…zittende ter rechterhand Gods, des almachtigen Vaders…
De Apostolische Geloofsbelijdenis (10)
Christus is gegeven alle macht in hemel en op aarde
Direct na de belijdenis 'opgevaren ten hemel' volgen in het zesde artikel van het Apostolicum de woorden: '…zittende ter rechterhand Gods, des almachtigen Vaders…'. Uiteraard hangt het een nauw met het ander samen, toch is er ook onderscheid: 'Beide trappen van verhoging dienen scherp uiteen te worden gehouden. Een andere is de glorie van Zijn hemelvaart en een andere de majesteit van Zijn gezet zijn aan Gods rechterhand' (A. Kuyper).
Zetten we de Schriftgegevens op een rij, dan mogen we zeggen: De belijdenis van Christus' zitten aan de rechterhand van Zijn Vader vormt een zeer wezenlijk bestanddeel van het bijbels getuigenis. Vlak voor Zijn kruisdood beleed Christus reeds tegenover Kajafas: 'Van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, zittende ter rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken des hemels' (Matth. 26 : 64). Zodat na Zijn hemelvaart getuigd mag worden: 'De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de hemel en is gezeten aan de rechterhand Gods (Mark. 16 : 19). Als samenvattende conclusie lezen we: 'Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods' (Hebr. 10 : 12).
Een drievoudig aspect
De uitdrukking 'zittende ter rechterhand Gods' is rechtstreeks ontleend aan Psalm 110. Een voluit Messiaanse psalm, waarin de belijdenis klinkt: 'De Heere heeft tot mijn Heere gesproken: zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten' (Psalm 110 : 1). Het betreft hier een figuurlijke wijze van spreken, waar meerdere aspecten in opgesloten liggen:
1. Allereerst die van verheven, soevereine rùst. Zwaar is Christus' strijd geweest. Welk een immense last heeft Hij moeten torsen. Die van onze schuld en vloek. Welk een immens leger van mensen, duivelen en demonen waren Zijn tegenstanders: 'Een stierenheir van Basan, fel van krachten'. Hoe diep heeft Hij moeten bukken onder de last van de toorn van God. Gethsemané: 'Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede'. Golgotha: 'Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?' Een strijd, een worsteling, die met geen pen is te beschrijven. Nu echter mag Hij zìtten aan de rechterhand Gods. Als teken, dat alles volbracht is. Dat de grote strijd gestreden is. Dat de overwinning is behaald. Na alle storm en strijd nu de rùst van de koninklijke heerlijkheid.
2. Dat brengt ons tegelijk bij een tweede aspect. Christus' zitten aan Gods rechterhand is nl. ook een teken van eer. In 1 Kon. 2 : 19 lezen we hoe Salomo aan de rechterzijde van zijn troon een stoel liet plaatsen voor zijn moeder. Daarmee bewees hij haar de grootst mogelijke eer. Er was geen voornamer plaats dan die aan de rechterhand van de koning. Dat blijkt ook uit psalm 45: Op de dag van zijn bruiloft is de Koning omringd door tal van schone prinsessen, maar de éreplaats, de plaats aan zijn rèchterhand is voor niemand anders dan voor zijn Bruid: 'De Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir' (vs. 10). M.a.w.: Christus' verhoging tot Gods rechterhand is een teken van de allerhoogste eer. Niemand is aan Hem gelijk. Hij heeft een naam ontvangen boven alle naam. Een heerlijkheid en glorie die zelfs die van de engelen te boven gaat: 'Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten' (Hebr. 1 : 13).
3. Daarmee komen we tegelijk bij het derde en o.i. voornaamste aspect, nl. dat met de belijdenis van Christus' zitten aan Gods rechterhand ook wil aangeduid zijn Zijn machtspositie. Oosterse vorsten, die veel macht hadden, vertrouwden het bestuur over hun rijk nogal eens toe aan een bekwame vertrouweling, van wie dan gezegd werd, dat deze naast de koning zat of stond. Zo is ook Christus gegeven 'alle màcht in hemel en op aarde' (Matth. 28 : 18). Het Griekse grondwoord (exousia) heeft de betekenis in zich van: bevoegdheid, volmacht, macht, die iemand rèchtens van een ander heeft ontvangen. Eenmaal bood satan als overste van deze wereld aan Christus alle heerschappij over de koninkrijken der aarde (Luk. 4 : 5-7). Dat wees Christus af. Als loon op Zijn arbeid ontvangt Hij echter uit handen van Zijn Vader rèchtens koninklijke macht en heerlijkheid. Op indrukwekkende wijze wordt dat door Paulus bezongen in Efeze 1: 'En heeft Hem gezet aan Zijn rechterhand in de hemel. Ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende. En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen en heeft Hem de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen' (Efeze 1 : 20).
Zijn werk gaat door
Christus' zitten aan de rechterhand van God en de 'machts-positie' daarmee gegeven is dus tegelijk een aanduiding voor het feit, dat Zijn werk dóórgaat. Het betreft hier dan ook een heilsfeit, dat nog altijd voortduurt. Teken van de voortgang van Zijn werk. Christus is niet werkloos in de hemel. Nee, vanaf Zijn troon zet Hij Zijn profetische, priesterlijke en koninklijke dienst krachtig voort. In het vorige artikel zagen we reeds, hoe Hij in de hemel Voorspraak en Voorbidder is voor Zijn gemeente. Hoe Hij voor zondaren plaats bereidt in het Vaderhuis. Dat van Hem beleden mag worden: 'Die ook ter rechterhand Gods is. Die ook voor ons bidt' (Rom. 8 : 34).
Echter, Zijn zitten aan Gods rechterhand legt bijzondere nadruk op Zijn Koningschap. Hoe Christus de Koning der eeuwen is en de Heere der wereld. Een belijdenis van zeer verstrekkende betekenis. Het boodschapt u en mij: Niet satan regeert. Niet het noodlot. Niet het toeval. Maar Christus! Welke krachten zich ook breed maken, welke brallende persoonlijkheden zich ook naar voren dringen, onze wereld is uiteindelijk toch niet de speelbal van allerlei onbestemde machten en krachten. Nee, er is een troon gezet in de hemel en op die troon zit niemand minder dan de gekruisigde en opgestane Zaligmaker.
Hij heeft overwonnen en vanaf Zijn troon leidt en regeert Hij alle dingen zo, dat alles dienstbaar is aan de voortgang van Zijn werk. Aan de toevergadering van Zijn gemeente. Aan de doorbraak van Zijn eeuwig Koninkrijk, de komst van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Hij regeert. Naar het woord van de apostel: 'Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben' (1 Kor. 15 : 25). Geloven we dat nog? Leven we daarbij? Stempelt het geloofsartikel van Christus' zitten aan de rechterhand Gods ook ons lezen van de krant en onze analyse van het wereldgebeuren?
Troost en uitzicht
Hij regeert. Een belijdenis van onschatbare waarde voor allen, die het om Hem en Zijn Koninkrijk te doen is. Zeker, Zijn gemeente is nog op de aarde. In de woestijn (Openb. 12 : 6). Daar 'waar de troon des satans staat' (Openb. 2 : 13). Allen, die door het geloof met Christus verbonden zijn, verkeren als schapen in het midden van de wolven (Matth. 10 : 16). Als lichten in het midden van een krom en verdraaid geslacht (Fil. 2 : 15). En dat betekent: strijd, verzoeking, lijden, verdrukking. Maar de wetenschap, dat hun Heere en Heiland zit aan de rechterhand Gods mag voor hen een uitnemende troost zijn. Het predikt mij: Híj heeft overwonnen. Híj staat boven alles. Als een eeuwig Koning waakt Hij met een meer dan vaderlijke zorg over al Zijn onderdanen. Nooit verliest Hij hen uit het oog. Hij beschut. Hij bewaart. Hij sterkt in de strijd. Satan mag woeden. Mensen en machten inschakelen. Nochtans, Christus waakt en 'alle schepselen zijn alzo in Zijn hand, dat ze zich zonder Zijn wil noch roeren, noch bewegen kunnen' (H.C. zo. 10). Hij regeert. Daarin ligt ook de voortgang van Gods werk vast. Gods welbehagen gaat door de hand van Christus gelukkig voort. Het Lam, dat geslacht is, heeft de 'macht', de bevoegdheid om de zeven zegels van Gods verzegelde rol (Openb. 4) te openen en zo de wereldgeschiedenis te stuwen naar haar grote einde en doel. Christus' zitten aan de rechterhand Gods geeft ons daarom ook de garantie: dáár gaat het op aan. Dáár loopt het gewis op uit. Op die grote dag, waarop Hij zal opstaan van Zijn troon en zal wederkomen op de wolken van de hemel met grote kracht en heerlijkheid. Tot op die dag mag Christus' Kerk zaaien, prediken, dienen, evangeliseren, bidden, zingen en getuigen in de verwachting van de grote oogst, 'als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere' (1 Kor. 15 : 58). Waarbij onze hoop en verwachting is van Hem, Die op de troon zit en Die alle macht heeft.
Een geloofswetenschap
Tenslotte, de belijdenis van Christus' koningschap is een bestreden, een aangevochten belijdenis. Zeker, Hij 'is opgevaren en Hij ìs gezeten aan de rechterhand Gods en Hem ìs gegeven alle macht in hemel en op aarde. Dat is vast. Een onbetwistbaar heilsfeit. Een heilsfeit, waar Christus' Kerk ook in dit laatste der dagen uit mag leven. Een wetenschap, waarop in het geloof van heler harte 'Amen' gezegd mag worden. Maar wel een gelóófswetenschap.
Immers, zien wij alleen met ons natuurlijk oog, dan lijkt iedereen en alles het voor het zeggen te hebben in deze wereld, behalve Christus. Het woeden van satan is tastbaar. Machtshonger van verdwaasde leiders zorgt voor bloed en tranen. Hoe ontzaglijk veel is er niet, dat zich onttrekt aan Christus' heerschappij. Christus' Kerk is nu nog 'kerk onder het kruis' Aan allerhande verdrukking en vervolging prijsgegeven. De Hebreeënbrief getuigt dan ook: 'Doch nu zien wij nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn'!
En toch, toch mag er in één adem aan worden toegevoegd: 'Maar wij zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond' (Hebr. 2 : 8-9). Dat zien is het zien van het gelóóf. Waarbij temidden van alle verberging van Christus' koningschap toch mag worden beleden: Hij ìs gezeten aan de rechterhand Gods. In heerlijkheid. In glorie. Met onbeperkte en onbegrensde macht. Zalig, wie voor Hem leerde buigen. Wie in ootmoed voor Hem leerde knielen. Wie zich aan Zijn scepter leerde uitleveren. U staat een sterke Held terzij. Een machtige Koning. Een Koning, Die trouw is tot in eeuwigheid.
'Maar eeuwig bloeit de gloriekroon
Op 't hoofd van Davids grote Zoon'.
L. W. Ch. Ruijgrok, Middelharnis
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's