Meer dan een droom
Een van de meest bekende dromen uit de geschiedenis der kerk, de droom van John Bunyan, is verwoord in de nog altijd zo geliefde 'Christenreis'. In het laatste nummer van 'The Banner of Truth', het magazine van de uitgeverij van vele goede reformatorische en puriteinse boeken in de angelsaksische wereld, geeft de Schotse predikant Maurice Roberts, de hoofdredacteur, de weergave van twee van zijn dromen. Hier volgt de vertaling van zijn 'editorial', een aangrijpend gezicht vol weemoed en verlangen naar een krachtige doorwerking van Gods genadewerk in een tijd waarin de kerk in diep verval is. Naast de vele verslagen met cijfers en commentaren over de kerkelijke malaise, die onze aandacht opeisen, geeft deze bijdrage ons op een heel indringende eigen wijze te denken en bovenal te hopen. M. A. van den Berg, Groot Ammers
'Ik werd in mijn droom teruggebracht naar de dagen van ouds en neergezet buiten een kerk, gebouwd van ruwe steen en omringd door een kerkhof. Het was kerktijd, want toen ik bij de kerkdeur stond, gingen eenvoudige mensen van die plaats op weg naar Gods huis, geroepen door klokgelui. Oude mannen en vrouwen, zij die in de bloeitijd van hun leven waren met hun kinderen, ze wandelden rustig in groepjes langs. Hun bescheiden kleding en ingehouden conversatie gaven blijk van hun respect voor de Sabbat en verrieden het feit dat zij hun harten aan het voorbereiden waren op de aanbidding van God, reeds voordat zij het huis des gebeds binnengingen.
Toen de kerk vol was, werd ik in mijn droom naar binnen meegenomen en genoodzaakt te gaan zitten op een stoel voor in de kerk, zonder te worden opgemerkt. Geen versiering misvormde het gebouw. Ik zag geen glas-in-loodramen, geen kruis, geen altaar, geen bijgelovig symbool. De houten banken waren netjes gevormd, de muren kaal, de dakbalken sterk en ruw, zoals de kerkgangers zelf. Een galerij achterin was, net als beneden, vol met mensen die stil wachtten op het begin van de dienst. Plotseling hield het klokgelui op en met nauwelijks een tussenpoos ging er een zijdeur open en een groep waardige ouderlingen kwam naar voren om hun plaatsen in te nemen onder de preekstoel. Het laatst van allen kwam de predikant binnen. Hij was een oud man, in het zwart en met witgrijs haar. Zijn rug was een weinig gebogen en zijn gang was langzaam en onzeker. Aller ogen waren op hem gericht toen hij de preekstoeltrap besteeg en het boek opende waaruit Gods lof gezongen zou worden door heel de gemeente. Toen ik naar de oude prediker keek, zag ik dat er een mengeling van ernst en mildheid geschreven was in de lijnen van zijn gezicht. Hij opende het boekje met geestelijke liederen met zijn vingers, die elke bladzijde vol liefde leken te beroeren. Later zag ik, toen hij het Grote Boek voor hem op de lessenaar ging lezen, dat hij elke bladzijde omsloeg met een liefde waarmee men de bladen van een gouden boek zou omslaan.
Toen het gekozen lied was aangekondigd en deels voorgelezen door de prediker, begon de gemeente de lof te zingen van God, Die in de hoogten gezeten is op Zijn troon. Eerst klonk het als de stemmen van mensen. Maar toen de geheiligde psalmodie voortging, werd ik gewaar dat een heerlijkheid het huis begon te vervullen. In mijn droom herinner ik mij dat ik opkeek terwijl het zingen wegstierf, en dat ik zag wat ik zeker eerder niet had gezien: schijnende wezens boven de hoofden der kerkgangers en hoger nog, alsof er een grote schaduw was van de Troon Zelf. Toen ik dit zag, voelde ik een ik weet niet welk ontzag en een stille eerbied. Ik weet zeker dat anderen het ook voelden, omdat ik een verandering over de mensen zag komen, vooral de ouderen, die ongetwijfeld een ervaring van deze zaken in het verleden hadden. Sommigen verborgen hun gezicht in hun handen. Maar toch zag ik dat ze de tranen in hun ogen niet konden verbergen. Het was een heilig ogenblik.
Daarna ging de prediker in gebed. Zijn woorden waren niet geaffecteerd, maar eenvoudig, natuurlijk en vol schriftuurlijke gedachte. Hij richtte zich tot God, als iemand die vertrouwd was om met de Eeuwige God te spreken. Elke zorgvuldige zin droeg een hoge gedachte van de Goddelijke grootheid met zich, alsof hij alleen al van de gedachte aan God wilde genieten met alles wat in hem was. Elke daaropvolgende smeking verlangde naar een onuitputtelijke mate van genade, vergeving en ondersteuning voor heel zijn volk. In mijn droom zag ik een glimp van de val van satans machten toen hij bad en ik dacht dat ik in een visioen het aanbreken zag van die heerlijke dag waarop de Kerk van Christus gereed is en de heerlijkheid aan zal breken. Zijn 'amen' was zo vast en klinkend, dat ik dacht dat de verre hemelen boven de donder lieten horen inet hun instemmend echo. Het hart van het volk was in dat gebed meegekomen, want ik bemerkte dat niet weinigen daar neerzaten met de schoonheid van heiligheid op hun gezichten.
Toen de schriftlezing door de prediker uit het Grote Boek geëindigd was en al het eerdere zingen afgesloten, zag ik dat hij opstond om zijn preek te houden, terwijl het volk zich zette om naar hem te gaan luisteren, als mensen die op het punt stonden een boodschapper van God te horen. Een plechtige stilte kwam over de hele gemeente toen hij zijn tekst aankondigde en voortging om oude en nieuwe schatten uit de Schriften voort te brengen. Ikzelf luisterde naar deze mensenstem, even ernstig als was het een engel geweest, want hij scheen te gloeien naarmate hij dichter tot zijn thema kwam. Inderdaad, zijn broze gestalte werd weer sterk toen hij er echt in kwam en zijn witte haar scheen rond zijn hoofd toen hij de boodschap van zijn Meester verklaarde. Ongeveer na een half uur in zijn preek hield de prediker even stil om rond te zien, vooral naar de jongeren, en hij moest zijn zakdoek nemen omdat zijn ogen vol tranen waren van bewogenheid en vaderlijke liefde. Ik dacht dat zijn hart zou breken bij de gedachte dat hij ook maar één van zijn hoorders niet zou ontmoeten in het hemelse koninkrijk hierboven.
Het was op dat moment dat mijn aandacht getrokken werd door een jongeman, die niet zover van mij vandaan zat. Ik had hem op al eerder opgemerkt, want hij leek een weinig uit zijn element op die plaats. Hij droeg een deftig pak en voelde zich klaarblijkelijk trots op zijn verschijning. Van tijd tot tijd had hij op zijn horloge zitten kijken, als iemand die graag weer buiten het heiligdom zou willen zijn, terug in de wereld. Maar ik had niet direct een bijzondere aandacht voor hem gehad tot dit moment, waarop de prediker begon te wenen vanwege de zielen van de zorgelozen. Toen kwam er een wonderlijke verandering over de jongeman. Net als wanneer een vonk van het smidsvuur zomaar wegvliegt en een hoop droog stro in vlam zet, zo moet een enkele zin van de prediker het jonge hart in brand hebben gestoken, met wondere kracht. In een oogwenk was het gezicht van de jongeling veranderd. Hij was gegrepen door de prediker. Hij vergat zichzelf en heel de wereld. Daarvoor in de plaats zag hij zichzelf bungelen boven een zee van eeuwig vuur en voelde hij de eerste verschrikkelijke knagingen van de worm die voor eeuwig de gewetens zal verslinden van de goddelozen in een andere wereld.
Toen de preek voorbij was, hief de jongeman zijn hoofd op van zijn knieën. Want al die tijd, sinds de verandering in hem begonnen was, had hij het verborgen, zo laag als hij maar kon. Toen ik het weer zag, leek het mij het gezicht te zijn van een nieuw mens. Ik zag nooit eerder in mijn leven een meer gelouterde uitdrukking van enig mens en ik wist dat hij de vrede gevoelde die allen ervaren die verblijven onder de schaduw van de Genadetroon.
Toen de dienst met de zegen was besloten, kwam de eerbiedwaardige predikant langzaam van zijn preekstoel af en de ouderlingen stonden in respect op en iedere man greep zijn hand voordat hij terugging naar zijn vertrek. En zo gingen de mensen rustig naar buiten, sommigen met een hemels schijnsel op hun gezicht, anderen met gebogen hoofd, uit vrees de Goddelijke majesteit te bedroeven, in Wiens huis zij het voorrecht hadden gehad te mogen zitten.
Wat mij betreft, ik wist niet of ik buiten het lichaam was geweest of in het lichaam. Maar mijn hart brandde in mij toen ik opstond, zonder opgemerkt te zijn, om als laatste de kerk te verlaten. Ik trachtte, toen ik wegging, te ontdekken welke kerk het was geweest, waar ik gezeten had en zo'n goede dienst gehad. Maar het lukte me niet er achter te komen. Ik veronderstelde dat het ergens in een puriteinse plaats moet zijn geweest, jaren geleden, of in Nieuw Engeland onder de eerste pelgrims. Of was het in Wales van weleer… of in een Schotse vallei? Ik dacht deels dat het niet uitmaakte, waar ik op aarde was, omdat het een ontmoeting met de eeuwige dingen was geweest. Ik herinner me dat toen ik buiten kwam, de hemel blauw was en de zon heet boven mij. En toen ik aan God dacht, weende ik luid van vreugde.
Deze droom nu had ik enige tijd geleden en ik had niet verwacht hem aan iemand te vertellen, maar ik vertel het nu toch, omdat ik onlangs de hele droom weer opnieuw kreeg, zoals ik nu moet uitleggen.
In mijn tweede droom stond ik buiten de kerk, die ik tevoren zag. Het was Sabbat en op de straat, die nu mooi geplaveid en erg breed was, kwam diezelfde jongeman er aan, over wiens geestelijke verandering ik heb verteld. Maar de jongeling was nu oud geworden en traag. Hij liep moeilijk, met een stok, en in zijn gezicht was een zekere overeenkomst met de eerbiedwaardige prediker, door wiens preek hij de hemelse dingen liefhad mogen krijgen. Bij het hek van de kerk hield hij halt en haalde een sleutel voor de dag om het gebouw binnen te gaan, waarin zijn vaderen God hadden aangebeden. Er waren geen scharen meer om het gebedshuis te vervullen. Verwaarlozing en armoe waren overal te zien. Om de waarheid te zeggen, hij was de enige overgebleven man, die enige zorg besteedde aan deze plaats waar God eens grote aanbidding was gebracht. Maar oorlogen en menselijke ongedurigheid hadden de samenleving veranderd sinds zijn jeugd. De dood had zijn voorvaders ten grave gedragen. Alleen deze oude heilige wilde elke week het huis des gebeds openen uit liefde voor God en de mensen.
In mijn droom volgde ik de man naar binnen en hoorde ik hem zuchten toen hij alle kanten opkeek en mompelde 'Ikabod', alsof hij sprak tot hen die eens met hem medeaanbidders waren geweest. Nog geen twintig personen kwamen samen voor de dienst, die in die plaats slechts één keer per maand werd gehouden en die juist op die dag viel. Wat mij betreft, ik werd genoodzaakt weer te gaan zitten, waar ik ook gezeten had in mijn eerste droom en het was zo heel anders, dat ik wel had kunnen huilen tot mijn ogen dicht zaten. Maar toen ik wachtte tot de dienst zou gaan beginnen, zag ik een jonge man, heel gewoon en alledaags de preekstoeltrap opgaan en zijn gezicht had een dwaze glimlach, die zo'n ongepast contrast was met het gezicht van de oude prediker, die ik in mijn eerste droom gezien had. Geen lichtende wezens kwamen met ons binnen toen we zongen, noch gevoelden wij de schaduw van de Troon boven ons toen wij luisterden naar zijn nieuwe manier van prekenmaken. Alles wat ik herinneren kan was, dat er niets anders in de preek was dan saaie uitleggingen en een paar onvoorbereide opmerkingen die af en toe gelach opwekten. Een paar hoorders lachten, vooral de meest onwetende aanwezigen. Maar ik merkte dat zulk gelach alleen maar een pijnlijke blik veroorzaakte op het gezicht van de oude ouderling. Maar hij verborg het zo goed als hij kon. Hij hoopte het beste van alles en dacht helder en klaar dat hij niet onplezierig moest overkomen op de jongeman, die – zei hij bij zichzelf – nooit de glorie had gekend van de dagen van weleer. Nadat de dienst voorbij was, zag ik dat de oude heilige vriendelijk sprak met iedereen, vooral met de kinderen. Zeer tot mijn verrassing en vreugde, zag ik dat hij niet streng sprak tot de beginnende prediker, maar hij nam uit zijn binnenzak een boek met uitgelezen theologie, dat hij de jongeman vriendelijk vroeg van hem aan te nemen als een geschenk en hij drong bij hem aan op het grote belang van het persoonlijk gebed.
Omdat er niemand anders was om het gebouw te sluiten dan de oude man, wachtte hij tot de kleine schare van mensen helemaal weg was en met evenveel zorg alsof het een paleis was, controleerde hij iedere deur en sloot hij tenslotte de sterke ijzeren poort. Hij ging niet, zoals ik verwachtte, direct naar huis, maar koos zijn weg langs de oude grafstenen tot hij bij de gedenksteen kwam, die de plaats markeerde, waar zijn oude geliefde predikant vele jaren geleden te ruste was gelegd. Hier nam hij zijn hoed af en legde zijn stok tegen de steen. Met moeite ging hij op zijn knieën en ik zag dat hij dat vele keren gedaan moest hebben, want het gras op die plaats was helemaal weg vanwege zijn vele knielen. Boven zijn hoofd was de hemel blauw en de zon scheen warm en helder.
Ik wil dat het me toegestaan was u te vertellen alles wat ik hoorde en dat ik voelde toen de oude heilige zijn gebed uitstortte voor de Eeuwige God, want ik hoorde elk woord in mijn droom, maar ik mag het niet alles herhalen. Maar zoveel mag ik u vertellen: Toen deze man zijn ziel ophief, hoorde ik hem kreunen tot de God van zijn vaderen. Eén zin herhaalde hij alsof zijn hart zou breken: 'Keer weder, keer weder, keer weder, o, hoe lang?' Hij worstelde in zijn gebed als met een engel. Inderdaad, ik geloofde haast dat een engel zou verschijnen, zo luid riep hij en zo diep was zijn zuchten.
Nadat hij zijn gebed gedaan had, stond de man onvast op zijn voeten en greep zijn stok en hoed om naar huis te gaan. En toen hij zich omdraaide om te gaan, hoorde ik en zag ik iets waarvan ik zeker weet, dat hij het zich niet bewust was. Maar ik zag en hoorde het, in mijn droom heel duidelijk. In de verre hemelen kwam de genadige rol van de donder en aan de verre horizon verscheen weer de aanwezigheid van de lichtende wezens die ik in mijn eerste droom had gezien. Toen – ontzagwekkend om te vertellen – over heel dat land verscheen de schaduw van de Troon van Hem Die leeft in eeuwigheid en Die het gebed verhoort.
Of de oude man het wist of niet, ik kan het niet zeggen, maar ik zag dat er een nieuwe morgen zou zijn voor die kerk, zo lang verwaarloosd en vervallen. Zelfs toen ik naar de verre horizon keek, zag ik een glimp van de glorie die komen zou op Gods wijze tijd. En toen ik wakker werd, wist ik: het was meer dan een droom.'
Maurice Roberts
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's