De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De omgang met de belijdenis (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De omgang met de belijdenis (2)

Antwoord aan dr. M. A. Smalbrugge

13 minuten leestijd

Religie van het belijden
U zou met uw vermoedens en conclusies in zekere zin gelijk hebben, wanneer ik op rationalistische wijze de belijdenissen zou zien en hanteren als rationele, levenloze, statische en kolossale verdedigingswallen. Maar in een waarachtig levende kerk zijn belijdenissen geen wassenbeeldenmuseum en geen verdedigingsgordels maar gaat het bij het belijden om de religie der belijdenis. Door mij werd en wordt de combinatie Schrift en belijdenis niet gehanteerd als een formeel statuut. Mer ir. J. van der Graaf op de extra synodevergadering van januari 1993 zeg ik dat u bij de belijdenis mij in het hart kijkt. De formuleringen van Heidelberg, van de NGB en van Dordt zijn mijn geloof!
Momenteel preek ik in Soest in de leerdienst over de Dordtse Leerregels. Ik doe dat niet afstandelijk en theoretiserend. Aan het begin van de serie heb ik afgesproken met de gemeente om deze artikelen enerzijds te betrekken op de Schrift en anderzijds op het hart. Dordt is niet waar als sacrosancte grootheid. Wij toetsen het spreken van Dordt aan de Schriften. Maar daarbij verwonderen wij ons ondertussen wel van dienst tot dienst. Wat weerklinkt in Dordt de taal van de Schrift! Wat mag door Dordt en door de Geest het hart meetrillen! We ervaren bij het luisteren naar Dordt: 'Dit is ons geloof!' Ik citeer ir. J. van der Graaf uit het verslag van die extra synodevergadering:
'Tijdens een bijeenkomst in 1948 in Amsterdam antwoordde prof. Severijn op de vraag wat de belijdenis nu is, met zijn hand op zijn hart: 'De religie van de belijdenis zit hier!' De belijdenis is voor ons de taal van de bevinding! En dat is nu het kardinale verschil met de wijze waarop de Gereformeerden altijd met de belijdenis omgingen. Het was voor hen niet de taal van de persoonlijke geloofsbevinding!'
Dit spreken over de religie van het belijden is geen stokpaardje, maar een zaak, die tot in het diepst van het bestaan leeft en raakt! In het belijden van de kerk ontmoet ik daadwerkelijk de weerklank van de Schrift. Dit belijden is een zaak van het hart, omdat de Schriften er in leven.
Als dr. M. A. Smalbrugge dan spreekt over een 'bemiddelingsfunctie' van de belijdenissen dan herken ik daarin niets. In die zin spelen zij in mijn leven, in mijn preken en in mijn publikaties geen enkele rol. (In mijn dogmatiek voor de gemeente, 'Aan Zijn voeten', heb ik veel lijnen getrokken naar en vanuit de drie formulieren van enigheid, maar geen enkele keer in die bemiddelende zin!).

Een vraag
Ik heb reeds eerder aangegeven, dat wij alleen door de Geest het Woord verstaan. Dat houdt ook in dat wij bij het toetsen aan de Schrift van de belijdenissen, die allen onder het Woord staan, de werking van de Geest nodig hebben.
Omgekeerd zou ik aan dr. Smalbrugge willen vragen hoe het concreet zit, wanneer anderen bijvoorbeeld de inhoud van Dordt niet verstaan en beleven. Is dat een teken van de afwezigheid van de Geest? (Dat is dan alarmerend!) Of is dat een teken, dat de bijbelse inhoud van Dordt niet altijd actueel is voor de Geest? Maar hoe kan Calvijn het Woord dan tot norm verklaren? Wanneer is deze norm dan actueel? Ik zou hier samenvattend dezelfde lijn willen trekken als bij het Woord.
Het is ondertussen hopelijk duidelijk, dat ik de belijdenissen niet zie als een voortgezette openbaring of verlengstuk van Gods openbaring. De belijdenissen worden alleen dáár door mij beaamd, waar zij spreekregels van de Schrift zijn. De belijdenis mag dáár aanspraak maken op waarheid waar zij aanspreekt op de Heilige Schrift. Mijn belijden is als het goed is, een belijden door de Heilige Geest. De Geest maakt de bijbelse belijdenis niet waar, maar Hij maakt deze voor mij waar.

Belijdende kerk
Tenslotte wil ik de zaak nu toespitsen naar het drietal vermoedens, dat dr. Smalbrugge uit. Ik begin bij de laatste, namelijk dat er volgens mij alleen formeel sprake zou zijn van een belijdende kerk.
Wel, dat de VPKN pretendeert een belijdende kerk te zijn, behoef ik niet aan te tonen. Deze pretentie wordt niet alleen aangegeven door artikel 1, maar deze aanspraak wordt ook in het spreken/antwoorden van de leden van de Commissie Kerkorde steeds weer onderstreept. En dit niet in het minst om de bezwaarden over hun eigen bezwaren heen te tillen: 'Joh, ga toch mee. Wees dankbaar. De nieuwe kerk is toch ook een belijdende kerk?' Dat ontken ik niet, maar ik werp wel tegen, dat dat mij niet genoeg is. Ik vraag welke belijdende kerk wij dan op het oog hebben. Wij bouwen zelf de verdeeldheid in, wanneer wij tegengestelde belijdenissen opnemen. Een kerk, die tegenstrijdige dingen in haar grondslag opneemt, verhindert zichzelf om waarachtig belijdend te zijn. Ik krijg dan als antwoord van de nieuwe kerkorde zelf, dat de diverse belijdenissen gezien moeten worden in verbondenheid met de diverse achterliggende tradities. Vervolgens antwoord ik weer, dat ik dat formeel nog kan begrijpen, maar dat het voor mij inhoudelijk moeilijk wordt, wanneer ik bij het toetsen van de doorwerking van hetgeen op grond van de Schrift beleden wordt, schrik dat ik de spreekregels van de Schrift niet meer duidelijk herken.


Dr. Smalbrugge verbindt deze reactie dan met een onjuiste hang naar Formulieren der Eenheid. Later voert hij Calvijn sprekende in inzake de pluriformiteit. Pluriformiteit (veelvormigheid) is overigens iets anders dan pluraliteit (veelvoudigheid). De Schrift zelf kent een zekere veelvormigheid, veelkleurigheid. De Schrift kent geen veelvondigheid van belijden.
Maar ik wil hier toch even benadrukken, dat wij scherp moeten onderscheiden tussen de eenheid van belijden, die Calvijn zocht in zijn eigen kerk te Genève en de eenheid van geloof, die hij zelfs aan de andere zijden van oceanen wilde beleven, bijvoorbeeld met de Kerk van Engeland. Ongelukkig geformuleerd: in zijn eigen gemeente zocht Calvijn het maximum aan eenheid, maar voor de eenheid met andere kerken zocht hij het minimum te formuleren. Dat is het wat ik tegen de nieuwe kerk heb, die mijn eigen kerk moet zijn. Daar is in zuivere zin niet eens een minimum geformuleerd, maar er wordt ruimte gevraagd voor allerlei tradities en gedachten en dat wreekt zich.
Doop en Avondmaal krijgen een andere setting.
Het is niet meer zeker, dat het huwelijk een inzetting van God is. Alle eeuwen is het huwelijk door de kerk, op grond van het verstaan van de Schriften, gezien als inzetting Gods. Het ontbreken van een artikel over het huwelijk komt echter niet voort vanuit een terugkeer tot de volgorde van de Dordtse Kerkorde (stemmen in die richting vond ik ronduit hypocriet, omdat Dordt niet met opzet een artikel over het huwelijk wegliet, om ook andere relaties een kans te geven!), maar vanuit radicale verlegenheid om tegen de geest van de tijd in getrouw het spreken van de Schrift na te spreken. We weten het ineens niet meer, zo heet het. Als dat waar is, dan zal de kerk toch minstens een pas op de plaats moeten maken. Als er geen nieuwe inzichten vanuit de Schrift Zelf aan te reiken zijn, moet minstens het artikel over het huwelijk vanuit de hervormde kerkorde gehandhaafd worden, al is het alleen al onder het motto, dat wij geen oude schoenen moeten wegwerpen, voordat wij nieuwe hebben.' Zelf houd ik, na een uitvoerige studie over het zevende gebod, gelovig vast aan het oude artikel in de kerkorde.


Let wel: zekerheden mogen van mij verdwijnen als bij toetsing aan de Heilige Schrift en door de verlichting van de Geest blijkt, dat zij niet aan de Schrift ontleend zijn. Maar ik verzet mij tegen alle 'nevenschikken' van tegengestelde meningen onder de adem van de tijdgeest! Het laten vallen van duidelijke, belijdende uitspraken wordt door mij niet ervaren en door anderen niet duidelijk gemaakt als vrucht van een hernieuwd gelovig Schriftverstaan, maar veeleer als vrucht van modernisme en van anti-institutionele tendensen. Mijn kritiek is dus niet, dat men aan confessies komt, die heilig zijn in zichzelf.
Omdat de kerk met de Reformatie alles weer toetst aan de Heilige Schrift. Was dat maar waar, dan zou ik alleen al in het gelovig luisteren naar en in het getrouw naspreken van de Schrift het werk van de Heilige Geest herkennen. Mijn kritiek dat niets meer zeker is, richt zich daarentegen tegen de Pilatus-houding van 'Wat is waarheid?'

Heilige Doop
Bij het vermoeden aangaande de Heilige Doop moet ik collega Smalbrugge toch even tot de orde roepen. Hij 'jumpt' over mijn argumentatie heen. Natuurlijk weet ik ook dat 'bediend worden' geen subjectivistische uitdrukking is, zeker niet zolang de waarde van de bediening niet opgehangen wordt aan de waardigheid van de bedienaar.
Maar ik hèb het helemaal niet over het bedienen. Het subjectivisme zit in het kernwoord begeren. Dat begeren doet in de thans geldende kerkorde niet mee. Daar wordt de bediening objectief geformuleerd: 'De Heilige Doop wordt bediend aan de kinderen der gemeente'. Lees mijn persoonlijke impressie maar na: dáár ligt mijn bezwaar. De kerkorde hoeft van mij niet te belijden, dat de volwassendoop onbijbels is. Néé, maar voor onze eigen kerk zullen wij het primaat, van de kinderdoop vasthouden. De kleine kinderen van de gemeente behóren gedoopt te wezen. Als mogelijk gevolg van de voorgestelde formulering noemde ik, dat leden van onze kerk vanuit de moderne gedachte om kinderen vrij te laten, de doop aan de keuze en aan het wel of niet begeren van hun straks volwassen kinderen kunnen overlaten. Dáárin zit voor mij het subjectivisme en ik houd dat vol. Objectief denken vanuit het genadeverbond leidt tot de huidige hervormde kerkordeformulering, omdat de kleine kinderen van de gemeente behoren gedoopt te wezen. Dat er daarnaast ook de mogelijkheid van volwassendoop is voor diegenen, die later tot geloof komen, wordt door mij uiteraard alleen maar toegejuicht als schriftuurlijke realiteit. De thans geldende kerkorde noemt dat dan ook als tweede. Maar de volwaardige nevenschikking: 'De Heilige Doop wordt bediend aan hen voor wie of door wie de doop begeerd wordt' laat het geheim van het genadeverbond, zoals wij dat in de calvinistische traditie in de Schriften verstaan hebben en verstaan, blauw-blauw. Dat is en blijft voor mij een tendens tot subjectivisme. En juist dr. Smalbrugge moet daar gevoelig voor zijn, waar hij op zijn wijze aantoont hoe belangrijk formuleringen zijn. De lijn van de Heidelbergse Catechismus is anders. De lijn van de Geloofsbelijdenis van Genève is anders. Wij vinden daar niets over het begeren van de kant van de mens. De lijn van de NGB is anders: Christus heeft de doop verordend; de kinderen behoren gedoopt te worden en het teken te ontvangen. Het ging mij er echter niet om zomaar de belijdenis te handhaven contra het artikel, maar om de kern, dat de belijdenis van de kerk, die genormeerd wordt door en aan het Woord, niet doorwerkt in de artikelen over Doop en Avondmaal. De kerk voegt in haar orde niet een vaste lijn met haar eigen belijden. Dat kan en dat mag, maar dan moet helder gemaakt worden waarin het belijden afwijkt van het Woord.

Heilig Avondmaal
Als laatste punt noem ik nog uw vermoeden inzake mijn verdriet over de doorbreking van de volgorde doop-belijdenis-avondmaal. Dit vermoeden is lastiger te weerleggen. Ik respecteer de integriteit van dr. Smalbrugge als hij het belijden van Jezus Christus een juistere formulering noemt. Maar daar gaat het toch ook om met het doen van geloofsbelijdenis? Ik volg u in uw gedachten, maar ik reageer hier allereerst vanuit de praktijk van het kerkelijk leven. Ik weet, wat één en andermaal ter synode door bezwaarden gezegd is, hoe schromelijk de kerk op dit punt haar taak verwaarloost. Verschillende antwoorden ter synode, waarbij zelfs het gedoopt-zijn nog een te absolute voorwaarde genoemd werd!, hebben mij hevig verontrust.
Dr. Smalbrugge schat mijn woorden tegelijk verkeerd in. Hij laat mij bij de geloofsbelijdenis het accent leggen op het doen van de belijder.
Mijn eerste accent ligt echter op de taak van de kerk om de gedoopte leden der gemeente toe te leiden tot de tafel des Heeren. Wie aangaat moet weten waar het op aankomt.
Belijdenis-doen is voor mij wezenlijk iets anders dan de roomse confirmatie. Het gaat niet om de voltooiing, om een plus bij en op de doop, maar om een belijden, dat het geheim van de doop verstaan en beaamd wordt. De doop is immers geen magisch middel maar een genademiddel, dat door het geloof verstaan wordt. Degenen, die belijdenis-doen, geven te kennen, dat zij Jezus Christus belijden aïïs hun Heere en dat zij weten wat dit inhoudt.
Voor Calvijn stond de belijdenis ook in deze directe relatie met de viering van het Heilig Avondmaal. De inwoners moesten juist met oog op de deelname aan de viering van het Heilig Avondmaal, opdat niet ieder zijn/haar eigen verborgen voorstelling zou koesteren, de eed afleggen op de Geloofsbelijdenis van Genève. De weigering werd zelfs gekoppeld aan verbanning uit Genève!
Tevens heb ik gewezen op het wegvallen van het belangrijke aspect dat ons huidige hervormde kerkordeartikel aangeeft met het vieren van het Heilig Avondmaal 'in de gemeente' in plaats van 'door de gemeente', zoals het nieuwe kerkordeartikel zegt. Dat heeft direct met ons belijden vanuit ons verstaan van de Schrift te maken. De NBG belijdt, dat Christus door het Heilig Avondmaal voedt en onderhoudt die Hij alreeds heeft wedergeboren. Hetzelfde onderscheid maakt de Heidelbergse Catechismus. Het klassieke Avondmaalsformulier spreekt ook op deze separerende wijze. Daar hechten wij aan, omdat wij geloven dat dat in overeenstemming is met de Heilige Schrift.

Verschil?
Aan het einde van dit artikel wil ik niet nalaten even aan te geven, dat ikzelf het door u aangegeven verschil tussen Heidelbergse Catechismus en Nederlandse Geloofs Belijdenis inzake het eten van het lichaam van Christus niet zo ervaar. Ook de Nederlandse Geloofs Belijdenis spreekt van een geestelijk en hemels brood. Er is wel onderscheid. De Heidelbergse Catechismus concentreert zich vooral op de vraag wat er met het brood gebeurt, de Nederlandse Geloofs Belijdenis vooral op de inhoud van het werkelijk eten. Dat de Nederlandse Geloofs Belijdenis hierbij niet denkt aan het brood zelf, wordt duidelijk gemaakt: 'maar de wijze waarop wij dit nuttigen is niet de mond, maar de geest door het geloof. Christus blijft aan de rechterhand Gods en tegelijk en laat toch niet na ons zijns deelachtig te maken door het geloof.'

Tenslotte
Van harte hoop ik dat de gevoerde discussie mag duidelijk maken dat mijn verzet niet rooms van gehalte is, maar heel existentieel schriftuurlijk. Als wij toch mee zouden gaan (Putten: 'wij kunnen niet weg, wij kunnen niet mee'!) dan worden degenen, die belijdenis doen, lid van de VPKN en ook als dienaar van het Woord zet ik dan mijn handtekening onder de nieuwe kerkorde. Dat mag ik alleen doen in waarheid en zo met een gerust geweten. De kerk, zoals de nieuwe kerkorde die mij tekent, is echter niet de kerk zoals ik die in de Schrift getekend vind. Het gaat (om in de context van Calvijn te spreken) niet om de kerk van Engeland, met wie ik een band onderhoud (vorm van federatie), maar om de kerk van Genève, waar ik persoonlijk lid van ben. Daarom kan ik bij de VPKN hooguit denken aan federatie als uiterste en maximale grens en niet aan fusie als minimum-vereiste.

R. van Kooten, Soest

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

De omgang met de belijdenis (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's