Visie op de Reformatie
Gereformeerde en middeleeuwse vroomheid (4)
De nadere reformatoren zouden niet gereformeerd zijn geweest als zij niet een grote waardering voor de Hervorming en voor de hervormers zouden hebben gehad. Zij zien die diep ingrijpende gebeurtenis als een wonderlijk en heilvol ingrijpen van God Zelf Hij heeft in de zestiende eeuw het licht van het evangelie van vrije genade zonder de werken der wet weer doen opgaan. Evenals alle andere protestanten vergelijken zij de Reformatie met de uittocht uit het diensthuis van Egypte.
Door de hervormers is de leer, die geheel vervalst was, weer in overeenstemming met het bijbels getuigenis gebracht. De nadere reformatoren hebben niet slechts grote bewondering voor de dogmatiek van de hervormers, maar ook voor hun leven. De reformatoren hebben de leer die naar de godzaligheid is, versierd met godvruchtige levensuitingen. Deze appreciatie geldt in gelijke mate voor de eerste generatie gereformeerden. Zij zijn lichtende voorbeelden voor het nageslacht.
Er is één onderdeel waarop het centrum van de gereformeerde Reformatie, de stad Genève, in het bijzonder als ideaal wordt bestempeld: de stringente uitoefening van de christelijke tucht.
Ook al zal bij de gereformeerde vroomheidsstrevers het accent iets meer op de exemplarische levenshandel en -wandel en op de tucht hebben gelegen dan bij de overige gereformeerde belijders, globaal gezien hielden beide groepen er hetzelfde positieve beeld op na.
Nadere-reformatorische relativeringen van de Hervorming
Nader toezien leert evenwel dat de Nederlandse gereformeerde piëtisten en vooral de nadere reformatoren relativeringen hebben aangebracht in hun positieve kijk op de Hervorming en de hervormers, waardoor hun visie een eigen cachet vertoont. Voor zover bekend is Teellinck de eerste geweest die deze eigenheid voorzichtig, maar toch onmiskenbaar op diverse plaatsen in zijn oeuvre heeft vertolkt. Voetius is hierin – zoals in zovele opzichten – zijn medestander, zij het dat hij dat inzicht sporadischer ten toon spreidt. Daarentegen is Van Lodensteyn de man die zich er niet voor schaamt om op een dergelijke wijze over de Hervorming en de reformatoren te spreken dat een argeloze lezer in de waan zou kunnen worden gebracht dat deze nadere reformator in de grond van de zaak niet gunstig daarover oordeelt. Het moge waar zijn dat hij zich boud geuit heeft, toch is er ook bij hem geen echte afkeuring te bekennen.
De relativerende opmerkingen over de Reformatie hebben binnen de Nadere Reformatie een historische, maar geen evaluerende waarde. Weliswaar vindt men het jammer dat het zo is gelopen, maar men neemt de hervormers niets kwalijk. Het is een betreuren van het verloop van het historisch proces, zonder dat men de direct betrokkenen dat aanrekent of daarvoor onder kritiek stelt.
Eerste relativering
De nadere reformatoren huldigen een dynamische opvatting over de kerkgeschiedenis, ledere tijd kent volgens hen eigen situaties en fronten en vraagt om nieuwe prioriteiten en andere aandachtspunten. God is met Zijn kerk op weg en Hij laat haar onderweg niet aan haar lot over. Dit impliceert dat dezelfde Geest Die de reformatoren inspireerde tot het optreden tegen allerlei misstanden in hun tijd, hun nazaten in nieuwe situaties brengt tot het doen van nieuwe keuzes. Het nageslacht kan noch mag, maar hoeft ook niet uitsluitend te conserveren. De nadere reformatoren zijn er vast van overtuigd dat de hervormers, als zij in de nieuwe tijd hadden geleefd, dezelfde posities als zij zelf ingenomen zouden hebben, dat wil zeggen: een verschuiving van de aandacht van de rechtvaardigmaking naar de heiligmaking, van de leer naar het leven en van de kerkopbouw naar de persoonlijke stichting.
Tweede relativering
De hervormers zagen zich voor een onmogelijke opdracht geplaatst. Zij voelden zich van Godswege gedrongen om alle levensgebieden te laten doordringen met de zuurdesem van het Woord van God. De totaliteit van de aardse werkelijkheid en van het menselijke leven moest onder het gezag van de heilige Schrift worden gebracht. Als mensen waren de reformatoren net als iedereen beperkt. Hun beperking lag ook in de overmacht van de historische situaties. Zij werden grotendeels bepaald door de fronten waarop zij streden. De dogmatische polemiek met Rome, met de Wederdopers en met allerlei sectarische groeperingen, de organisatie en de consolidatie van de Gereformeerde Kerken en van hun academies en de voortdurende strijd enerzijds voor de doorwerking van de Reformatie in de politiek en anderzijds voor de eigen plaats van de kerk ten opzichte van de burgerlijke overheid hebben de aandachtvan de gereformeerde hervormers zo opgeslokt, dat zij niet of nauwelijks toekwamen aan taken die in principe niet minder wezenlijk waren, maar die in de omstandigheden van die tijd niet zo'n urgent karakter droegen.
Tot de zaken die – noodgedwongen – in de Reformatietijd in de schaduw zijn gebleven, rekenen de gereformeerde vroomheidsstrevers de spiritualiteit en de preciesheid van het leven. Zelf werden zij geconfronteerd zowel met een niet aflatende vraag naar devotionele handleidingen als met de noodzaak om zich teweer te stellen tegen de verwereldlijking van de kerk. In hun reactie hierop stooten zij op manco's in het reformatorisch erfgoed. Het is dan ook goed te begrijpen dat zij teruggingen tot de voor-reformatorische tradities.
Door de in de reformatorische arbeid terzijde gelaten zaken nadrukkelijk en uitvoerig aan de orde te stellen hadden de gereformeerde vroomheidsstrevers het gevoel de Reformatie te vervolmaken. Wanneer Voetius in dit verband in zijn eersteling Lachrymae Crocodili abstersae de sabbat en de sabbatsheiliging ter sprake brengt, beschouwt hij het optreden van het gereformeerde Piëtisme als de kroon op de Reformatie. Woordelijk schrijft hij, in mijn vertaling althans: 'Wanneer de onzen en hun directe voorgangers daarover nu genuanceerder en meer in bijzonderheden tredend spreken, werpen zij de Reformatie niet omver, maar zetten zij die meer en meer volle luister bij'.
Kritiek op het verloop
In samenhang met de voorafgaande relativeringen uitten de nadere reformatoren wel stevige kritiek op het verloop van het Reformatieproces. De Hervorming was goed begonnen, maar naarmate zij ouder werd, werd het geestelijk gehalte daarvan minder en raakten de religieuze en ethische zeden steeds meer in verval. Historisch gezien vormt deze klacht de keerzijde van de ontwikkeling van de Gereformeerde Kerk in de Nederlanden van belijdende kerk tot volkskerk. In de leer bleef men veelal wel gereformeerd, maar het hart bleef onbekeerd en het leven werd al ongebondener. Juist in die opzichten achtten de piëtisten een nadere reformatie dan ook hard nodig.
Teellinck vergelijkt in zijn De niev-maecker de kerk Gods op aarde met het oog op de praktijk van de gezonde leer met een bouwvallig huis. Als men hierin geen nieuwe deurposten en latten aanbrengt, zal het instorten. Met andere woorden: de kerk behoeft steeds reparatie in de zin van reformatie.
Gereformeerde waardering voor middeleeuwse devoten
Toen de nadere reformatoren zich geplaatst zagen voor de noodzaak van kerkreparatie ontbrak het hun aan daarvoor geschikte instrumenten. De gereedschapskist van de reformatorische traditie had hun nauwelijks iets te bieden. Enerzijds mag men het terugvallen op voor-reformatorische devotie dan ook zeker opvatten als een noodsprong. Bij gebrek aan beter transformeerde men rooms-katholieke en zelfs jezuïtische lectuur in gereformeerde zin. Dat de desbetreffende middeleeuwers vanuit deze optiek wel eens beter, dat is in dit verband reformatorischer, werden voorgesteld dat zij waren geweest, is psychologisch verklaarbaar.
Aan de andere kant was er ook een positief mechanisme in werking. De gereformeerde vroomheidsbevorderaars waren er over het algemeen best van op de hoogte dat de middeleeuwse devoten opgesloten zaten in een web van menselijke tradities en bijgelovigheden. Het in vele opzichten roomse karakter van de levensloop en het oeuvre van de middeleeuwse vromen ontging hun bepaald niet. En toch spraken zij onverholen hun waardering voor hun middeleeuwse voorgangers uit. Uiteraard had die waardering uitsluitend betrekking op de middelen, de modellen en de inhoud van de middeleeuwse devotie voor zover die niet typisch rooms en derhalve onbijbels en antichristelijk waren. Met andere woorden: de gereformeerde piëtisten apprecieerden de middeleeuwse devotie voor zover die van een katholiek gehalte was.
De rol die de middeleeuwse devotie binnen de gereformeerde vroomheid vervult, is meer dan een verlegenheidsoplossing. Zij is ook en zelfs in de eerste plaats het gevolg van het levende besef van katholiciteit bij de gereformeerde piëtisten. In navolging van de reformatoren wisten zij zich één met de kerk van de eerste eeuwen. In hun polemiek met Rome hadden de hervormers deze katholiciteit als een van de krachtigste argumenten in stelling gebracht. Terwijl hun piëtistische nazaten hen hierin volgden, was die katholiciteit voor hen tevens de reden om tot een relatieve waardering van de devotionele auteurs uit de donkere Middeleeuwen te komen. Naar hun vaste overtuiging had de Heere de kerk ook in die tijd niet geheel aan de dwalingen overgegeven. Het katholieke geloof en de katholieke vroomheid waren ook toen aanwezig. Voor zover zij die in die donkere tijd konden ontwaren, hebben zij die ten volle gewaardeerd. En niet alleen gewaardeerd, maar ook getransponeerd in hun eigen calvinistische kaders.
W. J. op 't Hof, Nederhemert
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's