Terugblik op dertig jaar belijdeniscatechisatie
Na de Reformatie is, niet weinig door de invloed van het piëtisme, in de kerk gebruikelijk geworden, de bevestiging van belijdeniscatechisanten op Palmzondag. Men achtte dat het besluit van het catechetisch onderricht. Daardoor werden de catechisanten tot mondige leden van de kerk verklaard. Het doel van het godsdienstonderwijs werd daarmee helemaal bereikt. Zo ongeveer wordt het in een oud boek over de praktische theologie verwoord. Zoals de lezer verstaat, duidt men daarmee aan het plechtige einde van de belijdeniscatechisatie. Tevoren hebben de belijdeniscatechisanten ruim een halfjaar de belijdeniscatechisatie gevolgd. Zij worden daarna op de dagen voor de Palmzondag aan de pastorie genodigd voor de aannemingsavond. Een aantal ouderlingen zijn daarbij aanwezig, een paar diakenen evenzo, en daar komt de mooie zondag, waarop de belijdeniscatechisanten in het midden van de gemeente in een kerkdienst bevestigd worden.
Wij tekenen hier de gang van zaken onder ons sinds tientallen jaren gebruikelijk. Wij geloven, dat in verreweg de meeste gemeenten, die tot de gereformeerde gezindte gerekend worden, dit aldoor nog op dezelfde manier gebeurt. De vraag, die ons nu bereikt was deze: hoe ziet u erop terug? U hebt het zovele jaren lang meegemaakt. Is er wat veranderd sinds het begin van uw predikantschap? Hebt u grote verschuivingen opgemerkt? Vindt u veranderingen nodig? Zijn er andere wensen? Wilt u eens enkele herinneringen opschrijven voor uzelf en voor de lezers?
Laten wij beginnen met een algemene opmerking. Tegenwoordig denkt men door het volgen van nieuwe wegen opduikende crises te kunnen beheersen of te kunnen tegengaan. Men verbeeldt zich een neerdalende lijn te kunnen opkrikken, een flauwe geestelijke situatie leven in te kunnen blazen door middel van nieuwe methoden en een overrompelende aanpak. Goed, dat zal misschien ook wel hier en daar gebeuren. Een jonge dominee treedt na een wat oudere predikant op, een ander boekje wordt gebruikt. Het jonge element verfrist. Een nieuw verfje, een nieuw kleurtje – het wil er echt wel in. Maar duurt het ook? Heeft het bestand voor een grote periode? Dat nu geloven wij niet!
Wij zien het toch overal. Het jonge loof begint op den duur toch weer moe en dor te worden. De aanvankelijke toeloop mindert snel. Wat staat ons daar te doen? Wij menen, dat wij de moed moeten hebben aan het klassieke oude vast te houden. De wegen van de kerk zijn ons aangewezen. Het gaat er niet om nieuwe en andere wegen te bewandelen, maar de aangewezen wegen met nieuwe trouw en nieuw stiptheid zuiver te gaan. In de uitdelers wordt vereist dat elk getrouw bevonden worde. De apostel Paulus zegt dat, en wel in die eerste brief aan Corinthe, aan die gemeente die verzot was op allerlei nieuwigheden en invallen. Er is bij de uitdelers oftewel rentmeesters trouw vereist en die trouw moet blijken. Hoeveel voorstellen tot nieuwe kerkelijke methoden wekken de schijn, als gaat het om de uitvinding van nieuwe toverformules, die ons de opleving zullen brengen. De trouw verdwijnt daarbij in het duister.
De huurling evenwel vliedt. Het is de levensvraag aan onze kerk of ze trouw zal zijn aan haar opdracht. De kwestie is deze, of ze het waagt met wat haar gegeven is. Er bestaat geen belofte voor het uiterlijk effect. Er is al zoveel tijd heengegaan met het jagen naar luchtballons. Al zoveel geld verspild met het vangen van wind. De Heere heeft zegen toegezegd op de trouw. In de voorgeschreven weg gehoorzaam te zijn en op des Heeren Woord het net uit te werpen.
Welnu, in dit spoor doen wij er goed aan, ons het Woord van Calvijn te herinneren. Hij eist een openlijke belijdenis. Het is de moeite waard dit stuk ervan in de Institutie na te lezen (IV, 19, 13). De hervormer eist een bevestiging, die het catechetisch onderwijs afsluit en die onder getuige en ten aanschouwen van de kerk plaats heeft. Zij, die openlijk hun geloof zullen belijden, moeten zich aan de kerk aanbieden. Zij stellen zich daardoor onder de tucht van de kerk. Ook lezen wij bij Calvijn, dat hij een formulier wenst tot dit doel, bevattelijk en op gemeenzame wijze uitleggend de hoofdinhoud van nagenoeg alle hoofdstukken van onze religie. De ganse kerk der gelovigen moet daarmee zonder verschil van mening instemmen. Leest u zelf eens deze paragraaf aandachtig over.
Zien wij nu op ruim dertig jaar belijdeniscatechisatie terug, dan begonnen wij indertijd gewoon met het Kort Begrip. De catechisanten leerden een aantal vragen uit het hoofd. Wij bespraken een volgend deel – een enkele maal gebruikten wij een ander leerboekje. Wij herinneren ons een methode van Roscam Abbing, een methode uit de Gereformeerde Kerken. Een enkele maal gebruikten wij voor de belijdeniscatechisatie het leerboekje van ds. J. van Sliedregt. Het zwaargewicht viel evenwel op het Kort Begrip en de laatste twintig jaren op het boekje van Veldhuijzen-Verboom. Het komt er wel op aan de leerlingen een voldoende hoeveelheid stof mee te geven ten aanzien van de leer der kerk, maar vooral ook een flinke hoeveelheid bijbelkennis. Blikken wij nu terug op de leermethoden, dan hebben al die opstellers inderdaad geprobeerd de kern van het christelijk geloof duidelijk te maken. Het was onze taak dat geschreven woord duidelijk te maken. Het leerboek te actualiseren met bord en krijt en met de levende stem. Soms met levende voorbeelden uit de praktijk. Het gebruik van een leerboek achten wij noodzakelijk voor de dominee, om niet aan grilligheden gehoor te geven en de hoofdzaken aan te duiden. Maar evenzo hebben de catechisanten zulk een leidraad nodig. Onderwijs heeft concreetheid nodig en belijndheid. Anders vervaagt alles.
Locaal bezien merkten wij een duidelijk onderscheid op tussen het westen van het land en het oosten. In het westen waren de catechisanten doorgaans ouder en gemotiveerder. In het oosten bestond nog voor een groot deel de traditie om een aantal jaren de catechese af te sluiten tezamen met leeftijdsgenoten. Daar schuilt voor een deel een volksgewoonte in. En hoewel wij aanvankelijk wel eens moeite hadden met een zekere ceremoniële gewoonte, later hebben wij meer gewaardeerd, hoezeer onze God ook deze wegen bewaart en Zijn kinderen ook langs deze weg tot Zich trekt. Het is ons meer dan eens opgevallen, hoezeer ook de Saksische volksaard de Evangelieprediking weet te verwerken. Er zit in het oosten zeker meer collectiviteit, maar die behoeft persoonlijke verwerking niet uit te sluiten. Wij hebben althans ook daar een glanzende geloofsdiepte opgemerkt.
Het is ongetwijfeld waar, dat men nu minder vanzelfsprekend belijdenis doet dan in een vorige generatie, maar daar staat wel tegenover, dat de huidige belijdeniscatechisant directer overkomt en zelfbewuster. Wij kunnen niet in het hart kijken, maar wij koesteren toch de hoop, dat de Heere onze kerk niet heeft vaarwel gezegd. Alléén – het zaad heeft tijd nodig om te rijpen. Voor twee verschijnselen zijn wij beduchter dan ooit geworden. Aan de ene kant is er het traditionalisme in leer, eredienst en organisatie. Hier overheerst de levensleegte, de langzaamheid en de traagheid ten opzichte van levende impulsen. Aan de andere kant vrezen wij meer dan ooit het activisme. Het is daar één en al bedrijvigheid in het oprichten van clubs, kringen, gemeenschappen en ondernemingen van sociale en charitatieve aard. Wij hebben dan één en al onrust en haast. Men springt van het één naar het ander. Men vervult geen innerlijk levende behoefte.
Zien wij nu terug op die jaren van belijdeniscatechisatie, dan bewaren wij enkele markante dingen. Vooreerst denken wij aan die jonge mensen, die uit onkerkelijke situaties kwamen. Wat hebben wij met hen vooral diep-existentieel mogen spreken! Ze tastten telkens naar de kern. In het bijzonder denken wij aan rooms-katholieke jonge mensen die overkwamen. Wat waren ze leergierig en warm van inslag. Dat is trouwens naar het algemeen onze ervaring geweest. De jonge mensen van nu zijn veel minder formeel. Veel opener, veel vrijer. Ze respecteren altijd echtheid en een ongedwongen toon. Dat is een winstpunt.
Zijn er dan geen negatieve ervaringen? Jawel, de dorre gewoonten, de afval ook, de ceremonie – het is er in grote mate geweest. Ook is er daarin schuld bij ons en veel gebrek. Maar de kerk zal niet dan tot haar eigen schade de geloofsbelijdeniscatechese opheffen. Er is al zo weinig kennis. Als dit middel nu verdwijnt is er geen aandrang meer de gemeente op te vijzelen. De ervaring leerde ons hoeveel kennis en gemeenschap op die catechese werd opgedaan. Laat ons dan trouw blijven in de gewezen weg. Jonge mensen te vormen tot levende leden voor Christus' kerk. Wij kunnen het geloof hun niet geven. Dat weten wij wel. Maar hun de weg tot Christus te wijzen – dat is onze roeping.
A. van Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's