Globaal bekeken
Uit een recente uitgave 'Het Europa van de spiritualiteit' (Kok/Agora, Kampen, ) de volgende twee passages:
• De ontmoeting van twee grote Nederlanders
'De pragmaticus Geert Grote had een oprechte bewondering voor de mysticus Jan van Ruusbroec, zijn iets oudere tijdgenoot. Ondanks zijn voorkeur voor de volkstaal vertaalde Geert Grote de voornaamste werken van Ruusbroec, die in het Nederlands schreef, zorgvuldig in het Latijn om ze zo een bredere verspreiding te geven. In 1377 gaat Geert Grote naar Parijs om er voor veel geld boeken en manuscripten te kopen. Op de terugweg bezoekt hij het klooster Groenendaal in het Zoniënwoud van de Augustijner koorheren, waar Ruusbroec al jaren woont. In zijn Boek over de oorsprong van het klooster Groenendaal vertelt Hendrik Uten Boghaerde (1382-1469) dat Geert Grote bij Ruusbroec een gebrek aan angst voor de hel meende te constateren. 'Naarmate Grote meer sprak over vrees, hoemeer Ruusbroec ontbrandde in heilige liefde tot God. Toen Grote eindelijk was uitgesproken, zei Ruusbroec in alle rust: "Meester Geert, weet voorzeker, ik word alsnog door geen vrees bekommerd; maar zie, ik ben volkomen bereid alles te ondergaan, wat de Heer besloten heeft dat met mij geschieden moet, hetzij bij mijn leven, hetzij na mijn dood".'
Het klooster Groenendaal wilde al in 1399 toetreden tot de congregatie van Windesheim, maar de bisschop van Kamerijk verbood dit In 1411 volgde een tweede verzoek en in 1412 vond de opname plaats; opnieuw hadden Geert Grote en Ruusbroec elkaar gevonden.'
• De bul van Constantijn Monomachus
'Sinds de elfde eeuw is het niet alleen vrouwen verboden Athos (Griekenland) te betreden, maar zelfs "ieder vrouwelijk dier, ieder kind, iedere eunuch, iedereen met een onbehaard gezicht". Dit strenge voorschrift gaat terug op het volgende verhaal: Rond de kloosters mochten zich herders uit Walachije vestigen op voorwaarde dat ze de monniken van melk, kaas en wol zouden voorzien. Die produkten werden door hun vrouwen en dochters naar de kloosters gebracht. Sommige van hen verkleedden zich als monnik en bleven in de kloosters hangen, wat een enorme opschudding veroorzaakte. Op verzoek van de higoumenes vaardigde keizer Constantijn Monomachus in 1060 een bul uit die nog steeds van kracht is. Dat voorschrift gold al eerder in de kloosters van Constantinopel, vooral in dat van Studion, dat een grote invloed op Athos uitoefende. In zijn monastieke regel hade de Heilige Theodorus Studieus (759-826), het kwaad voorziend, de higoumenes verboden "in hun cel jonge monniken te ontvangen voor wie zij een bijzondere genegenheid voelden". Zijn voorschrift luidde: "Ga niet naast een jonge monnik zitten. Zorg bij het slapen gaan dat je kleren de zijne niet raken. Vraag een oude monnik om tussen jullie in te gaan liggen, want de Duivel slaapt niet".'
Uit het blad Zeg knipten we de volgende 'Top 20' met betrekking tot namen van prot. christelijke scholen in Nederland, voorzien van een toelichting:
1. Juliana
2. Regenboog
3. Wegwijzer
4. Willem-Alexander
5. Groen van Prinsterer
6. Rehoboth
7. Ichtus
8. Beatrix
9. Oranje-Nassau
10. Kompas
11. Wilhelmina
12. Ark
13. Hoeksteen & Rank
14. Bron
15. Bernhard
16. Emma
17. Schakel
18. Immanuël
19. Maurits
20. Sjaloom/Margriet
'De nationale schoolnamen top-twintig is samengesteld uit meer dan 3500 bij de Besturenraad aangesloten scholen. In vergelijking met de muzikale hitparade is onze top-twintig veel stabieler, maar ook de voorkeur voor bepaalde schoolnamen is aan verandering onderhevig. Bovendien zullen er in de nabije toekomst nog diverse verschuivingen optreden door fusies en herschikkingen van scholen. Wie weet stomen Sjaloom en De Bron dan op naar hogere plaatsen.
Het huis van Oranje neemt duidelijk een prominente plaats in bij de naamgeving. Van de "mannenbroeders van weleer" heeft alleen Groen van Prinsterer zijn positie behouden. Vele anderen zoals De Savornin Lohman, Elout van Soeterwoude, Bavinck, Waterink en Abraham Kuyperzijn van de ranglijst verdwenen. Ook namen als die van de tropenarts Albert Schweitzer en van de strijder voor mensenrechten Martin Luther King behoren inmiddels tot de zakkers. Groen van Prinsterer is nog altijd een belangrijke naam, omdat van hem wordt gezegd dat hij meer dan wie ook voor de vrijheid van onderwijs heeft gestreden. Hij wilde het protestants christelijk karakter van het Nederlandse volk behouden en, zo mogelijk, verder ontwikkelen. Daarom zette hij zich volledig in voor de oprichting van positief christelijke scholen. Groen verlangde naar nationale eenheid binnen het protestants christelijk onderwijs; de kerkelijke richtingenstrijd hoorde buiten de schoolmuren te blijven. Hij wilde een bindende kracht zijn in het protestantse onderwijs.'
Uit Israël magazine (Israël Comité Nederland) knipten we een stukje uit een artikel 'De dag dat Gamia viel', met aansluitend het 'verslag van een ooggetuige', t.w. van de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus in 'De joodse oorlog'.
'Als men over Eretz Israël (het "Land van Israël") spreekt, wordt de nadruk meestal gelegd op Judea en Samaria, landstreken die van oudsher door joden werden bewoond en waar de Bijbel werd "geleefd" en geschreven' Wat weleens wordt vergeten is dat ook de door Syrië opgeëiste Golan onderdeel vormt van Eretz Israël. Een belangrijk deel van de Israëlische geschiedenis speelde zich af op de hoogvlakte die een strategische buffer vormt tussen Israël en zijn erfvijanden – toen en nu. Daar, in een stad genaamd Gamla, gelegen op een van die ongenaakbare bergruggen, speelde zich in het jaar 67 van de westerse jaartelling een drama af dat de latere ondergang van Massada (in 73) qua omvang en gruwelijkheid absoluut in de schaduw stelde. Toch staat het verhaal van Massada, niet dat van Gamla, centraal in de joodse geschiedschrijving, omdat daar de apotheose plaatsvond van de heroïsche Israëlische opstand tegen Rome (66-73).
"Massada zal nooit meer vallen", zweren rekruten van het huidige Israëlische leger op de top van de rotsvesting aan de Dode Zee. "Gamla zal nooit meer vallen", verzekerden de Joodse bewoners van de Golan nu de regering Rabin.
Ruim negenduizend mensen kwamen in Gamla om het leven op die najaarsdag in 67. Het was de drieëntwintigste van de maand Hyperberetaeus, dat is de Hebreeuwse maand Tisjri. Vierduizend mannen, vrouwen en kinderen werden door de Romeinen gedood, en vijfduizend anderen kozen ervoor hun leven zelf te beëindigen. Zij wierpen zich van de top van de berg naar beneden.'
'De joodse verdedigers van Gamla hielden stand tot de tweeëntwintigste van de maand Hyperberetaeus. Toen slopen drie soldaten van het vijftiende Romeinse legioen in de nacht omhoog naar de verdedigingstoren tegenover hen. Zij begonnen de toren in diepe stilte uit te graven. De wachtposten merkten hen niet op. De soldaten maakten zo min mogelijk geluid. Toen zij vijf van de funderingsstenen weggerold hadden, sprongen zij eronder vandaan. De toren stortte plotseling met donderend geraas in. De bewakers bovenop werden in de val meegesleurd. Bij de andere wachtposten vluchtte iedereen in paniek weg. Velen waagden het zich met geweld een uitweg te banen, maar zij werden gedood door de Romeinen. (…)'
'(…) Vespasianus zette nu zijn hele strijdmacht in tegen hen die naar de burcht gevlucht waren. De top was bezaaid met stenen en door de enorme hoogte zeer moeilijk bereikbaar. Overal gaapten diepe afgronden. Daar brachten de joden de vijand bijzijn nadering in grote moeilijkheden. Ze beschoten hen van alle kanten en rolden onophoudelijk rotsblokken naar beneden. Zelf bevonden ze zich door het hoogteverschil vrijwel schootsafstand.
Maar toen staker een hevige storm op, die recht in hun gezicht waaide en hun fataal werd. De Romeinen hadden nu bij hun beschietingen de wind mee, terwijl de joden met hun schoten niets meer konden uitrichten. (…)'
'(…) De Romeinen klommen naar boven en omsingelden hen. Sommigen probeerden zich nog te verdedigen, anderen strekten hun handen uit en wilden zich overgeven. Maar met de herinnering aan hun kameraden die bij de eerste inval gesneuveld waren nog vers in hun geheugen, kenden de Romeinen geen pardon. (…)'
'(…) In opperste wanhoop en aan alle kanten ingesloten wierpen zich hele aantallen vrouwen en kinderen in de afgrond. (…) Vergeleken met de collectieve razernij die zij tegenover zichzelf aan de dag legden, was de razernij van de Romeinen nog betrekkelijk mild: zelf maakten de Romeinen daar vierduizend slachtoffers, maar het getal van hen die zich in de afgrond stortten, lag boven de vijfduizend.
Afgezien van twee vrouwen waren er geen overlevenden. Die vrouwen hadden hun leven te danken aan het feit dat ze zich bij de inname van de stad hadden verstopt en zo aan de aandacht en de woede van de Romeinen waren ontsnapt. Ze zouden het er anders zeker niet levend hebben afgebracht, want zelfs kleine kinderen werden door de Romeinen niet ontzien. Ze grepen hen keer op keer bij hele groepen tegelijk en smeten hen gewoon de burcht af naar beneden. Zo werd Gamla op de drieëntwintigste van de maand Hyperberetaeus ingenomen, na een beleg dat was begonnen op de vierentwintigste van de maand Gorpiaues.'
(Flavius Josephus)
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's