Globaal bekeken
'De appel valt niet ver van de boom.' In een huisorgaan troffen we de volgende verwoording van dit gezegde van Jacob Cats in diens 'Spiegel van den Ouden en de Nieuwen Tijdt' (1632):
Want wat het zij en hoe het gae,
De sone doet den vader nae;
De dochter gaet haer moeders gangh,
En dat haer gantsche leven langh.
Ook in het volgende gedichtje komt deze waarheid naar voren:
Al wat van katten spruyt dat is geneygt te muysen;
Al wat van apen komt dat is gesint te luysen;
De jongen van den uyl of van den vledermuys
Zijn 's nachts meest op de loop en 's avonts selde thuys;
De jongen van den vos, die willen hoenders vangen,
De jongen van den wolf, die gaen haer moeders gangen,
Al wat van seugen koomt dat wentelt in het slijck,
En wat een exter broet dat huppelt op den dijck;
Wat eyster yemant meer? siet allerhande jongen
Die pijpen even soo gelijck de moeders zongen.
In het Verzameld Werk van wijlen mr. Abel J. Herzberg (uitgave Querido, Amsterdam) kwamen we het volgende tegen over Arend Struik voor wie Herzberg zich als advocaat inspande:
'… Ik heb alle reden om me voor Arend in te spannen. Mijn dochter is in de oorlog bij hem ondergedoken geweest en hij was bereid haar met zijn eigen leven te verdedigen. Hij droeg een revolver op zak. "Als ze aan Bets komen", had hij beloofd, "schiet ik." Hij zou het hebben gedaan ook.
Zijn vrouw vond dat best. Ze waren er zich waarschijnlijk niet eens bewust van geweest welke gevaren zij liepen.
Daar was ik Arend en zijn gezin dankbaar voor en dat zal ik altijd blijven. Ze hebben het kind een paar jaar lang verzorgd en er – wat mij betreft – de hemel mee verdiend.
Maar dat is het niet waarom Arend mij zo ter harte gaat. Anderen hebben hetzelfde gedaan als hij; weinigen misschien in verhouding tot de omvang van de bevolking, maar in elk geval genoeg om hem niet als een uitzondering te vereren. Er was iets anders. Arend heeft naar mijn smaak aan het verzet een dimensie toegevoegd, hij heeft er ook een waarmerk van echtheid op gedrukt en als hij ook daarin geen uitzondering was, des te beter. Nagenoeg niemand die het weet, daarom moet het worden verteld.
Hij was een man van zwaar gereformeerden huize, zoon van een boer en zelf ook werkzaam in een aan het boerenbedrijf verwante zaak. Een der kleine luiden van de door hem hoogvereerde Abraham Kuyper. Er werd dus in het gezin van Arend dagelijks voor de maaltijd uit de Heilige Schrift gelezen, ook natuurlijk op de eerste dag dat het vreemde joodse meisje aan zijn tafel zat.
Wat heeft Arend die avond voorgelezen, toen hij de zware, veel beduimelde foliant van de familie opensloeg? Hij las in de statige taal van de statenbijbel Jesaja 40.
Hij las, en het kind, uit eigen huis verdreven, met haar zorgen om hen die zij verlaten had, met haar angst omtrent de toekomst en met haar reeds opgedane bittere ervaring te midden van vreemden, hoorde: Troost, troost mijn volk.
Het kind is bereid die woorden te geloven. Zij openen een deur naar een huis en een hart. Troost, troost; het kind hoort verder, en als zij de zinnen niet volgen kan hoort zij flarden van zinnen die zij aan hun vertrouwdheid herkent.
Spreek naar het hart van Jezuralem en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is.
Een stem des roependen in de woestijn: bereidt de weg des Heeren. Wat krom is zal recht en wat hobbelig is, zal tot een vallei worden… O Jeruzalem!… hef uw stem op met macht, hef die op, vrees niet… de Heer zal komen tegen den sterke en zijn arm zal heersen… Hij zal zijn kudde weiden, gelijk een herder Hij zal de lammeren in zijn armen vergaren en in zijn schoot dragen… waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israël! mijn weg is voor den Heer verborgen en mijn recht gaat aan mijnen God voorbij?… Hij geeft de moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dergenen, die geen krachten heeft…
Dit is het wat Arend leest met zijn schorre stem. Waarom doet hij dat? Wie heeft hem geraden op deze dag juist dit hoofdstuk te kiezen? Niemand.
Voor menigeen zijn het grijze woorden die hij voorgelezen heeft, klanken uit een verleden dat al lang overwonnen is. Maar als dit alles zo is, dan blijft toch over dat een eenvoudig man, door niemand voorgelicht, in een tijd waarin de tirannie hem dreigt te wurgen en hij niets rondom zich ziet dan botte macht, blijft geloven aan een gedachte die sterker is dan deze. "Wat krom is zal recht worden…" Hoe weet hij dat? Wat verworpen is, raapt hij op. Hij gelooft niet aan de verworpenheid, hij spreekt het moed in en dat doet hij met de stem van de profeet der verworpenen zelf. Hij redt niet enkel een mensenleven. Hij doet veel meer dan dat. Als je dan ook vraagt naar het verzet in de bittere jaren van de bezetting en je bent teleurgesteld over het geringe aantal van hen die daaraan hebben deelgenomen, vraag dan vooral naar wat hen heeft bezield. Zoek het antwoord niet in de grote menigte en nog minder bij de voornamen of de vooraanstaanden onder de bevolking. Het ligt dichterbij. Je kunt het vinden in de simpele enkeling, een man, zoals bij voorbeeld Arend.
En vergeet niet wat er voor nodig is, voordat een eenvoudig man in staat is om op de eerste avond dat een joods onderduikertje bij hem aan tafel zit, de profeet te doen herleven en te zeggen: Troost, troost, mijn volk. Uit het luchtledige ontstaat zo iets niet. Daar is ten minste driehonderd jaar hervorming voor nodig. (…)'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's