De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ik geloof in God de Vader, de Almachtige,  Schepper des hemels en der aarde (2)

Bekijk het origineel

Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde (2)

De Apostolische Geloofsbelijdenis

8 minuten leestijd

Vroege kerk
In de eerste eeuwen kwamen opvattingen naar boven die God tegen de schepping uitspeelden. Het geschapene zou van minder kwaliteit zijn; God zou daar niets mee te maken willen hebben. Het materiële zou als zodanig al verkeerd zijn. Het materiële op zich zou het boze, het kwade zijn, waar God tegenover zou staan. De geloofsbelijdenis bestrijdt deze tegenstelling.
De schepping en God moeten met elkaar verbonden worden. Zeker, er is wel onderscheid. God valt niet samen met Zijn schepping. God en schepping zijn niet te vereenzelvigen. De schepping is immers ontstaan in den beginne. Eerst was zij er niet, op een bepaald tijdstip is zij door God in aanzijn geroepen. God Zelf is van eeuwigheid. Wij mogen God niet uitspelen tegen de schepping; het zijn geen concurrenten.
Wij mogen God ook niet vereenzelvigen met Zijn schepping zoals door verschillende Griekse filosofen is gebeurd. Zij beleden de godheid als 'het ene'. Dat zou een bron zijn die overvloeit. Het kwaad komt, volgens dat denken, op uit de materie, omdat de materie het verst verwijderd zou zijn van deze bron, het verst bij de godheid vandaan.
Ook dit denken staat haaks op het eerste artikel. De geloofsbelijdenis legt een verband tussen God en de schepping, en houdt het onderscheid tussen God en Zijn schepping vast. Dat is bovendien de lijn van de Schrift. Juist in het eerste hoofdstuk van het boek Genesis lezen we telkens: 'en God zeide'! Hij spreekt en het is er. Is het noodzakelijk dat God deze wereld schept? Nee, Hij is en blijft immers onafhankelijk van de mens. God blijft God. Hij is van niets en niemand afhankelijk. Wij moeten het omdraaien: alles is van Hem afhankelijk. Zo is God Vader van al het geschapene. Wij maken Hem niet los van Zijn schepping. Maar Hij blijft wel boven Zijn schepping staan.

Moderne theologie
Wij stellen dat met nadruk. Veel moderne theologen interpreteren de schepping door God als een zelfbeperking van God. Hij geeft aan de mens een bepaalde ruimte en moet daarom Zelf ruimte inleveren. Zo wordt het onvolkomene van de huidige schepping eigenlijk al verklaard vanuit het eerste begin. Genesis leert ons echter dat God telkens zegt: 'en zie het was zeer goed'. Dat is maar geen constatering van de mens, maar dat is het oordeel van God. De materie als zodanig is niet zondig en niet verkeerd; de schepping is geen zelfbeperking voor God maar is gericht op de verheerlijking van Zijn Naam.
En zo klinkt na de val in het boek Maleachi de klacht: 'Ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer?' (Mal. 1 : 6) In hoofdstuk 2 moet het volk zelfde klacht uiten: 'Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen?' Als we ons concentreren op het eerste artikel wordt de zondeval niet logisch en verklaarbaar. De zondeval wordt juist een aanklacht. Ben Ik een Vader, waar is mijn eer? Wie verheerlijkt God als Vader? Welk mens prijst van harte en spontaan zijn Schepper?

De Vadernaam
Het eerste artikel moeten wij onderscheiden van het tweede artikel. Met nadruk hebben wij dat naar voren gebracht. Het geloof in God de Vader moeten wij niet laten wegdringen door het geloof in God de Zoon. Hier zien wij echter wel dat wij het geloof in God de Vader alléén maar kunnen beoefenen door op de Zoon te zien. Hij heeft immers door kruis en opstanding heen de Vadernaam weer verworven. Wij erkennen zelf God als Vader niet meer. In de lijdenstijd horen wij Hem bidden: Vader, verlos Mij uit deze ure. Vader, vergeef het hun. Maar dan in het heetst van de strijd klinkt het: 'Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?' De volle last van de toorn van God wordt op Zijn schouders gelegd. De Vadernaam komt nu niet over zijn lippen. Het voorhangsel scheurt. Het offer is gebracht. Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.
De Vadernaam is verworven. Christus brengt de eer van Zijn Vader terug. Ik geloof in God de Vader. In de schepping is Hij mijn Vader. Maar ik ben door de zondeval van huis weggelopen. Christus wil mij terugbrengen bij de Vader. En dan leert de Geest mij hoe groot en heerlijk deze Vader is.

Hij is de Schepper
Hij is de Schepper van de hemel en van de aarde. De geloofsbelijdenis van Nicea zegt: aller zienlijke en onzienlijke dingen. Het is en blijft voor ons mensen onbegrijpelijk dat de schepping er eerst niet was. In den beginne. Hij Die Zelf geen begin en geen einde heeft, heeft op een dag, de eerste dag, een begin gemaakt met Zijn scheppingswerk. Toen is de materie, het stoffelijke tot aanzijn geroepen. In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig (tohoe wabohoe), zo lezen wij in het begin van de en oertoestand omschreven waaruit de schepping kon opkomen. Nee, er was eerst niets. En toen schiep God de hemel en de aarde en deze, door God geschapen aarde, was woest en ledig. Deze woeste aarde wordt door Gods scheppende hand in de volgende scheppingsdagen gevormd en geordend.
Met nadruk wordt dit hier naar voren gebracht. Op alle mogelijke manieren is geprobeerd de werkelijkheid van het kwaad en van de zonde al in de schepping zelf te leggen. De mogelijkheid van het kwaad zou dan al gestalte krijgen in deze chaos. De wil van God zou dan zijn: Hij wil de chaos niet. Wij moeten dit echter als speculatie van de hand wijzen. De Bijbel houdt vast dat er in het begin van deze wereld een periode is geweest van volkomenheid en volmaaktheid. Van harmonie en vrede. Het christelijk getuigenis staat haaks op het evolutionistische denken; dat uit het lagere vanzelf een ontwikkeling volgt tot het hogere. Nee, in de schepping zet God gelijk hoog in. De historie is maar geen ontwikkeling en evolutie, maar is sinds Genesis 3 een devaluatie.

Evolutiedenken
In de theologie heeft de invloed van het evolutiedenken ook zijn sporen nagelaten. De schepping zou nog onvoltooid zijn, nog niet af. Er zijn er die stellen dat God de mogelijkheid van het lijden vanaf het begin al in zijn schepping heeft gelegd. Wie vasthoudt aan de historiciteit van de Schrift moet blijven zeggen: Er was eerst een tijd van ongebrokenheid en van heerlijkheid. De eerste twee hoofdstukken van de Bijbel beschrijven ons dat. Sinds Genesis 3 is de schepping verbroken. Toen heeft het kwaad en de zonde haar intrede gedaan in de schepping. Vanaf dat moment mag en moet er pas over lijden gesproken worden. Wie gehoorzaam naar de Bijbel wil luisteren houdt vast aan een schepping die persoonlijk door God geschapen is en geregeerd wordt. Deze wereld is niet autonoom (zelfstandig) en de mens is dat ook niet. Op de evolutieleer is vanuit een bijbelgetrouwe zienswijze op fundamentele wijze kritiek geleverd, (o.a. R. Seldenrijk) In de evolutieleer is geen plaats voor de catastrofe die in het laatste oordeel de hele wereld zal treffen. Darwin, de grondlegger van de evolutieleer wilde immers afrekenen met een persoonlijk God die boven deze werkelijkheid zou staan en een ieder ter verantwoording zou roepen. Ook nu ervaren veel mensen dat als bedreigend en benauwend, maar het is juist een verademing en een bevrijding om dat in te zien en te belijden. Ik beslis niet met mijn rede over de schepping, maar God openbaart Zich in Zijn Woord aan mij. Als de Schepper. Wie het scheppingsverhaal alléén maar leest als een symbolisch geheel, ontneemt het eerste artikel haar kracht. Wie het Iaat staan krijgt een fundament onder zijn leven en een roeping in zijn leven. Vragen op het gebied van het milieu en de ethiek komen ook hier om de hoek kijken. Wij zijn immers als mensen niet werkzaam op neutraal terrein maar in de schepping van Vader. Het beheersen van Zijn schepping mag niet onbeheerst geschieden. Het bijbelse begrip van het rentmeesterschap moet functioneren. Bovendien ziet dit eerste artikel maar niet alleen terug op de schepping als zodanig, maar wordt met deze woorden ook beleden dat God Zijn schepping nog steeds vasthoudt en in stand houdt. Zeker, de elementen zullen éénmaal branden. Deze aarde zal door vuur vergaan. Maar tot die tijd blijft het Zijn schepping. Wie blijft geloven in God de Vader, de Schepper van de hemel en van de aarde mag in datzelfde geloof ook verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar het opnieuw zeer goed is. Opnieuw. Niet als een vrucht van een menselijke evolutie en ontwikkeling. Maar als vrucht van het persoonlijk ingrijpen van God.

C. van Duijn, Krimpen a. d. IJssel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Ik geloof in God de Vader, de Almachtige,  Schepper des hemels en der aarde (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's