Ten derden dage wederom opgestaan van de doden
De Apostolische Geloofsbelijdenis (8)
Stil stonden we bij het kruis op de donksterste van alle dagen, de dag, die goede vrijdag heet. We zagen de Man van smarten, lijdend, bloedend, stervend; we hoorden Zijn klacht in godverlatenheid. We moesten bedenken, dat dit alles was door onze schuld, onze zeer grote schuld. Volbracht werd zo de verzoening en we dankten God voor deze vrijdag, die goed is, omdat Hij goed is voor ons, die allerminst goed zijn. Maar deze dag werd omfloerst door het besef, dat wij Hem door onze zonden dit hebben aangedaan. We begrijpen, dat het slotkoor van de Mattheüspassion begint met de woorden: Wij zetten ons met tranen neder.
Het is, Pasen geworden, een heerlijk morgenlicht breekt aan. Inderdaad heerlijk, want dit is van de Heere geschied. Blijde vrouwen aanbidden Hem, discipelen zijn verblijd, als ze de Heere zien, het ongeloof van Thomas wordt een jubel: Mijn Heere en mijn God. Daarom belijdt de kerk des Heeren de eeuwen door met mond en hart: Ik geloof in Jezus Christus… ten derden dage weder opgestaan van de doden.
Meteen willen we daar meer over schrijven, een loflied voor onze Heere. Maar onze tijd heeft vragen, die kerkvaders en kerkhervormers nauwelijks kenden: Is de Heere wáárlijk opgestaan?
Niemand gelooft tegenwoordig de leugen van de soldaten, dat de discipelen Jezus' lichaam hebben geroofd. Niemand, die bij de tijd is, zal meer spreken van de verziekte verbeelding van droeve discipelen, die méénden, dat ze de Heere zagen. Maar velen ontkennen met kracht de lichamelijke opstanding van Jezus. De jubel van de Paasavond, dat de Heere waarlijk is opgestaan, wordt overstemd door schijnbaar ernstige bezwaren. Het graf, dat zonder deze verrijzenis niet leeg zou zijn, wordt achteloos gepasseerd en Paulus' hartstochtelijk betoog, dat zonder deze opstanding het geloof ijdel, zinloos is, wordt niet ter harte genomen. Maar het geloof, dat naar de Schriften luistert zegt: Ik geloof… ten derden dage opgestaan uit de doden.
Ten derden dage…
Meteen pakt een kleine cijferaar zijn rekenboek en meent te weten, dat dit niet in overeenstemming is met de feiten: Jezus stierf op vrijdagmiddag omstreeks drie uur. Hij werd opgewekt op de eerste dag van de week in de morgen. Dat is ongeveer veertig uur. Hoe kan men dan spreken van op de derde dag of, zoals Jezus zelf heeft gedaan, van drie dagen en drie nachten?
Het antwoord vindt u in de kleurige folder van uw reisbureau. Een reis, die in de namiddag begint en eindigt op de tweede dag daarna, wordt aangekondigd als een reis van drie dagen; dagdelen tellen voor een volle dag. Uit geschriften van de joden uit de tijd kort na Jezus weten we, dat zij ook zo telden, weer een deel van de dag als een volle dag.
Maar waarom vindt deze geloofsbelijdenis het nodig om nadrukkelijk te zeggen dat de Heere ten derden dage is opgestaan? Het valt ons op, dat slechts tweemaal een tijd wordt genoemd in deze belijdenis: gekruisigd onder Pilatus en nu ten derden dage. Waarom is dit zo? Kohlbrugge wijst er op, dat op de derde dag de ontbinding van het lichaam begint; hij herinnert aan psalm 16 : 10, waar gezegd wordt, dat de Heilige geen verderving zal zien. Ook de Heere zelf had voorzegd, dat Hij ten derden dage zou opstaan. Hij verrees ten derden dage, die de dood niet houden kon. Het geloof mag zich vertroosten, dat zo al Gods beloften worden vervuld. Zoals geschreven en gezegd was, is het geschied.
Bovendien kunnen deze woorden zeggen, dat het niet gaat om een vage aanduiding, dat er 'eens' iets geschied zou zijn, maar duidelijk wordt benadrukt, dat het was toen en toen, op de derde dag. Er klinkt weer iets door van het 'wáárlijk opgestaan'.
De dood, de duist're hield Hem niet,
geen wadesteen of breidel.
Hij rees met het eerste merellied,
want was dit wonder niet geschied
Zijn woorden bleven ijdel.
De tempel, die zou afgebroken worden, werd na drie dagen herbouwd (Johannes 2 : 19 e.v.).
Daarom aanbidden wij met de ouderlingen uit de Openbaring Hem, Die leeft in alle eeuwigheid.
En eerbiedig zingt de gemeente uit psalm 118 : 10:
Dit werk is door Gods alvermogen,
door 's Heeren hand alleen geschied.
Wij verblijden ons, dat de Heere naar Zijn eigen woord is verrezen. Maar ook, dat de machteloze toonde alle macht te hebben, zodat Hij kon opstaan uit de dood. Dat de gesmade nu alle eer ontvangt en Hij, Die een verleider werd genoemd, nu krachtig bewezen heeft de Zoon van God te zijn (Romeinen 1 : 4).
Als een echo van verwondering, dank en aanbidding klinkt:
U zij de glorie, opgestane Heer;
U zij de glorie, nu en immermeer.
Het eerste Paasgeschenk
Het wonder van Zijn verrijzenis laat Christus nu ten goede komen van Zijn Kerk. Terecht waarschuwt Calvijn er tegen, dat we zouden menen, dat ons geloof op Zijn dood gegrond wankel zou wezen. Jezus' verzoenend sterven blijft het rustpunt van ons hart, zingt een kerklied. Maar, zegt de reformator, dat de kracht van God, die ons in het geloof bewaart, zich het meest openbaart in de opstanding. Hij voegt er aan toe, dat zo dikwijls van de dood wordt melding gemaakt tevens daaronder ook de opstanding begrepen is en omgekeerd. Christus heeft door de opstanding de overwinningspalm verkregen. Dan spreekt hij daarna van de vrucht van de verrijzenis van de Heere.
We haasten ons nu terug naar Pasen om te zien, wat de opstanding voor 'nut' heeft, zoals de catechismus dit noemt.
De Heere is opgestaan, nu is de dood overwonnen. Dit woord maakt ons stil, doet ons nadenken. We kunnen zeggen, dat de dood voor Gods kinderen de doorgang is tot het eeuwig leven; het is de zwarte deur, die aan de binnenzijde beslagen is met het goud van de hemel. Maar overwonnen? In ziekenhuis en laboratorium wordt gestreden tegen de dood. Het is wel gelukt de dood terug te drijven, maar niet om hem te verdrijven. De gemiddelde leeftijd is hoger geworden, maar steeds eindigt elk leven met en hij stierf… Wie dit in zijn naaste omgeving heeft meegemaakt, weet dit maar al te goed. Maar hoe kan dan gezegd worden, dat de dood overwonnen is, als de rouwklagers dagelijks rondgaan door de straten? Door Zijn dood heeft Christus de oorzaak van onze eeuwige kommer, waartoe ook de dood behoort, namelijk de zonde weggenomen. Hij heeft de oorzaak van deze ellende, de zonde weggenomen en daarmee de dood overwonnen en Pasen laat dit zien:
Hij verrees uit eigen kracht,
want Hij is God, bekleed met macht.
Het geloof kan juichen: ood, waar is uw prikkel, hel, waar is uw overwinning? (1 Corinthe 15 : 55). Het is veelzeggend, dat de Bijbel soms van de gestorvenen spreekt als van ontslapenen. Ze zijn enkel gaan slapen, de rust van het volk van God.
Deze Overwinnaar van de dood gaat nu op weg om anderen in Zijn heerlijkheid te doen delen. Hij haast zich naar de vrouwen en verandert haar geschrei in een blijde rei. Aan Petrus verschijnt Hij en niemand is getuige geweest van dit gesprek, maar er rijst een jubel uit op: De Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien. Thomas wordt bevrijd van zijn boosaardige twijfel en belijdt Hem als zijn Heere en God en vijfhonderd broeders hebben Hem gezien en aanbeden.
Zij hadden in zichzelf geen gerechtigheid, omdat zij geen recht gedaan hadden aan God en Zijn trouwe beloften, want zij hadden niet geloofd. Er was geen gerechtigheid in hen, want al de discipelen hadden Hem verlaten en Petrus had zijn Meester verloochend. Maar de Heere heeft voor hen gerechtigheid verworven en zij mogen die als een blij Paasgeschenk uit Zijn hand ontvangen.
Zij, maar wij, zoveel eeuwen later? Onze catechismus haalt dit woord uit het verleden naar het heden en spreekt van òns. Niet alleen Petrus en anderen, maar wij: Hij kon de gerechtigheid, die hij ons had verworven, deelachtig maken. Wij mogen moed scheppen uit de behoudenis van de Paasgetuigen.
Hoe? We mogen bidden, dat de Heere van Pasen ook ons dit geschenk deelachtig wil doen worden. Niet door aan ons te verschijnen als aan de vrouwen, maar door de verkondiging van Zijn Verrijzenis. Verwonderd horen wij de prediking van de opgestane Heere elke zondag en die wordt daardoor telkens opnieuw als een morgen der verrijzenis en een eersteling der dagen. De levende Heere maakt ons deelgenoten van dit heil. We bedenken, dat Hij ons is geworden wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing (1 Corinthe 1 : 30). Dankend belijden we, dat de Heere ten derden dage is opgestaan. We plukken er de heilige vruchten van.
Het tweede Paasgeschenk
Waar de levende Heere is, mogen biddende zondaren veel, heel veel van Hem verwachten. Uit Zijn verrijzenis krijgen we nog een andere vrucht, zegt Calvijn. Welke is dit dan?
Het is al heel groot, dat we door goedheid van God worden opgewekt tot een nieuw leven. We moeten krachtens Zijn opstanding de dingen zoeken, die boven zijn (Colossenzen 3 : 1). We worden uitgenodigd om door het voorbeeld van de uit de doden opgewekte Christus te streven naar nieuwheid van leven, zegt Calvijn. Het is genade, dat de Heere ons daartoe wil oproepen. Ik herinner me uit mijn kinderjaren, dat onze dominee in onze kleine dorpskerk altijd zijn prediking besloot met – zoals hij dit aankondigde – vermaningen en opwèkkingen. Zeer terecht.
Maar wie deze opwekkingen tracht ter harte te nemen en het eerlijk probeert, ontdekt met schrik, dat er van werkelijke nieuwheid van leven geen sprake is.
Wat is het dan rijk te mogen lezen, dat we worden opgewekt door Zijn kracht. Het is maar geen opwekking om iets te doen, een oproep, maar de opwekking, waarvan de catechismus spreekt, is een opwekking uit de doden, een nieuwe schepping. Daarom kan Petrus zeggen, dat we door de opstanding van Christus zijn wedergeboren (1 Petrus 1 : 3). De Heere zorgt zelf voor de opwekking, niet aanradend, maar wederbarend. Nadrukkelijk zegt Paulus: (Romeinen 6 : 11) Houdt het daarvoor, dat gij Gode levend zijt in Christus Jezus, onze Heere. Het lijkt ons te groot voor ons, die onszelf zo anders kennen, maar het Woord van God zegt het duidelijk. Efeze 2 : 5 en 6 spreekt er van, dat God ons, toen we dood waren door de misdaden, met Christus mede heeft opgewekt. We bidden om dit geloof in de opstandingskracht van de Heere en dan mogen we ook denkend aan onszelf zeggen, dat de Heere is opgewekt en wij hebben daar heilig deel aan. En dat alleen uit genade, voegt Paulus er aan toe. Maar juist omdat het genade is, alleen genade is, is dit een werkelijkheid. Op grond van Gods Woord mogen we dan danken:
Op Uw Woord, o Leven van ons leven,
werpen wij het doodskleed af.
En vanuit deze opwekking, die louter Gods werk is, volgt nu de opwekking in de zin, die we eerst zagen van een leven in nieuwheid des levens zoals het doopformulier ons dat leert.
Het derde Paasgeschenk
Na de rechtvaardigmaking door het geloof in de opgestane Heere en de heiligmaking van een nieuw leven, volgt nog meer: de heerlijkmaking.
We blijven de macht van het kwaad gevoelen, zelfs de allerheiligste heeft maar een klein begin van de ware gehoorzaamheid. Maar eenmaal worden we verlost van het lichaam van de dood (Romeinen 7 : 24). Niet, dat de zonde alleen in ons lichaam zou wonen, maar omdat ons lichaam door de zonde een prooi van de dood is geworden, zegt professor Van Leeuwen. Het conflict tussen de nieuwe mens en de zonde wordt eerst door ons sterven beëindigd.
De dood, ons sterven. We bemerken, zeker als we ouder worden, dat we minder worden, aftakelen. Soms gaat dit gepaard met vergaande ontluistering. En vele invaliden en gehandicapten ondervinden dit al jaren lang, soms vanaf het begin van hun leven. Nooit zag de blindgeborene de zon opgaan of hoorde de dove de merels zingen. De kreupele strompelde op zijn krukken moeizaam voort en de rheumapatiënt stak zijn misvormde handen uit, als hij dit nog kon en werd gereden in een rolstoel. Straks komt het einde. Stof keert weer tot stof.
Maar Gode zij dank, dit is voor allen die geloven niet het laatste. Christus' opstanding is het zekere pand van onze zalige opstanding. Dan ziet de blinde de zon oprijzen in stralende heerlijkheid, de dove hoort de zang van vogels, de kreupele danst in het morgenlicht en de invalide is zijn rolstoel vergeten en weet zijn lichaam gaaf en heel.
Nu gaat in vervulling, wat Jesaja profeteerde (hoofdstuk 35):
Dan ziet het oog des blindgeboren'
Uw schepping in haar zomergloor,
dan dringen tot des doven oren
Uw goddelijke woorden door.
De kreup'le zal van vreugde springen,
de sprakeloze tong zal zingen
hosanna's meng'lend tot Uw lof…
Dit alles is het 'nut' van de opstanding van de Heiland.
Wie iets daarvan mag kennen, zegt dankbaar: Ik geloof in Jezus Christus… opgestaan ten derden dage van de doden.
Een zeggen, dat een zingen wordt met hart en mond, een loflied voor de opgestane Heere.
C. A. Korevaar, Rotterdam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's