De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gelijk in een vrijheid voor het onderwijs (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gelijk in een vrijheid voor het onderwijs (2)

Enkele aspecten van de positie van het bijzonder onderwijs in de Algemene wet gelijke behandeling

13 minuten leestijd

Uitzondering, maar in hoeverre?
Eerder vermeldden we dat voor het bijzonder onderwijs uitzonderingsbepalingen gelden, zulks om de vrijheid van onderwijs niet te ver aan te tasten. Wat houden de bepalingen nu in?
Bij de beantwoording van deze vraag moeten we onderscheid maken tussen de positie van leerlingen en onderwijzend personeel.
Wat de leerlingen betreft, kan het bestuur van een bijzondere school zowel bij toelating tot als deelname aan het onderwijs eisen stellen 'die gelet op het doel van de instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag'. Een joodse school mag op die grond weigeren om niet-joodse leerlingen toe te laten. De wet staat verder nog toe dat onderscheid wordt gemaakt op grond van geslacht 'indien de eigen aard van de instelling dit eist en voor leerlingen van beide geslachten gelijkwaardige voorziening aanwezig zijn'.
Wat het personeelsbeleid betreft, mogen onderwijsinstellingen vanuit hun grondslag aan personeelsleden eisen stellen, die, mits daaraan voldaan is, tot gevolg hebben dat zij gerechtvaardigd onderscheid kunnen maken. Het moet dan gaan om eisen (a) betreffende de vervulling van de functie, die (b) gelet op het doel van de instelling (c) nodig zijn voor de verwezenlijking van de grondslag. De functie-eisen, die gesteld worden, moeten, gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking van de grondslag. Het is wel duidelijk geworden, en het ligt eigenlijk ook wel enigszins voor de hand dat die eisen door het bestuur van de instelling consequent gehanteerd moeten worden. Dat is niet zo'n bezwaar, al kan het tot betreurenswaardige, in de huidige situatie onnodige krampachtigheid leiden; men kan zich geen uitzondering meer veroorloven. Wèl bezwaarlijk en bedenkelijk is, dat het schoolbestuur zich eventueel tegenover de Commissie gelijke behandeling dan wel (tevens) de rechter moet verantwoorden wat betreft de vraag wat nu echt nodig is qua aan de functie te stellen eisen. De regering is hardnekkig blijven weigeren om in de wettekst op te nemen: de eisen, die het schoolbestuur redelijkerwijs nodig acht. Dat zou minder vrijheid aan de rechter geven om zich uit te spreken over het beleid van het schoolbestuur in deze. Waar het vooral om ging was de vraag of het schoolbestuur bepaalt welke eisen 'nodig zijn' of dat de rechter dat kan bepalen als hij zich tolk maakt van de meerderheidsopvatting dienaangaande in de samenleving. Op grond van de schriftelijke gedachtenwisseling in de Eerste Kamer is dan tenslotte toch vast komen te staan, dat de beoordeling van wat nodig is primair een zaak van het schoolbestuur is en dat een terughoudende opstelling verwacht wordt van rechter en Commissie. Een citaat uit de Eerste Kamer-stukken: 'Rechter en Commissie zullen desgevraagd (door een klager, GH) deze beoordeling (van wat het schoolbestuur nodig geoordeeld heeft, GH) toetsen aan de hand van de vraag of terecht kan worden aangenomen dat er een duidelijke, objectiveerbare band bestaat tussen de gestelde eisen en doel dan wel grondslag. Commissie en rechter zullen derhalve niet de inhoud van de grondslag of het doel beoordelen, maar zij zullen nagaan of de instelling zich terecht erop beroept dat de gestelde eisen nodig zijn, gelet op het doel dan wel de verwezenlijkihg van de grondslag van de instelling. Wij kunnen bevestigen dat ter zake in zoverre van marginale toetsing kan worden gesproken.' Er is zodoende meer helderheid gekomen over de vraag wie, en in welke onderlinge verhouding, bepaalt welke eisen aan personeelsleden mogen worden gesteld. Reden voor echte gerustheid op dit punt is er echter niet, want op de achtergrond blijft staan de eis dat het verbod van onderscheid niet wordt uitgehold.
Duidelijk is tevens geworden dat een schoolbestuur een constante gedragslijn in zijn personeelsbeleid zal moeten volgen en dat, wanneer van deze lijn in enkel geval wordt afgeweken, zulks een overtuigende motivering vraagt.

Uitzondering op de uitzondering
Was hiermee nu alles maar gezegd over de uitzonderingspositie van het bijzonder onderwijs. Helaas is dat niet het geval, want er is nog een grote 'maar'. Dat is wat wij bedoelen met 'de uitzondering op de uitzondering'. Aan de mogelijkheid tot het stellen van de hiervóór aangediende eisen is een beperking gesteld. De eisen 'mogen niet leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat'.
Op dit punt heeft zich de discussie over de algemene wet als zodanig en in relatie daarmee de uitzonderingspositie voor het bijzonder onderwijs in belangrijke mate toegespitst. De genoemde beperking geldt overigens zowel voor leerlingen als personeel, maar veel aandacht is besteed aan de vraag wat die 'enkele feit-constructie' nu voor de aanstelling of het ontslag van leraren en leraressen heeft te betekenen.
Over de betekenis van de woorden 'het enkele feit' bestond niet het meeste misverstand. Er wordt mee bedoeld: het 'kale' feit, het feit als zodanig, dat iemand één (of meer) van de opgenoemde persoonskenmerken bezit. Verwarring ontstond, toen bleek dat de regering onder (het enkele feit van) hetero- of homoseksuele gerichtheid – zeg: seksuele gerichtheid – bleek te verstaan: de gerichtheid van een persoon in seksuele- en liefdesgevoelens, – uitingen en relaties. Het ging (en gaat) dus niet alleen om de geaardheid maar ook om de uitingen en gedragingen uit die geaardheid voortvloeiende. Hetzelfde bleek m.n. te gelden wat betreft het enkele feit van de burgerlijke staat. Het hebben van een ongehuwde relatie – eventueel náást een huwelijksrelatie – en het ongehuwd samenwonen werden ook onder het enkele feit begrepen.
Deze gegevens hebben voor een buitengewoon onheldere discussie in de Tweede Kamer gezorgd. Die discussie concentreerde zich op de afgrenzing tussen enerzijds het 'kale' enkele feit en anderzijds zogenaamde 'bijkomende omstandigheden' (de uitingen en gedragingen; kortom, de levensstijl binnen èn buiten de school).
Die discussie in de Tweede Kamer laten wij verder rusten. Slechts dit. Er openbaarde zich binnen het kabinet een verschil van opvatting tussen enerzijds minister Dales en anderzijds minister Hirsch Ballin, al is dit tot dusver nooit openlijk toegegeven. De eerste wilde zonder meer alle zogenoemde bijkomende omstandigheden onder het enkele feit betrekken, zodat óók die bijkomende omstandigheden nimmer zouden mogen leiden tot het maken van onderscheid. De tweede toonde zich wat genuanceerder in zijn benadering, wat overigens eerst tijdens de schriftelijke gedachtenwisseling in de Eerste Kamer duidelijker aan het licht is getreden. De opvatting die minister Dales bleek te huldigen, zou trouwens ook ingaan tegen heel de totstandkomingsgeschiedenis van het wetsvoorstel. Bij de onderhandelingen over het regeerakkoord van het kabinet-Lubbers III was de inzet van CDA-zijde nu juist o.a. geweest dat het bijzonder onderwijs een zekere ruimte zou behouden om rekening te houden met de seksuele moraal in opvattingen en gedragingen van het personeel (zoals dat ook zou gelden voor bijvoorbeeld de politieke gezindheid, waarover overeenstemming tussen de coalitiepartners bestond). Kern van het verschil in opvatting binnen het kabinet is natuurlijk het antwoord op de vraag of, en zo ja, in hoeverre maatschappelijke consequenties verbonden mogen worden aan een bepaalde interpretatie van bijbelse gegevens omtrent (homo)seksualiteit.

Maar nu eerst de verheldering die uit de Eerste Kamer-stukken valt te lezen. De regering stelt daarin eerst nog eens dat iemand niet op grond van het enkele feit van zijn seksuele geaardheid mag worden geweerd. Onder het enkele feit moeten ook gedragingen worden verstaan, zoals het onderhouden van een ongehuwde relatie en het samenwonen daarmee. Maar dan: 'Waar wèl rekening mee mag worden gehouden zijn gedragingen en omstandigheden die niet leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit. Deze gedragingen en omstandigheden kunnen de situatie op de school betreffen, maar ook de situatie buiten de school. De leerkracht die aan de ene kant stelt dat hij de grondslag van de school onderschrijft, maar aan de andere kant deze grondslag tijdens de lessen niet uitdraagt of zelfs blijkt te verwerpen, voldoet niet aan de eisen die door het schoolbestuur aan hem kunnen worden gesteld. Ook indien iemand in het openbaar blijk geeft van een zodanige leefstijl dat hij datgene wat hij op de school uitdraagt in feite verwerpt of zelfs belachelijk maakt, kan hij daarmee afbreuk doen aan zijn geloofwaardigheid – en dus zijn geschiktheid – bij het vervullen van zijn functie in het onderwijs. Het wetsvoorstel belet bijzondere scholen aldus niet om een personeelsbeleid te voeren, dat aan leerkrachten de eis stelt, dat zij de overtuiging van de school mee dragen en uitdragen.
Zo'n verbod zou grondrechten aantasten, niet beschermen.'
En elders lezen we:
'Bijkomende omstandigheden kunnen iemand gedragingen in het openbaar betreffen, maar ook zijn leefstijl, voorzover in het openbaar kenbaar. Het kan er dus niet om gaan hoe iemand binnen de vier muren van zijn huis, zijn persoonlijke levenssfeer, leeft. In zoverre kunnen eisen die een instelling aan een sollicitant, werknemer of leerling stelt, niet betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer.'
Deze passages maken duidelijk dat er in ieder geval nog enige mogelijkheid is voor het bestuur van een instelling voor bijzonder onderwijs om personen, die niet bij de overtuiging en de grondslag van de school passen, te weren. Bepaald gemakkelijk zal dat niet zijn, zeker niet wanneer ontslag moet worden overwogen. Altijd zal de bewijslast op het schoolbestuur drukken. En uiteindelijk zal, als daarom gevraagd wordt, de rechter moeten beslissen.

III Kanttekeningen
Met het voorgaande is een poging ondernomen om de juridische positie van het bijzonder onderwijs in het voorstel voor de algemene wet gelijke behandeling te schetsen. Het waren slechts hoofdlijnen, terwijl het in concrete gevallen aankomt op de details. Voor concrete problemen is concrete, op het geval toegespitste informatie nodig om verantwoord te kunnen handelen. Want er zijn nog steeds onhelderheden. Een voorbeeld. We vernamen dat er eisen gesteld mogen worden aan de vervulling van een functie, ook wat betreft uitingen en gedragsuitingen, mits ze openbaar zijn. Wèlke eisen precies gesteld mogen worden en of consequenties verbonden mogen worden aan het handelen in strijd daarmee, blijft in zekere zin onduidelijk en vormt daardoor een risico voor een schoolbestuur.
Niet alleen is niet duidelijk of, en zo ja, in hoeverre bij de te stellen eisen onderscheid gemaakt moet worden tussen onderwijzend en onderwijs-ondersteunend personeel. En wat het onderwijzend personeel betreft, is vervolgens de vraag of er onderscheid gemaakt zal worden per vak. Als immers zo sterk de nadruk wordt gelegd op het uitdragen enz. van de overtuiging en grondslag van de school, zou het misschien denkbaar zijn dat de overheid (de rechter) onderscheid maakt tussen vakken die in dit bepaalde opzicht relevant geacht worden (godsdienst en maatschappijleer bijv.) en andere vakken waarvoor dat minder of in het geheel niet geldt. De vraag die dan echter opkomt – ziedaar de eerste kanttekening – luidt of zo'n scheiding aanvaardbaar mag heten en werkbaar is. Bestaan er 'neutrale' vakken of is dat een fictie? Gaat het niet om één samenhangend onderwijsaanbod, met een duidelijk eigen pedagogisch en levensbeschouwelijk klimaat?
Over het voorstel van wet als geheel hebben we in het voorbijgaan reeds de nodige kritische noten gekraakt, zowel over de noodzaak ervan als over de inhoud. Er zou uiteraard veel meer over te zeggen zijn, maar we hebben in deze beschouwing er bewust voor gekozen om niet de positie van de kerken en de niet-onderwijsinstellingen op godsdienstige en levensbeschouwelijke grondslag ter sprake te brengen.
Ter afsluiting nog een enkele algemene opmerking. Eerder al stelden we dat niemand mag discrimineren in de zin van het maken van ongerechtvaardigd onderscheid. Niemand is als mens minderwaardig. Ieder is schepsel van God. Niemand heeft reden om zichzelf boven anderen te verheffen. Wat we allen gemeen hebben, is dat we zondaars zijn.
Echter, kerken, christenen en christelijke organisaties hebben een bepaalde godsdienstige overtuiging. Die is gebaseerd op en ontleend aan de Heilige Schrift en maakt deel uit van hun geloof. Met dat geloof is een normen- en waardenpatroon verweven, dat geen eigen bedenksel is. Uit dat patroon vloeit voort dat bepaalde gedragingen als ongeoorloofd, ja, als zonde moeten worden aangemerkt. Als de overheid christenen het recht ontneemt om zekere gedragingen als zonde te beschouwen en te veroordelen, wordt hen in wezen een stuk van hun belijdenisvrijheid ontnomen; een recht dat in eeuwenlange strijd is verworven en grondwettelijk is gegarandeerd. Christenen vragen geen uitbreiding van dat recht, maar wel respectering ervan, in de eerste plaats door de overheid.
Het welhaast onbegrijpelijke is, dat juist nu óók het kabinet lijkt in te zien dat het niet gaat zonder een stevig verankerd normen- en waardenpatroon in onze samenleving (minister Ritzen: de moraal terug in het klaslokaal; minister Hirsch Ballin: deugd moet een vanzelfsprekendheid worden), datzelfde kabinet een wetsvoorstel te vuur en te zwaard verdedigt dat afbreuk tracht te doen aan die moraal. Er blijft haast geen andere conclusie over dan dat het kabinet met zijn oproep tot her- en opwaardering van de moraal slechts het oog heeft op de gangbare overheidsmoraal. Ziet men niet in dat het doen van afbreuk aan de christelijke moraal de totale samenleving schaadt? Christenen, die discrimineren, wat ze niet behoren te doen, zijn daarop aanspreekbaar en dienen zonodig veroordeeld te worden. Een overheid, die christenen discrimineert, is daarvoor eveneens aansprakelijk en onderkent niet haar hoge roeping.
Wie wordt door de geschetste stand van zaken niet herinnerd aan de strijd voor christelijk onderwijs in de vorige eeuw? In de Grondwet van 1848 was de vrijheid van onderwijs als recht van de burgers erkend; een vrijheid die het weliswaar toestond eigen scholen op te richten, maar die die oprichting niet mogelijk maakte, waardoor alle aandacht, o.a. van iemand als Groen van Prinsterer, zich bleef richten op het openbare, van staatswege verzorgde onderwijs. Volgens het tweede ontwerp – Van Reenen (1855) voor een lager onderwijswet zouden de onderwijzers op de openbare scholen zich ervan dienen te onthouden iets te onderwijzen, te doen ofte laten, dat kwetsend zou kunnen zijn voor de godsdienstige gezindheden, waartoe de schoolgaande jeugd behoorde. Niettemin zou het onderwijs dienstbaar worden gemaakt aan 'de bevordering van godsdienst en zedelijkheid'. In het ontwerp-Van der Brugghen (1857) heette het, dat het onderwijs o.a. dienstbaar zou aan de opleiding der kinderen 'tot alle christelijke en maatschappelijke deugden'. Is het liberale klimaat waarin de geciteerde doelstellingen ontstonden, niet nog altijd kenmerkend voor de neutrale overheid, óók voor die van vandaag? Voor zover de opvoeding/opleiding tot redelijkheid en maatschappelijke deugden dienstbaar is aan de overheidsdoelstellingen, krijgt zij de vrijheid; voorzover ze daarbinnen niet past, wordt ze verboden.
Indien gelijkheid gedistribueerd wordt van overheidswege, moet de vrijheid het afleggen. Leerzaam is wat Groen van Prinsterer over het ministerie-Thorbecke (1849-1853) schreef: 'Maar wat dit kabinet vooral schaadde, was de zeer gewettigde vrees, dat de beginselen van de moderne gelijkheid, waarvan de heer Thorbecke bij ons de beroemdste vertegenwoordiger is, een nieuwsoortig absolutisme zouden brengen, misschien gevaarlijker dan enig ander absolutisme, dat het uiteindelijk resultaat zou zijn van hun invloed, dat de dierbaarste belangen der natie zouden worden overgeleverd aan de grillen van de een of andere meerderheid, aan de almacht van dat reusachtige wezen, van die, alle onafhankelijk bestaan opslokkende of inlijvende eenheid, die men Staat noemt, en dat zo, bukkend voor de stelregels der democratie, men ertoe zou komen een parlementaire of gouvernementele dictatuur te vestigen, die onder de schijn het openbaar welzijn of de openbare orde bevorderen, slechts willekeur tot regel zou hebben.' De thema's van vrijheid en gelijkheid en van verdraagzaamheid en dwang zijn van alle tijden.

H. Holdijk, Apeldoorn

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Gelijk in een vrijheid voor het onderwijs (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's