Godsdienst vàn of vóór het volk
Een bekende uitspraak van Karl Marx, grondlegger van het communisme, is dat godsdienst opium van het volk is. Vaak is die uitspraak verbogen, in die zin, dat gesproken werd over opium voor het volk. Het verschil is duidelijk. Wanneer godsdienst opium vàn het volk is, dient het volk zichzelf een roesmiddel toe om de ellende in het leven te overstijgen. In het geval het gaat om opium vóór het volk wordt door anderen áán het volk een roesmiddel toegediend. De kerk is dan een instantie, die haar leden in een staat van geestelijke bedwelming brengt.
Voor Marx was godsdienst dus opium vàn het volk, een zoethoudertje, een roesmiddel, een middel tegen levenspijnen. Zoals soms mensen opium gebruiken, zo gebruiken godsdienstige mensen religie. Die godsdienstigheid nu zou door het communisme, waarvoor Marx mede de basis legde, overbodig worden gemaakt.
Nu afgezien van de visie, die Marx op religie had, mag de vraag gesteld worden of de godsdienst op zich vàn het volk of vóór het volk is. In het hiervolgende gaat het me dan niet over een algemene godsdienstigheid of religiositeit, maar om de christelijke religie, die de toets van de Schrift kan doorstaan. Met het oog op de vragen rondom secularisatie en ontkerstening lijkt het me dienstig ook hìèraan enige aandacht te besteden.
Godsdienst
Godsdienst is 'dienst, verering, aanbidding van God', zegt Van Dale. Als zodanig is de rechte godsdienst daar, waar God recht gediend wordt door mensen, en dus lééft onder het volk. De Reformatie heeft het aangedurfd het volk de Bijbel in handen te geven. Daarachter schuilt de gedachte, dat religie niet iets is, dat door de kerk in hogere regionen onder een stolp van kerkelijke traditie wordt bewaard en van tijd tot tijd in bepaalde rituele handelingen wordt toegediend aan het volk. Het volk mag zelfde Schrift lezen om tot geloof te komen en het geloof te laten versterken. En in de wekelijkse verkondiging worden de Schriften opengelegd voor het volk, dat samenkomt, opdat het geloof getoetst wordt.
Men moet daar niet gering over denken. Er zijn christelijke gemeenschappen in de wereld, waar kerkgang sporadisch is. Het lijkt wel alsof het hele godsdienstige leven is voorbehouden aan enkele monniken, priesters, of andersoortige religieuzen, die het godsdienstige leven in beheer hebben, vèr af van het gewone volk. Overigens behoeft men niet ver over de grenzen te gaan om dit verschijnsel te ontwaren. Heel dichtbij lijkt het soms ook alsof godsdienst in een gemeente nog louter bestaat bij de gratie van het feit, dat er een voorganger is, met daaromheen enkele getrouwen. Maar wat betekent godsdienst in feite als ze niet geworteld is in het volk en als zodanig niet 'vàn' het volk is! Waar zulk een (verslapte) godsdienstigheid wordt gevoed of als 'normaal' wordt ervaren, zal secularisatie zeker niet worden ingedamd.
Nu is er zeker geen eenduidig antwoord te geven op de vraag naar de oorzaken van ontkerkelijking. Maar een factor, die zeker van belang is, is dunkt me toch, dat godsdienst van de theologie en godsdienst van het volk (de gemeente) uiteen gegroeid zijn. Wanneer prediking niet verder komt dan oefeningen in theologische hoogstandjes of het doorgeven van het theologisch nieuws van de dag of het dwingen van de gemeente in een nieuwmodisch theologisch harnas, betekent dit in feite een miskenning van de gemeente en van het gelóóf van de gemeente.
Soms wordt zelfs smálend over dit 'geloof van de gemeente' gesproken. Gemeentetheologie heet dat dan al snel. Maar wat betekenen theologie en prediking nog als ze geen voedingsbodem hebben in de gemeente! Daarmee is niet gezegd, dat alles wat zich als geloof of gelovigheid of godsdienst aandient in de gemeente, niet onder de kritiek van het Woord dient te worden gebracht. Maar dat is iets anders dan onder de kritiek van de prediker. De rechte prediking díént toch de gemeente door dáár, in de gemeente het geloof te wekken en te richten vanuit en naar de Schriften.
Ik citeer nog eens wat we eerder opnamen (GlobaalBekeken) uit de lezing van prof. dr. F. G. Immink op de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond in januari l.l.:
'De uitzonderingspositie die de predikant inneemt mag er niet toe leiden dat de gemeente op afstand blijft. Een van de voornaamste garanties voor de goede uitoefening van het ambt is de kennis van het leven van de gemeente en van het geloof van de gemeente. Dat wil nog niet zeggen dat we met Schleiermacher moeten zeggen dat de prediker de "Allgemeingeist" ter sprake moet brengen. Maar de predikant is natuurlijk wel vertegenwoordiger van de gemeente, bijvoorbeeld in het voorgaan in de gebeden, maar ook in de prediking: daar wordt ook het geloof van de gemeente vertolkt.'
Wisselwerking
Dient niet ieder, die in de theologie bezig is, ieder die een ambt bekleedt in de kerk, ieder die van zondag tot zondag de kansel bestijgt en ieder die een leidinggevende taak heeft in het kerkelijke leven, zich voortdurend af te vragen of hij zulks doet met het oog op de gemeente?
Een goede wisselwerking met de gemeente is geboden. Hoezeer de prediking ook vanuit de Schriften het geloof in de gemeente zal toetsten en richten, het is ook zeker zo, dat in de gemeente zelf zich soms rijker geloofsleven ontplooit dan in de prediking wordt verwoord. De prediker leert aldus van zijn pastoraat. Wanneer de prediking niet meer ingaat op wat in de gemeente leeft (aan vragen èn geloofservaring) kan er sprake zijn van geruisloze afvloeiing uit de gemeente. Men zoekt elders een onderkomen, waar het nog wèl over die zaken gaat, waarmee mensen in het leven bezig zijn; of men heeft er geen boodschap meer aan en haakt geheel af.
Dezer dagen zei ds. P. J. Stam in een interview in Trouw, dat men wel moet weten wat men doet als men wat verachtelijk komt te spreken over gemeenten (zoals zijn gemeente Katwijk), waar nog kerkelijke trouw is. 'Op zulke bolwerken als Katwijk moet de kerk zuinig zijn, en niet lopen schelden dat het er zo conservatief aan toegaat.'
Inderdaad, laten we zuinig zijn op gemeenten waar nog meeleven is.
Ik herinner mij een avond aan de zee in Makassar. Het was in 1974 toen een delegatie van de Hervormde Kerk Indonesië bezocht. Er ontspon zich een gesprek tussen ds. W. R. van der Zee, de huidige secretaris van de Raad van Kerken, en de kort geleden overleden ds. G. Spilt, die toen praeses van de hervormde synode was. 'Wat bindt jou aan de hervormd gereformeerde stroming?', vroeg ds. Van der Zee. Ds. Spilt antwoordde: in die gemeenten krijg ik mijn prediking terug, daar wordt op de preek gereageerd, daar gáát het nog om de dingen van het geloof en van het hart!
Een dominee en ieder, die in de kerk dient, zal respect hebben voor de gemeente, òf hij is geen goed dienaar. De kerk bestaat niet bij de gratie van een (theologisch) elitecorps maar bij de gratie van de gemeente, bijeengeroepen door Woord en Geest, de geslachten door, tot vandaag toe. Kerkelijke arbeid, waar geen gemeente meer omheen staat, wordt elitair en steriel. Als zodanig was het treffend en verademend, dat ds. J. D. van Roest als secretaris buitenland van de GZB – op vijftigjarige leeftijd moest hij om gezondheidsredenen terug treden – afscheid mocht nemen van zijn zendingsdienst in een geheel gevulde Oude Kerk in Lunteren, zomaar temidden van de 'gewone' gemeente. Kerkelijk werk, in zending, inwendige zending, diaconaat of op andere terreinen, heel dicht bij de gemeente! Dat is levensvoorwaarde voor de kerk.
Het geloof van de gemeente wordt al eeuwenlang overgedragen op volgende geslachten. Daarin spelen ongetwijfeld theologie en prediking, als het om geestelijke leiding gaat, een belangrijke rol. Theologie en prediking functioneren echter alleen op de juiste wijze wanneer er het zicht op de gemeente, op het volk blijft, en er liefde tot de gemeente is. Zo niet dan ontstaat vervreemding van de gemeente en wordt de secularisatie bevorderd.
In het ergste geval ontneemt men aan de gemeente het geloof, als dat met het rechte geloof al mogelijk zou zijn. Moderne theologen in de vorige eeuw en later hebben zich best gerealiseerd, dat ze met hun twijfelvragen de gemeente in twijfel en verwarring brachten. Sommigen van hen zijn zo eerlijk geweest zelf op te stappen. Anderen hebben een gehavende gemeente achter gelaten. Zo is het ook gegaan onder de zogeheten maatschappij-kritische prediking. Zulks kan overigens ook geschieden wanneer in de prediking dogmatische stokpaardjes worden bereden of dogmatische strijdvragen worden afgehandeld, ook ver van het geloof van de gemeente.
Kerkganger
In Trouw schreef de 'preektijger' van de Amsterdamse Westerkerk, ds. Nico ter Linden, zijn wekelijkse column onder de titel 'Notities van een kerkganger'. Hij had onder andere een dominee in Antwerpen gehoord, die hij typeerde als 'een zwak personage, een vriendelijke maar ook verdrietige man, die zomaar in die grote bak is neergezet'. Daarop kwam een sprekende reactie van iemand (Willemien Keuning): 'De preek overschat of: wat is gemeente?' Ze kreeg zegt zij, de indruk, dat daar geen kerkganger aan het woord was, maar iemand die liever zelf op die kansel had gestaan. Ik citeer:
'Het wordt tijd dat predikanten zichzelf en elkaar (om te beginnen niet in de krant, maar in waarlijk collegiale contacten en in gesprek met de gemeenten die zij dienen) kritische vragen gaan stellen over hun aandeel in dit proces (van kerkverlating, v.d.G.)…
Waarom is hij niet naar hem toegegaan en heeft hij hem gevraagd: "Man Gods, waarom bent u zo verdrietig?" Hij was geen gemeente(gast)lid, anders had hij dat gedaan...
De kritiek die Ter Linden (misschien terecht) had op de twee voorgangers die hij beschreef in de genoemde column in dit dagblad, die kritiek treft in de eerste plaats hemzelf, 'zeker wanneer elke week op zondag de Wester vol is met "kerkgangers".'
Mij dunkt, dat hier terecht een vinger bij een wonde wordt gelegd. Alle gediscussieer over kerkverlating is bij voorbaat vruchteloos wanneer niet in het oog gehouden wordt, dat prediking, hoezeer ook gevolmachtigd, nog steeds bestaat bij de gratie van kerkgangers en zo van (het geloof van) de gemeente.
De gemeente heeft geen behoefte aan preektijgers van welke snit dan ook, die hun boodschap mooi brengen, maar aan herders en leraars, die weten wat er in het hart van (aangevochten) mensen omgaat en die als zodanig thuis zijn in het geloof van de gemeente en daarover van hart tot hart weten te spreken.
En als men dan nog een actuele toespitsing wil? Bolkestein en ieder, die vandaag in politiek en maatschappij roept om herstel van christelijke normen en waarden, zijn alleen dàn geloof-waardig, wanneer zij hun leven geestelijk willen delen met de gemeente en in de bedding van het levende geloof van de gemeente willen staan.
Want de rechte godsdienst is toch nog altijd de godsdienst, het geloof vàn de gemeente. Als het daar niet leeft, waar dan nog wel?
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's