweer meer hebben tegen subjectivisme en pluriformiteit? Daar lijkt het wellicht op, en toch…
Als Calvijn begint met zijn Institutie, dan verhaalt hij in het eerste hoofdstuk over het verband tussen zelfkennis en kennis van God. Dat deed hij in navolging van Augustinus, die reeds had uitgeroepen niets meer te willen kennen dan God en de ziel. Tastenderwijs zegt Calvijn dan over het verband tussen die beide soorten kennis, dat de kennis, die een mens van zichzelf verwerft, er toe dient hem te doen 'reikhalzen' naar God. 'Aspireren' staat er eigenlijk en daar zit het woordje 'geest' in. Bevangen door die Geest zullen we dan ontdekken, dat wij slechts in de ene God bestaan. De functie van de zelfkennis is dus toeleidend, verheffend en ontdekkend. Let wel, dat alles bij de gratie van de Geest.
Welnu, die verhouding kan voorbeeldig zijn voor de verhouding tussen de confessies en de Schrift. Binnen een kerk fungeren de confessies als de zelfkennis van een kerk: dit is wat zij voor waar houdt. Omtrent wie? In eerste instantie omtrent zichzelf: in onze kerk wordt beleden dat… Maar die 'belijdenissen' dienen om toe te leiden naar het Woord zelf. Om ons daartoe te verheffen. Pas als dat geschied is, dan kan het zijn, dat de confessies niet meer blijken te belijden omtrent de kerk, maar omtrent het Woord. Maar dat is dan dankzij de Heilige Geest. Of om het in termen van de theologie te zeggen: de waarheid is enkelvoudig, één en ongedeeld. Maar de kennis, waarmee wij haar benaderen, is altijd meervoudig, omdat de verhouding met de waarheid een gebrokene is. Slechts na vereniging met de waarheid kan zij enkelvoudig worden, wáár zijn. Maar dat is pas achteraf. Als wij daarentegen die orde omkeren en menen dat de confessies in eerste instantie over het Woord gaan en pas in tweede instantie over de kerk, dan is het met ons gebeurd. Dan zijn wij teruggekeerd in een traditie, waarin het Woord altijd het woord van de kerk is. Dan is het verschil met de Rooms-Katholieke kerk slechts een verschil van kerkinrichting, een conflict over bisschoppen en pausen. Maar de eigenlijke ontwikkeling van 4 eeuwen reformatorische theologie is dan voor niets geweest. Wat dan definitief heeft gewonnen – en dat geldt met name voor het gereformeerd protestantisme – is de verschuiving, zoals wij die hebben gezien sinds de Nadere Reformatie, namelijk van genade naar begenadigde, van Waarheid naar belijder, van Schrift naar kerk.
De problemen, waarmee onze moederkerk (Calvijn, Inst. IV, I, 4) te maken heeft, zijn problemen, die ons in het hart raken. Niet alleen wordt ons gevraagd op de bres te staan, maar ook om duidelijk te zijn over de theologische uitgangspunten, die wij hanteren in de omgang met de confessies. Dat vergt misschien van de GB, dat zij aflegt de gedaante van 19e eeuwse emancipatiebeweging; van kleine luiden, die nog boos zijn op de andere kleine luiden, die er destijds uitstapten. Terecht, zeer terecht, spreekt u de kerk aan op de confessies. Maar het front van een levende orthodoxie bevindt zich niet meer in de vorige eeuw. U met uw grote kennis van het individuele geloofsleven – en deze tijd schreeuwt daar om –, u zoudt ons toch kunnen onderwijzen hoe we een verband leggen tussen al die vormen van kennis, die een mens opdoet, en de Heer onze God. Hoe er nog sprake kan zijn van heiliging en van rechtvaardiging op momenten, dat onze kennis ten dode voert! Inderdaad, dat is de taak van de hele kerk en inderdaad is de kerk niet zonder vlek of rimpel. Wat dan te doen? Luisteren naar Calvijn, Inst. I, IV, 13:
'Want de hoofdstukken van de ware leer zijn niet alle van één gestalte. Sommige zijn zo noodzakelijk om te weten, dat ze bij allen onbetwijfelbaar vast moeten staan, als leerstukken die de godsdienst eigen zijn. Als daar zijn dat één God is, dat Christus God is en de Zoon Gods, dat onze zaligheid gelegen is in Gods barmhartigheid e.d. Er zijn andere waarover tussen de kerken geschil is, maar die toch de eenheid des geloofs niet verscheuren…
14. (over scheurzoekers) Indien onder de Corinthiërs de kerk blijft, waar twisten, sekten en naijver woeden, waar geschillen en kijverijen zijn, gepaard met hebzucht, waar openlijk een schanddaad wordt goedgekeurd, die zelfs in de ogen der heidenen verfoeilijk zou zijn, waar onbeschaamd de naam van Paulus wordt beschimpt, die zij als een vader hadden behoren te vereren, waar sommigen de opstanding der doden bespotten, met welker omverwerping het gehele evangelie instort, waar Gods gaven de eergierigheid en niet de liefde dienen, waar zoveel onbetamelijk en onordelijk gedaan wordt; en wanneer de kerk dan daarom blijft, omdat de dienst des Woords en der sacramenten niet versmaad wordt: wie zou dan de naam van de kerk durven ontnemen aan hen, aan wie niet het tiende deel van die misdaden kan worden ten laste gelegd? Zij, die met zo grote gemelijkheid woeden tegen de tegenwoordige kerken, wat zouden die, vraag ik u, de Galaten gedaan hebben, die bijna het evangelie verlaten hadden, maar bij wie toch dezelfde apostel kerken vond?
Met broederlijke groet,
Dr. M. A. Smalbrugge, Delft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's