De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

6 minuten leestijd

Dr. M. E. Brinkman: 'God of lot?' (Over de schepper van dood en leven). Uitg. Meinema, Zoetermeer, 1993, 143 blz., ƒ 23,50.
De auteur, die unversitair hoofddocent is van het Interuniversitair Instituut voor Missiologie en de Oecumenica en hoogleraar oecumenisme aan de Katholieke Universiteit Leuven, wil met zijn boek een brug slaan tussen het 'traditionele' geloof van de generatie die met de Heidelbergse Catechismus is opgevoed en de generatie die de 'ontdekking' van de horizontale aspecten van de verkondiging van het koninkrijk Gods in de zestiger en zeventiger jaren heeft meegemaakt en daarom veel minder in individualistische categorieën over het christelijk heil is gaan denken. Hij vindt het daarvoor nu de geschikte tijd, omdat na de 'politieke' zestiger en zeventiger jaren vanaf de jaren tachtig ook weer meer persoonlijke woorden als vergeving, vertrouwen eh doodsverwachting in kerk en theologie op de voorgrond staan.
In zijn boek behandelt de schrijver geloofsvragen die cirkelen rond thema's als Gods voorzienigheid (hoofdstuk I); de raadselachtigheid van de schepping (hoofdstuk II); zonde, schuld en vergeving (hoofdstuk III); kruis en plaatsvervanging (hoofdstuk IV) en dood en opstanding (hoofdstuk V). Deze klassieke thema's uit de dogmatiek zijn volgens Brinkman in meer of minder verhulde vorm ook de centrale thema's in de wereldliteratuur, de film en uiteindelijk in elk mensenhart. In zekere zin dus tijdloos. Het boek boeit ontegenzeggelijk door deze aansprekende thema's. De auteur heeft daarbij de gave zijn lezers bij het onderwerp te betrekken en tot meedenken te prikkelen. Al lezend wordt duidelijk, dat de schrijver bij de vraag: God of lot, kiest voor de eerste. Maar dan gaat natuurlijk de vraag dringen hoe God is betrokken bij alles wat er gebeurt. De ondertitel van het boek verraadt daarbij al veel van de lijn waarop de auteur denkt. In het hoofdstuk over Gods voorzienigheid probeert de auteur een weg te vinden om uit te komen boven het dilemma: òf God bestiert van a tot z alles, òf het noodlot slaat voortdurend toe. Hij vindt die in de concrete weg die Mozes met zijn God gaat. Een weg vol vreugde èn verdriet, vol teleurstelling èn bemoediging. Altijd maar weer stond God naast hem èn tegenover hem. Ook wij kunnen onze levensweg met God niet anders formuleren dan in lofzang èn klacht, in troost èn woede, in verlangen èn ontzetting. Brinkman ziet het geloof in Gods voorzienigheid vooral als geheim van de stilte van ons hart. Het sluit het woedende protest en de felle aanklacht niet uit. Voor hem wil Zondag 10 uit de Heidelbergse Catechismus niet veel meer zeggen dan zoiets als: mijn God pakken ze me niet af Mijn vraag aan Brinkman is waarom hij aan de vraag naar het lijden niet de schuldvraag vooraf doet gaan. Vanuit dat besef werd Zondag 10 geschreven. Dan komt het geloof in Gods voorzienigheid er toch nog wat anders uit te zien.
In hoofdstuk II gaat het over de raadselachtige schepping, over het ambivalente in de natuur. De natuur is zowel verrukkelijk als verschrikkelijk. Hoe heeft God met beide te maken? Ook hier wil Brinkman geen van beide genoemde aspecten losmaken van God. Hij kiest voor de gedacht dat de schepping wel goed maar nog niet volmaakt is. De boni tas is nog geen perfectio. De goedheid van de schepping moet worden gezien als potentialiteit, als wat nog tot ontwikkeling kan komen. Vanwege de bonitas heeft de schepping echter wel de belofte van een komende perfectio. Dat neemt niet weg dat veel veranderingen in de natuur zich in pricipe zowel ten goed als ten kwade kunnen ontwikkelen. Elke verandering heeft daarom ook altijd iets bedreigends. Maar de gelovige vertrouwt dat God de Vader, de schepper van hemel en aarde. Zijn werk voltooien zal. Ook hier drukt weer het bezwaar dat Genesis 1 over een goede schepping en Genesis 3 over een gebroken schepping niet echt aan de orde komen. Wie deze en andere gegevens wel laat gelden deelt niet het optimisme van de auteur. Die gelooft wel dat God Zijn werk zal voltooien, maar door het gericht heen.
Ook in het hoofdstuk over zonde, schuld en vergeving vroeg ik me af of niet alles erg ondiep is geworden, doordat een en ander niet nadrukkelijk wordt geplaatst in het licht van zondeval en schuld tegenover God. Hoezeer het valt te waarderen dat aan de genoemde woorden hernieuwde aandacht wordt gegeven, toch biedt hier het bijbelse humanisme dat de auteur voorstaat, niet echt uitkomst. Het weet nog wel raad met oude woorden als 'geneigd tot alle kwaad' uit Zondag 2 van de Heidelbergse Catechismus, maar niet met het 'ganselijk onbekwaam tot enig goed' uit diezelfde zondag. In het hoofdstuk over kruis en plaatsvervanging wordt datzelfde gemis gevoeld. Het woord genade kan m.i. daarom in dit hoofdstuk niet op bijbelse diepte komen. En het kruis ook niet. In het hoofdstuk over dood en opstanding ontleent de auteur verschillende gedachten aan het bijbelboek Prediker. Of hij Prediker daarbij in zijn diepste intentie recht doet, is maar de vraag. De auteur stelt bijvoorbeeld dat Prediker een soort 'Pluk de dag'mentaliteit zou propageren. Maar wordt dan de ernst wel voldoende gehonoreerd waarmee Prediker wijst op het komen in Gods gericht? We volgen de schrijver ook niet, wanneer hij zegt dat de opstandingsverhalen als het ware inzitten tussen het ene uiterste: dood is dood, en het andere uiterste: we staan precies zo weer op als we ook geleefd hebben. Hij stelt: Het niet-wezenlijke valt weg; een 'samenraapsel' van het wezenlijke blijft over, hetgeen niet geheel onherkenbaar zal zijn. Ik denk niet dat de bijbel zo over de opstanding spreekt. De bijbelse gegevens doen mij denken aan een opstandingslichaam dat juist ver is uitgetild boven dat 'iets' wat tussen die door de auteur genoemde uitersten inzit. De auteur beoogde met dit boek een brug te slaan. Is hem dit echt gelukt? Op grond van het bovenstaande meen ik van niet. De 'oude' woorden moeten dieper worden gepeild om echt tot hun recht te kunnen komen. Daar hebben ze gezien hun bijbelse lading recht op. Dat neemt intussen niet weg, dat ik de lezing van dit boek graag aanbeveel.
P. Vermeer, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's