Samen op Weg heeft ondeugdelijke basis
Op zaterdag 9 april l.l. werden door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond zes regionale ambtsdragersvergaderingen belegd in verband met het Samen op Weg-proces. Tijdens die bijeenkomsten (in Apeldoorn, Barneveld, Gorinchem, Goes, Woerden en Zwolle) werd dezelfde lezing uitgesproken. Bijgaand treffen de lezers de volledige tekst ervan.
We spreken vandaag niet over de noodzaak van kerkelijke eenheid op zich. De verdeeldheid, die het lichaam van Christus vertoont over de hele wereld en zeker ook in ons land, is schuld en nood. Toch spreken we daar vandaag niet over, want dan moeten we eigenlijk het hele palet van kerken in Nederland daarbij betrekken. En daar gaat het niet om in 'Samen op Weg'. Samen op Weg is enerzijds niet een wat men tegenwoordig noemt 'oecumenisch gebeuren' – daarvoor is het te beperkt – het is anderzijds niet een op de Schrift gefundeerd eenheidsstreven, daarvoor is het teveel uit de nood geboren. In 'Samen op Weg' gaat het om het samengaan van slechts drie kerken. Dus het is eigenlijk min of meer een incident, een zeer beperkt eenheidsstreven.
We proberen u vandaag allereerst een doorkijkje te geven in de ontwikkeling van het proces tot heden. We willen u schetsen de stand van zaken op dit moment. En we willen graag met u ingaan op de bezwaren, die van de zijde van de Gereformeerde Bond zijn aangegeven inzake de kerkorde, die voorligt, en tegen het proces van hereniging als zodanig.
Samen op Weg
Het gaat om het samengaan van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch Lutherse Kerk. De derde, de Evangelisch Lutherse Kerk laten we eerst even buiten beschouwing, omdat deelname daarvan eigenlijk van recente datum is.
Samen op Weg is vooral het proces van samengaan van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, sinds meer dan een eeuw uiteen.
We roepen ons even in herinnering de vorige eeuw toen de Nederlandse Hervormde Kerk vanwege allerlei wind van leer, die binnen haar gevonden werd, twee grote afscheidingen moest ondergaan: één in 1834 en één in 1886. Uit 1834 is een groot aantal kerken voortgekomen, die we vandaag nog kennen. In 1886 vond de grote Doleantie plaats, geleid door Abraham Kuyper. In 1892 is er nog een vereniging geweest van kerken, die kwamen uit de Afscheiding en kerken van de Doleantie. Toen zijn eigenlijk de Gereformeerde Kerken ontstaan, zoals wij die vandaag nog kennen. Terzijde van die vereniging zijn toen gebleven de Christelijke Gereformeerde Kerken.
We gaan nu niet verder in op allerlei afsplitsingen, die later hebben plaatsgevonden, maar we moeten constateren, dat de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken na 1892 volstrekt gescheiden van elkaar leefden.
In de vooroorlogse jaren was het in feite zo, dat vanuit de Gereformeerde Kerken veelvuldig werd gezegd: als men echt gereformeerd wil zijn, in de zin van de gereformeerde belijdenis, het gereformeerde geloof, dan kan men eigenlijk geen deel uitmaken van de Nederlandse Hervormde Kerk, dan moet men zich van haar afscheiden. Een standpunt, dat vandaag ook nog wordt gehuldigd door de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en andere kerken uit de Afscheiding.
In ieder geval leefden deze twee kerken van elkaar gescheiden.
De eerste voorzichtige contacten zijn pas gekomen na 1951. Toen heeft de Hervormde Kerk haar nieuwe kerkorde gekregen. Toen deze kerkorde was aangenomen, is de Hervormde Kerk daarmee uitgekomen van onder het juk van de zogeheten 'Regelementenbundel' van Koning Willem I en werd ze weer een vrije, zelfstandige kerk in onze samenleving, die naar binnen toe en naar buiten toe een belijdende kerk zou zijn. In artikel X van de kerkorde werd uitgesproken, dat de Hervormde Kerk zou leren en handelen in gemeenschap met de belijdenis der vaderen. Het is goed, dat we daar even iets van zeggen, omdat het bij de beoordeling van het Samen op Weg-proces terugkomt.
'In gemeenschap met de belijdenis der vaderen.' Daarbij werden genoemd de concrete belijdenisgeschriften: de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Dordtse Leerregels en de Catechismus van Genève en de oud-christelijke belijdenissen. Het is eigenlijk een wonder geweest, dat aanvankelijk die formulering 'gemeenschap met de belijdenis der vaderen' op de synode met algemene stemmen werd aanvaard. Toen daarna echter de discussie verder ging in de kerk, hebben de vrijzinnigen gezegd: gemeenschap met de belijdenis der vaderen kan voor ons niet betekenen, dat wij het met die belijdenis eens zijn; dat zó onze belijdenis nog is, zoals die in de zestiende eeuw is opgesteld. We zijn drie eeuwen verder, we moeten andere dingen belijden, we moeten misschien anders belijden. Eerbied voor de belijdenis vanwege de váderen, dat wel! Zij hebben in hun tijd zó verstaan, wat we geloven en belijden zouden. Maar wij zijn moderne mensen, dus gemeenschap met de belijdenis kan niet betekenen, dat het zo ook echt onze belijdenis vandaag nog is. Toen kregen we de scherpe discussies in de kerk over de vraag of het wel voldoende was, als we zeiden: 'in gemeenschap met de belijdenis'. Toen werd met name uit de kring van de Gereformeerde Bond bepleit, dat de kerk zou formuleren: 'in overeenstemming met de belijdenis der vaderen'. Zo, zoals onze vaderen het beleden hebben in hun belijdenissen, zo belijden wij het vandaag ook. Groen van Prinsterer zegt:
'De Formulieren zijn, als historische en rechtmatige belijdenis der kerk, vereenzelvigd met haar bestaan. De belijdenis der kerk is uitdrukking van haar geloof, een vorm van haar geest, een belichaming van haar ziel. Ze is onvernietigbaar, niet omdat zij op papier is geschreven, maar omdat zij, gelijk de geschiedenis uitwijst, ook in de Nederlandse kerk, de enige leer en band der gemeente en dientengevolge, de aangenomen regel van prediking en onderwijs is geweest. De kerk heeft de waarheden in haar symbolische schriften vervat, niet aangenomen, omdat zij in de Formulieren staan, maar zij staan in de Formulieren omdat de kerk ze aangenomen heeft; omdat zij die met Gods Woord overeenkomstig acht; omdat zij vrede en troost daarin vindt; omdat zij de tegenovergestelde leringen als gevaarlijke wanbegrippen, met haar geloof strijdig, met haar godsdienstoefening onverenigbaar, veroordeelt en verbant. En zo is het kenmerk van een kerk de leer die zij belijdt.'
Uiteindelijk werd toen op de synode in 1951, met de stemmen van de hervormd gereformeerden tégen, de kerkorde aangenomen. Het was dus ook toen niet mogelijk om met algemene stemmen de toen voorliggende kerkorde te aanvaarden. Nochtans hebben ook hervormd-gereformeerden eronder geleefd tot op vandaag.
Waarom halen we dit op? Omdat de Gereformeerde Kerken in die jaren ook met de vraag geconfronteerd werden: Zou de Hervormde Kerk nu weer echt een belijdende kerk worden in de zin van haar belijdenis? En zou dat voor ons geen consequenties moeten hebben? Maar, minstens zo scherp als door de hervormd gereformeerden bezwaren op tafel werden gelegd, werd toen door de gereformeerden bezwaar gemaakt. Ook zij hebben toen gezegd: dit is een te ruime formulering; ze zeiden dit, omdat gemeenschap mèt de belijdenis kennelijk geen binding áán de belijdenis betekende.
Er is toen in de vijftiger jaren een hervormd/gereformeerd gesprek gevoerd, waaraan werd deelgenomen door theologen uit de Gereformeerde Kerken en theologen uit de Hervormde Kerk. Uit dat gesprek is een boekje voortgekomen. Het is eigenlijk één aanklacht van gereformeerde zijde tegen de Hervormde Kerk: een kerk zonder tucht, een kerk, die haar belijdenis niet ernstig neemt, een kerk waar alles kan en waar alles mag: met zo'n kerk kunnen wij niet samen!
In de zestiger jaren evenwel, in 1961, is er de oproep geweest van de zogeheten achttien, tweemaal negen jonge theologen uit de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken. Zij hebben gezegd: 'de gescheidenheid van deze twee Reformatorische Kerken kan niet langer worden geduld'. De twee kerken moeten één worden. We kunnen het niet langer aan de wereld verkopen, dat deze twee kerken gescheiden van elkaar leven. Die breuk moet ongedaan gemaakt worden.
In die jaren zei dr. A. A. Koolhaas, praeses van de hervormde synode, dat, wanneer het toen niet zou gebeuren, men zich moest afvragen hoe het over dertig jaar nog wèl zou gebeuren; of het dan nog wel op een verantwoorde wijze zou gebeuren. Waarom zei hij dat zo? Omdat de Gereformeerde Kerken toen nog aangesproken konden worden op haar eigen belijdenissen. Er was toen echter kennelijk in de zestiger jaren al één en ander aan de hand binnen de Gereformeerde Kerken.
In 1971 begint eigenlijk het 'Samen op Weg-proces', zoals we dat vandaag kennen. Aan het eind van de zestiger jaren leek de oproep van de achttien verzand te zijn. Ds. F. H. Landsman riep toen vertwijfeld op een synode uit – hij was secretaris generaal van de Hervormde Kerk – met tranen in de ogen: 'Het is voorbij, het vlammetje is gedoofd, het wordt helemaal niets meer'. Hij zei dat met grote en diepe spijt.
In 1971 was er echter toch opeens een combisynode, een gecombineerde vergadering van de hervormde synode en de gereformeerde synode. Toen is het begonnen. In de gemeenten dacht men in het algemeen: het zal onze tijd wel duren, het is ver genoeg van ons af, dat zoekt men in de hogere regionen maar uit. Het leefde eigenlijk helemaal niet in de gemeenten. Vanaf dat moment is echter wel het denkproces begonnen om de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken één te doen zijn.
Pas in 1981 ontstond in de kerk een schrikeffect. Toen werd eigenlijk een planning gemaakt voor de voortgang van het proces en toen schrok men. Toen werd de suggestie gewekt, dat in 1986 alles zo ongeveer geklaard zou zijn. Hoe zou dat weliswaar kunnen, als er nog zo weinig van zichtbaar was in de gemeenten?
Inderdaad is echter in 1986 iets heel wezenlijks gebeurd. Toen hebben de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken uitgesproken onomkeerbaar 'Samen op Weg' te zijn. Ze hebben gezegd, dat ze 'in staat van hereniging' waren. Niet dat ze één waren, maar dat ze in staat van hereniging waren, op weg naar eenheid. Die eenheid zou groeien, maar men was onomkeerbaar op weg naar eenheid.
Vóórdat die uitspraak gedaan werd, heeft men de gemeenten geraadpleegd in beide kerken. Dat heeft een uitermate verrassend beeld te zien gegeven. Bij die raadpleging zei zestig procent van de hervormde gemeenten – voor zover ze geantwoord hebben – 'ja', veertig procent zei 'nee'. Men kon dat 'ja' en 'nee' nog nuanceren met 'nee-tenzij' of 'ja-mits'.
In de Gereformeerde Kerken zei achtentachtig procent 'ja' en slechts twaalf procent 'nee'. We roepen dan weer in herinnering de vijftiger jaren, toen de gereformeerden unaniem en massief 'nee' zeiden tegen samengaan met de Hervormde Kerk, omdat haar kerkorde te ruim, te vaag, te weinig belijnd was.
We zouden wel eens willen zien, hoe nú de getallen liggen, als er nu weer zo'n raadpleging zou plaatsvinden. Vandaag vinden we in de Gereformeerde Kerken nauwelijks, we mogen wel zeggen geen verzet meer tegen Samen op Weg. De recent uitgegeven brochure 'OpStap' van de rechterflank (!) van de Gereformeerde Kerken, het Confessioneel Gereformeerd Beraad is daar een bewijs van. Men neemt er genoegen mee dat men een gereformeerde kerk achter zich laat. Het verzet tegen Samen op Weg zit in de Hervormde Kerk en neemt daar eerder toe dan af Dat blijkt ook uit het breed gedragen Hervormd Pleidooi, dat dezer dagen verscheen en waarin wordt gepleit voor voortbestaan van de historische Hervormde Kerk.
Evenwel is in 1986 wel vastgesteld, dat de twee kerken in staat van hereniging waren. Er is toen echter wel bij geformuleerd, dat er geen dwang zou mogen worden uitgeoefend. Alles zou langs de weg van vrijwilligheid gaan. Alles wat samen ging heette 'gefedereerd'. Wat houdt dat in? Als twee gemeenten of wijkgemeenten besluiten om samen te gaan is er sprake van een gefedereerde gemeente. Het hervormde deel en het gereformeerde deel blijven daarin herkenbaar. Men beroept gemeenschappelijk een hervormde of een gereformeerde predikant. Er is ook een kerkorde voor, een zogeheten tussenorde. Voor die gefedereerde gemeenten is alles bij tussenorde geregeld. Die orde is eigenlijk niet meer dan een geheel van bepalingen om zulk een federatief samengaan mogelijk te maken. Het aantal gefedereerde gemeenten in Nederland bedraagt vandaag ongeveer driehonderd. Het proces zou langs de weg van federatie dus verder gaan. Het zou ook nog een hele tijd kunnen duren alvorens de twee kerken één waren. Geen dwang! Dat is toen ook uitdrukkelijk geformuleerd.
Er werd wèl ook vastgesteld, dat er een nieuwe kerkorde zou komen. Dat er in ieder geval een ontwerp zou worden gemaakt voor een kerkorde, voor het geval die ene kerk er zou komen. Er is toen een aantal jaren gediscussieerd over de vraag, hoe dat nu zou moeten. De gereformeerden wilden een kerkorde naar gereformeerd model: een lege huls, die langzaam wordt opgevuld met allerlei bepalingen, met regels voor het praktische, kerkelijke leven. Is die huls vol met regels, dan is er een kerkorde: eigenlijk ook één kerk. Zo wilden gereformeerden al regelgevend naar een nieuwe kerk toe groeien.
Van hervormde zijde werd een orde naar hervormd model bepleit. Een kerkorde is veel méér dan een verzameling van regels en bepalingen. Een kerkorde is ook een theologisch document, waarin de kerk zegt hoe ze belijdt, hoe ze de ambten, de sacramenten ziet, kortom hoe het hele kerkelijke leven belijdend gezien wordt. Zo zit de hervormde kerkorde van 1951 in elkaar.
Uiteindelijk is na een paar jaar geharrewar, gekozen voor die hervormde weg. Er zou op die manier een kerkorde komen naar hervormd model. Zo is een commissie aan het werk gegaan. Toen men gereed was, is men met het pan-klare ontwerp naar buiten getreden, nu ruim twee jaar geleden. Toen werd het opeens publiek en ontstonden allerwegen brede en scherpe discussies. Wéér een schrikeffect. Waarom? Wel, toen werd weer de suggestie gewekt: nu hebben we dus kennelijk al bijna een nieuwe kerk. De kerkorde was echter niet meer dan een document, opgesteld door één commissie, waarin verwoord werd, wat de basis zou zijn van die nieuwe kerk, als die er komen zou. Daarover nu heeft zich een zeer principiële discussie voltrokken in de afgelopen jaren. Het resultaat is geweest, dat op de afgelopen trio-synode (november 1993) deze kerkorde in eerste lezing is aanvaard, maar dan wel met de stemmen van een brede flank van de Hervormde Kerk tegen. Alle hervormd-gereformeerden hebben tegengestemd, samen met een aantal confessionelen. Het hele rechterdeel van de hervormde synode heeft 'nee' gezegd tegen deze kerkorde. De Gereformeerde Kerken echter hebben op hun synode unaniem deze kerkorde aanvaard. Datzelfde geldt voor de Evangelisch Lutherse Kerk.
Waar is het verzet tegen deze kerkorde op terug te voeren?
We noemen twee hoofdlijnen.
Het belangrijkste bezwaar betreft het belijdende karakter van de nieuwe kerk, die wordt beoogd. Dat wordt in het eerste deel van de kerkorde onder woorden gebracht, in het grondslagartikel. Op het eerste gezicht zou men zeggen, dat die niet zoveel anders is dan wat de hervormde kerkorde van 1951 zegt. De hervormde kerkorde van 1951 belijdt 'in gemeenschap met de belijdenis der vaderen'. Nu wordt ook gezegd: 'belijden in gemeenschap met…'; maar nu 'in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht'. Niet meer alleen de vaderen; dit vanwege de moederen. Op zichzelf is tegen dit laatste geen bezwaar. Het belijden is inderdaad het belijden van het voorgeslacht; mannen en vrouwen hebben samen beleden. Men heeft dit dan nu zo ook vastgelegd: 'in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht'. Als zodanig lijkt er niet zoveel verschil te zijn met de kerkorde van 1951. Toch moeten we zeggen, dat deze kerkorde juist hier een aantal treden lager staat dan de hervormde kerkorde van 1951. Dat heeft te maken met de waarde, die we nog kunnen toekennen aan de uitdrukking 'gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht'.
Lutheranen
Als de belijdenissen genoemd worden, gaat het weliswaar wéér om de Heidelbergse Catechismus, de Dordtse Leerregels, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Catechismus van Genève en verder de oud-christelijke belijdenissen, zoals het Apostolicum; de bekende klassieke belijdenissen dus.
Maar nu zijn ook opgenomen enkele belijdenissen van de Lutheranen. In 1988 zijn de Lutheranen gaan meedoen. Dat heeft het Samen op Weg-proces inhoudelijk gecompliceerder gemaakt. Er kwam nog een derde kerk bij, een kleine kerk, met dertigduizend zielen, die is aangeschoven bij het proces louter uit lijfsbehoud. De Evangelisch Lutherse Kerk kan niet langer op zichzelf bestaan en heeft het nodig om op te gaan in een groter geheel.
Intussen werd bij het opstellen van de kerkorde nu ook helemaal rekening gehouden met de deelname van de Lutheranen. Men moest twee tradities uit de geschiedenis bij elkaar brengen. Hervormden en gereformeerden komen beide uit de traditie van de Gereformeerde Kerk in dit land. De lutheranen zijn vanaf de Reformatie een apart spoor gegaan, met andere belijdenissen, en zijn ten opzichte van de gereformeerden onderscheiden. Om dat te ondervangen werden ook belijdenissen van de lutheranen opgenomen in deze nieuwe kerkorde, onder andere de onveranderde Augsburgse Confessie. Ook werd opgenomen de zogenaamde Konkordie van Leuenberg, een belijdende verklaring uit de zeventiger jaren, in Europa opgesteld in Leuenberg, in een poging om de lutherse en de gereformeerde traditie bij elkaar te brengen, althans om gemeenschappelijk een aantal kernnoties te verwoorden. Dit geschrift uit de zeventiger jaren heeft echter nooit in de hervormde kerkorde, of wèlke kerkorde dan ook, een plaats gekregen. Nu is het echter opgenomen in de kerkorde voor de nieuwe kerk. Dáár nu kwam het probleem. Samen met de Dordtse Leerregels namelijk werd ook deze Konkordie van Leuenberg opgenomen. Die twee verdragen elkaar niet. In de Dordtse Leerregels, oftewel de artikelen tegen de Remonstranten, gaat het voor een belangrijk deel over de uitverkiezing. En waar sprake is van verkiezing, daar is ook sprake van verwerping.
Wanneer we iets uitkiezen, betekent het ook, dat we andere dingen terzijde laten. Verkiezing hangt samen met verwerping. De Dordtse Leerregels zeggen weliswaar, dat we daar niet louter verstandelijk over moeten spreken; dat moeten we niet allemaal verstandelijk uitpluizen, we moeten ook niet over die verwerping op dezelfde wijze spreken als over de verkiezing. God verkiest in zijn genade. Maar waar Hij verkiest, daar verwerpt Hij ook. Er zit wel een dubbele kant aan; er is een dubbele predestinatie: verkiezing en verwerping. De Dordtse Leerregels belijden dit. De Konkordie van Leuenberg verwerpt dit. Die verwerpt dat dubbele. In het stellen van de verkiezing alléén, wordt de verkiezing vrijwel algeméén. Er is wel verkiezing, maar geen verwerping. Dat hangt impliciet samen met het zicht op de verzoening.
In ieder geval is het zo, dat waar de Dordtse Leerregels pogen om het geheimenis van Gods verkiezing belijdend te verwoorden en daarbij ook de verwerping stellen, de Konkordie van Leuenberg deze spanning er helemaal heeft uitgehaald, zodat de verkiezing alleen overblijft en deze eigenlijk vrij algemeen wordt gesteld.
Daarom is van hervormd-gereformeerde zijde gesteld, dat het uitgesloten is om de Konkordie van Leuenberg op te nemen, als men er Dordt ook in handhaaft. De remonstranten zeiden precies hetzelfde. De remonstranten hebben een paar jaar meegedaan als waarnemers bij het proces. Die zeiden echter, dat, als men Leuenberg opneemt, men Dordt niet kan laten staan. Dus zowel hervormd-gereformeerden als remonstranten hebben gezegd, dat het één zich niet verdraagt met het ander. Ze zeiden het vanuit heel verschillende invalshoeken uiteraard, maar ze zeiden wel hetzelfde.
Wat willen we hiermee zeggen? Wel, dat, wanneer nu gesproken wordt over 'gemeenschap me de belijdenis', kennelijk al bij voorbaat te concluderen valt, dat het niet betekent, dat men zich in die belijdenissen ook hèrkent en dat men die belijdenissen ook echt als eigen geloofsbelijdenissen wil zien. Als men belijdenissen opneemt, die elkaar tegenspreken, betekent het eigenlijk: we hebben respect voor al die geschriften, maar ze mogen elkaar best tegenspreken. Vandaag belijden we toch eigentijds. Men heeft wel de Konkordie van Leuenberg, in een te waarderen poging om aan de bezwaren tegemoet te komen, apart gezet van de klassieke belijdenissen. Maar overigens is de teneur, dat de belijdenisgeschriften naar hun inhoud toch niet onze geloofsbelijdenissen behoeven te zijn. Daarom is de formulering: 'gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht' een duidelijk afgezwakte formulering ten opzichte van de kerkorde van 1951.
Deze kerkorde vertaalt zichzelf heel duidelijk in de richting van een zeer ruime, plurale (veelvoudige) kerk, waar belijden heel ruim en verschillend kan worden geïnterpreteerd. Als zodanig is de kerkorde, die voorligt, aanmerkelijk zwakker, want ruimer, dan de hervormde kerkorde van 1951.
Het tweede bezwaar – en dat heeft direct met het eerste te maken – is, dat de kerkorde, die nu voorligt, eigenlijk een groot manco heeft als het gaat om het verbond. Dat komt tot uitdrukking in de wijze, waarop gesproken wordt over de doop, de belijdenis en het avondmaal. Er zit in de gereformeerde opvatting een nauwe verbinding tussen doop, belijdenis en avondmaal. Doop, belijdenis en avondmaal vinden plaats binnen het kader van het verbond. Het is hier niet de plaats om uitvoerig over het verbond te spreken, maar we moeten in alle eerlijkheid zeggen, dat het verbond nog slechts zwak doorklinkt in de kerkorde, die nu voorligt. De Kerk zelf wordt al niet gefundeerd in het verbond. Terwijl Gods Verbondstrouw ook voor hervormd-gereformeerden doorslaggevend is geweest om te blijven in de Hervormde Kerk toen anderen heengingen.
Daarom wordt bijvoorbeeld de kinderdoop óók niet als hèt beslissende genoemd. Men laat het open. De kinderdoop wordt uiteraard ook gesteld als mogelijkheid, maar náást de volwassendoop. Daarbij gaat het niet alleen over volwassendoop als zodanig. Volwassendoop erkennen wij ook, maar een gereformeerde kerk kiest, op grond van het verbond, vóór het primaat van de kinderdoop. Dat gebeurt nu niet meer.
In deze kerkorde wordt ook niet meer principieel gekozen voor het doen van geloofsbelijdenis alvorens men tot het avondmaal wordt toegelaten. Ook kinderen kunnen tot het avondmaal worden toegelaten.
Men kan ook tot het ambt worden toegelaten zonder eerst op de gebruikelijke wijze openbare belijdenis des geloofs te hebben afgelegd. Dat heeft alles te maken met de wijze, waarop men nu tegen de gemeente en mitsdien ook tegen het verbond aankijkt.
Concluderend moet worden gezegd, dat, in vergelijking met de hervormde kerkorde van 1951, deze kerkorde veel meer 'van onderop' is, niet vanuit de toezeggingen Gods. Het ambt moet dan ook vooral in overleg met de gemeente functioneren.
Hoe mogelijk?
Hoe is dat allemaal zo gekomen? Hoe is het mogelijk geworden, dat de Gereformeerde Kerken, die in 1951 'néé' zeiden tegen de hervormde kerkorde, nu zo samen op weg willen met een zelfs verder afgezwakte kerkorde. Dat heeft alles te maken met de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken zelf. We hebben er geen enkele behoefte aan om met stenen te gooien naar andere kerken, ook niet naar de Gereformeerde Kerken, om de eenvoudige reden, dat we aan het eigen hervormde huis genoeg hebben. De moderne richting in de vorige eeuw bijvoorbeeld heeft korte metten gemaakt met het meest heilige, met de heilsfeiten, de wonderen. Er bleef eigenlijk niets meer te geloven over. Men heeft de kerk verwoest, naar binnen en naar buiten. De uitwerking ervan is tot vandaag in allerlei gemeenten en in allerlei gebieden merkbaar. We hebben aan eigen kerk genoeg. Maar hebben niet juist, vanwege die ontwikkelingen, de Gereformeerde Kerken zich in het verleden afgescheiden van de Hervormde Kerk?
Het is dan intussen wel bitter om te moeten constateren, dat het in confessioneel opzicht verlichte nazaten van de Doleantie zijn, die met de hervormden samengaan. De Gereformeerde Kerken versterken het confessionele element niet. De Verenigde Protestantse Kerk in Nederland zal gedomineerd worden door een verbrede en versterkte midden-orthodoxie.
Gereformeerden komen nu op een gans andere wijze terug – voor zover men al van terugkomen spreken kan – dan ze zelf zijn weggegaan in 1886. Dat heeft te maken met hun theologische ontwikkelingen na 1951.
Om één moment te noemen. In het begin van de zestiger jaren hield prof. dr. J. Lever van de Vrije Universiteit lezingen voor de radio over het evolutievraagstuk, onder de titel 'Waar blijven we?' Hij was hoogleraar in de biologie aan de Vrije Universiteit. Hij is toen voorzichtig de evolutietheorie gaan introduceren binnen de Gereformeerde Kerken. Aan de Vrije Universiteit was men daar altijd tegen gekant. Men heeft vóór 1951 folders uitgegeven, waarin studenten werden opgeroepen om naar de VU te komen, omdat dat een instituut was, dat z'n studenten argumenten verschafte tégen de evolutietheorie. Lever heeft die positiekeuze mede omgebogen. Hij heeft de evolutietheorie aanvaard, met als gevolg: een ander zicht op de eerste hoofdstukken van Genesis.
In die tijd hield ook dr. H. M. Kuitert radiolezingen onder de titel: 'Verstaat gij, wat gij leest?' Daarin knoopt hij aan bij die 'ontdekking' aan de Vrije Universiteit, dat we de evolutietheorie moeten gaan aanvaarden. Hij zei, dat dit betekent, dat we de Bijbel op een heel andere manier moeten gaan lezen. 'Verstaat gij wat gij leest?' Hij kwam tot een pleidooi voor een ander Schriftverstaan.
Nu een grote sprong in de geschiedenis tot op vandaag.
Vandaag schrijft Kuitert zijn boek: 'Het algemeen betwijfeld christelijk geloof'. Daarin wordt afgerekend met de gedachte, dat de Bijbel het boek is van Gods Openbaring. In feite wordt afgerekend met ook heel wat andere geloofswaarheden en zijn we, zij het in andere vorm, weer terug bij wat in de vorige eeuw in de Hervormde Kerk modemisme heette. Ook vandaag worden vraagtekens gezet achter het gezag van de Bijbel. Vandaag zeggen we 'algemeen betwijfeld christelijk geloof'. Er is ook uit de Gereformeerde Kerken een rapport over het Schriftgezag verschenen, getiteld 'God met ons', dat niet meer gereformeerd genoemd kan worden.
Dáárom is het zo, dat vandaag de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken samen kunnen in de ruime formulering 'gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht'.
Prof. dr. C. Graafland heeft in deze gesproken van 'de vrije val' van de Gereformeerde Kerken. Hij noemde die uiterst ernstig, ook met betrekking tot de prediking. Enkele weken geleden was er in Amsterdam een breed beraad voor hervormde en gereformeerde theologen over 'Samen op Weg'. Toen die uitdrukking 'vrije val van de Gereformeerde Kerken' ter sprake kwam, zei daarna een hoogleraar van de Gereformeerde Kerken: 'dit is geen vrije val van de Gereformeerde Kerken. Wij zijn bevrijd uit onze val'. Met andere woorden, zoals wij het vóór de oorlog deden, dàt was onze val. Daaruit zijn we nu bevrijd.
Zo gaan wij 'Samen op Weg'. Dàt betekent het vandaag als we zeggen: 'gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht'. Daarom is er breed verzet gerezen tegen deze kerkorde binnen de Hervormde Kerk.
De komende tijd zal blijken welke uitwerking dat brede verzet zal hebben.
Stand van zaken
Intussen gaat het behalve over deze kerkorde ook over het Samen op Weg-proces op zich. Wat is nu de feitelijke stand van zaken van het proces? Er is een zogeheten Kaski-rapport gekomen, waarin cijfers staan over de vraag hoe het proces gevorderd is in de gemeenten.
Tweeëntwintig procent van de hervormde gemeenten, een vijfde deel, heeft een 'verregaande vorm van samenwerking', zoals dat heet in het rapport.
Vijfendertig procent, een derde deel, heeft geen enkele vorm van samenwerking, is niet 'Samen op Weg'.
Dan zit er een grijs deel tussenin, dat is vierenveertig procent. Daar heeft men 'enige vorm van samenwerking'. Enige vorm van samenwerking kan betekenen, dat men eigenlijk al aardig ver gevorderd is om een gefedereerde gemeente te worden. Het kan gewoon ook betekenen, dat men één keer per jaar samen een kerstviering heeft of één keer per jaar een evangelisatiebijeenkomst of dat men zo af en toe op kerkeraadsniveau gesprekken heeft, ook al zijn dat soms zeer kritische gesprekken.
Wanneer er in een gemeente op enigerlei wijze contact is met elkaar, wordt de gemeente ingeschaald bij de vierenveertig procent, die enige vorm van samenwerking heeft.
De cijfers zijn intussen soms heel rooskleurig belicht vanuit de organen van 'Samen op Weg'. Ze zijn echter ook heel kritisch belicht. Eerlijke analyse van de cijfers – prof. dr. G. Dekker, de godsdienstsocioloog heeft daarover een uitgebreid artikel in Trouw geschreven – zeggen, dat 'Samen op Weg' er in de gemeenten slecht voorstaat. Er zijn inderdaad heel wat gemeenten, waar het samengaan wèl gaat en waar men het wil, maar een groot deel van de Nederlandse Hervormde Kerk heeft nog op geen enkele wijze enige vorm van 'Samen op Weg'.
Toch is er nu, dankzij de ontwikkelingen rondom de kerkorde, opeens een stroomversnelling opgetreden. Het is nu zo geworden alsof het aanvaarden van de voorliggende kerkorde ook moet betekenen, dat de kerken zo snel mogelijk één zijn. Het was zelfs zo, dat op de trio-synode een voorstel, dat uit de kring van de hervormd-gereformeerden kwam, om pas-op-de-plaats te maken en niet verder te gaan dan federatie, waar dat wordt gewènst en mogelijk is, plaatselijk en bovenplaatselijk, in de kiem werd gesmoord. Met het gevolg, dat de spanningen in 'Samen op Weg' hoog zijn opgelopen.
Juist omdat de kerkorde zo ineens naar buiten is gekomen, lijkt het nu alsof de hele kerk en de hele kerkelijke gemeenschap staat en valt met dit ene document, dat nu voorligt. De eenheid dreigt geforceerd te worden. Alle spreken over de kerkorde vindt kennelijk al plaats in het kader van een schijnbaar (virtueel) gefuseerde kerk.
De brochure 'In gesprek' van ds. P. van den Heuvel, zelf lid van de commissie Kerkorde, gaat helaas aan dit punt voorbij en is kennelijk gegeven met aanvaarding van Samen op Weg, zowel met betrekking tot de voorliggende kerkorde, alsook met betrekking tot de weg naar vereniging.
Op de trio-synode in Alphen aan den Rijn, toen de kerkorde in eerste lezing werd aanvaard, is er tot driemaal toe een ovationeel applaus geweest. Dit besluit van de trio-synode moest vervolgens bekrachtigd worden door de afzonderlijke synoden. Toen dat op de hervormde synode gebeurde bleek opnieuw, dat dáar het verzet tegen deze kerkorde en de voortgang van het proces breed was. Ook toen werd de kerkorde weliswaar met meerderheid van stemmen aanvaard, maar zonder enig applaus; met grote gelatenheid eigenlijk, omdat wel gevoeld en beseft werd, dat het er in de Hervormde Kerk met de voortgang van het proces niet zo goed voorstaat.
Daarom rijst de vraag hoe de ontwikkelingen zijn zullen in de komende tijd.
U draagt als ambtsdragers op dit moment een grote verantwoordelijkheid!
Er werd de jaren door met argusogen gekeken naar wat de Gereformeerde Bond in dit geheel te zeggen had. Wij menen, dat dat niet onduidelijk genoemd mag worden. In de loop van de jaren, toen het eigenlijk nog maar nauwelijks tot de gemeenten doordrong waar 'Samen op Weg' op was gericht, hebben we geschrift op geschrift uitgegeven en zijn allerlei standpuntsbepalingen gegeven over het 'Samen op Weg-proces'.
Voorts is er geweest de grote ambtsdragersvergadering in Putten aan het eind van 1992, met in totaal 1600 ambtsdragers. Toen is gezegd: 'Wij kunnen niet weg en wij kunnen niet mee'. Dat is op zich een dubbele uitdrukking.
Met dat 'wij kunnen niet weg' wil aangegeven zijn: afscheiding hebben wij altijd principieel verworpen. Toen anderen heengingen, toen afgescheidenen heengingen in 1834 en toen dolerenden heengingen in 1886, hebben hervormd-gereformeerden, in de meest brede zin van het woord gezegd: 'Hier is onze plaats'. Hier ligt onze roeping om te ijveren voor kerkherstèl.
Waarom is onze plaats in deze kerk? Op grond van het verbond Gods. God houdt Zijn trouw tot in duizend geslachten, en onze ontrouw doet Gods trouw niet te niet, ook al zien we en moeten we met schaamte erkennen, dat er veel afwijking, veel dwaling, veel wind van leer, veel verval was en is.
We hebben gebeden, ook in Putten, 'Aanschouw het verbond' (Psalm 74). 'Aanschouw het verbond', 'sta op over het gruis van Sion'. Dat is onze bede geweest en het is nòg onze bede, of de Heere Zich wil ontfermen op grond van Zijn verbondstrouw. Daarom konden we nooit met de afscheidingsgedachte mee, hoezeer anderen het ons ook voorhielden, dat we ons moesten afscheiden. We zeggen het ook vandaag: 'Wij kunnen niet weg'. De weg van de afscheiding is telkens een doodlopende gebleken, ook vandaag.
Maar we kunnen ook niet méé. We kunnen ook niet mee naar een nieuwe, plurale kerk onder deze kerkorde.
Naar een nieuwe kerk zeggen we. Wat is er toch mooier – zo zeggen velen – dan dat de breuk weer hersteld wordt en dat ongedaan gemaakt wordt wat in 1886 is gebeurd? Als dàt het nu was! Men moet hier echter op één klein lettertje letten. Het gaat niet om hèreniging, maar om vèreniging. Hèreniging zou betekenen: we maken ongedaan wat in 1886 gebeurd is; de gereformeerden voegen zich weer in de bedding van de historische, de vaderlandse kerk en die blijft Nederlandse Hervormde Kerk heten. Maar nee, het gaat er nu om, dat drie kerken, die volledig zelfstandig naast elkaar bestaan, zich samenvoegen tot één kerk en een nieuwe kerk vormen, c.q. zich vèr-enigen tot een nieuwe kerk, die dan ook een nieuwe naam krijgt. Die nieuwe naam zal zijn: 'Verenigde Protestantse Kerk in Nederland'. Dat betekent: alle drie de namen van de afzonderlijke kerken verdwijnen en er komt één nieuwe naam voor terug. Dat is de consequentie van fusie.
Een onmógelijk woord: fusie. Zo'n woord gebruikt men toch niet voor kèrken, die samengaan! Deze aanduiding alleen al geeft aan, dat het proces zich verloopt in geesteloze bureaucratie, professioneel doorgevoerd. Juist echter omdat het over fusie van kerken, om vereniging van kerken gaat, moeten alle drie de namen verdwijnen en moet er één nieuwe naam terugkomen. Het wordt een nieuwe kerk. Daarmee is de grote moeite voor hervormd-gereformeerden gegeven. De kerk, waar we, toen anderen heengingen, door Gods genade en door Gods trouw in gebléven zijn en waar we in geroepen waren, gaat nu toch zichzelf lossnijden van haar wortel en zal over gaan in een nieuwe kerk.
Het merkwaardige en ook tekenende is intussen, dat het grootste verzet tegen de benamingen gereformeerd en hervormd kwam uit de Gereformeerde Kerken. Dat heeft te maken met het feit, dat 'gereformeerd' naar het gevoelen van velen, toch te veel betekent: gebonden aan de belijdenis, en daarom te eng en te benauwd. Terwijl hervormd duidt op terugkeer. Daarom is gepleit voor Evangelische Kerk. Men heeft oecumenische benamingen genoemd. Er zijn allerlei namen voorgesteld. Nu is het uiteindelijk een verlegenheidsoplossing geworden: Verenigde Protestantse Kerk in Nederland. Maar met de naam geef je ook aan het wezen.
Ds. G. Spilt, de pas overleden vroegere voorzitter van de hervormde synode, zei: 'Als mensen na een verbroken huwelijk toch weer samengaan geef je toch je naam niet prijs. Dan neem je toch weer de oorspronkelijke naam?'
Als het een fusie wordt, móéten de afzonderlijke namen ook verdwijnen. In ieder geval is het zo, dat, wanneer dit een Verenigde Protestantse Kerk gaat worden, de naam Nederlandse Hervormde Kerk passé is. 'Wij zetten de Hervormde Kerk voort', wordt al te gemakkelijk gezegd. De wet op de fusie zegt, dat, wanneer enkele organen samengaan, men de naam van één van de afzonderlijke organen niet meer kan voeren. De vraag zal zijn – en dat hebben we als Gereformeerde Bond in onderzoek – of de fusie zèlf juridisch aanvechtbaar zal zijn. Maar het is juridisch uitgesloten, dat als de fusie een feit is, één deel verder gaat onder de naam Nederlandse Hervormde Kerk.
Vier typen gemeenten
In de nieuwe kerkorde is wel geregeld, dat er vier typen gemeenten zullen zijn. Op het plaatselijke vlak kan men wel een hervormde (wijk)gemeente houden, of een gereformeerde kerk of een evangelisch lutherse of een verenigde gemeente. Ds. P. van den Heuvel legt daarop sterke nadruk, om er mee te onderstrepen, dat wie dat wil 'gewoon hervormd' kan blijven. Dat is onzes inziens een misvatting. Het zijn namelijk vier typen gemeenten onder de ene koepel van de Verenigde Protestantse Kerk. De Nederlandse Hervormde Kerk houdt op te bestaan. Hervormde gemeenten zullen er voorlopig nog wel blijven, ook hervormde wijkgemeenten of buitengewone wijkgemeenten. Theoretisch kan één wijk in een centrale gemeente samen op weg gaan terwijl andere wijken niet samen op weg gaan. Er blijven dan hervormde wijkgemeenten. Maar wel onder de éne koepel van de nieuwe kerk. Landelijk kan men niet meer hervormd zijn. Dat betekent wel impliciet of expliciet druk, dwang van bovenaf.
Gemeenten zullen dan ook, afgezien van bezwaren tegen Samen op Weg op zich, tijdig moeten besluiten hervormde (wijk)gemeente te willen blijven. Anders worden zij al bij voorbaat meegenomen in de vereniging.
Tegen de achtergrond van wat we nu hebben gezegd moet u zien de Verklaring, die door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond is gegeven, aan het eind van de brochure 'Ondeugdelijke basis voor een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland'.
We sluiten af met deze Verklaring.
Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond verklaart, met het oog op de consideraties, die door gemeenten en classes gegeven zullen moeten worden inzake de kerkorde voor een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland, het volgende:
1. De kerkorde, die voorligt, kan, op grond van motieven in het voorgaande nader omschreven, geen kerkorde zijn voor een gereformeerde kerk en dient als zodanig te worden afgewezen.
2. Vereniging van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk, met deze kerkorde als basis, dient te worden afgewezen.
3. Het Samen op Weg-proces dient niet verder te gaan dan bij tussenorde geregelde federatieve samenwerking van gemeenten en bovenplaatselijke verbanden daar, waar dat wordt gewenst, als zodanig nodig en mogelijk is.
4. Voor een verantwoorde besluitvorming is het gewenst, dat alle hervormde (wijk)gemeenten kenbaar maken aan hun classis, wat hun oordeel over de voorliggende kerkorde is, alsook of zij vereniging van de kerken afwijzen of aanvaarden.
N.B.
Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond roept, vanuit het besef dat de Nederlandse Hervormde Kerk moet blijven voortbestaan, kerkeraden op nee te zeggen tegen de
Verenigde Protestantse Kerk in Nederland,
zoals die op grond van de voorliggende kerkorde wordt beoogd.
De basis voor vereniging moet
ondeugdelijk
worden geacht:
a. vanwege de kerkorde als zodanig
b. vanwege onduidelijkheid over de historische continuïteit van de Nederlandse Hervormde Kerk
c. vanwege onvoldoende draagvlak in de gemeenten.
Het hoofdbestuur van de
Gereformeerde Bond in de
Nederlandse Hervormde Kerk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1994
De Waarheidsvriend | 21 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1994
De Waarheidsvriend | 21 Pagina's