Het verbond in de liturgische formulieren (2)
(Lezing gehouden op studie-ontmoetingsdag op dinsdag 3 mei 1994 in De Schakel te Nijkerk)
4. Het doopformulier en het avondmaalsformulier
De twee formulieren waarin de gedachte van het verbond een grote plaats inneemt, zijn het doopformulier en het avondmaalsformulier. We concentreren ons daarom vooral op deze twee formulieren. Het zijn de formulieren, die in de Gereformeerde Kerk in ons land de diepste sporen getrokken hebben. Niet alleen de uitdrukking 'verbond der genade' komt herhaaldelijk voor, maar ook nauw verwante gedachten als het 'in Christus geheiligd zijn' van de kinderen der gemeente in het doopformulier of de aanduiding: 'zeer geliefde broeders en zusters in de Heere' in het avondmaalsformulier.
Nu eerst eens iets over de historische afkomst van beide formulieren. Het doopformulier, zoals wij dat kennen, is afkomstig uit Heidelberg, de plaats van de Heidelbergse Catechismus. In de gereformeerde kerkorde van 1563 komt het formulier voor, waar het staat in de reeks doop – catechese – belijdenis – avondmaal. De belangrijkste auteur ervan is Olevianus. De verbondsgedachte in het formulier vertoont duidelijk het foederale denken van deze theoloog.
Olevianus maakte gebruik van gedachtengoed uit Zürich, maar vooral van Calvijn. Daarnaast treft ons de overeenkomst met het formulier in de kerkorde van Micron (de christelicke Ordinanciën, 1554 uit Londen) nauw verwant met de Forma ac ratio van a Lasco (1551).
In 1566 komt het formulier voor in de uitgave van de Psalmberijming van Datheen. Velen zijn dan ook van mening dat Petrus Datheen, tijdens zijn predikantschap te Frankenthal in de Palz de vertaler en bewerker is geweest van het oorspronkelijke Heidelbergse formulier. Anderen, zoals Olthuis, houden niet Datheen maar Gaspar v. d. Heijden voor de vertaler en bewerker ervan. Via Frankenthal is het formulier in ons land gekomen. Dordrecht 1574 nam het in verkorte vorm aan. Er zijn in de zestiende eeuw verschillende bewerkingen van in omloop geweest. De Nat. synode te Dordrecht 1618-1619 nam het formulier aan in de vorm zoals wij het kennen.
Het avondmaalsformulier is eveneens ontleend aan de kerkorde van de Palz (1563). Ook in dit formulier vinden we allerlei gedachten, die gemeengoed zijn in de Reformatie. Al is de avondmaalsopvatting, die er in vertolkt wordt echt Calvijns. Historisch bezien is ons formulier een samenstel van onderdelen uit drie bronnen. Ten eerste de Orde van Calvijn in Genève. Ten tweede de Forme des nachtmaels in De christelicke Ordinancien van Micron (Londen 1554) en ten derde, wat merkwaardig, de Lutherse Agende van Württemberg. Uit deze derde bron stamt het gedeelte: 'Opdat wij nu vast zouden geloven dat we tot dit genadeverbond behoren' tot en met de zinsnede: 'Daartoe helpe ons de almachtige, barmhartige God en Vader van onze Heere Jezus Christus, door zijn Heilige Geest. Amen'. In dit gedeelte staat de passage over de gemeente als het ene brood uit vele graankorrels en de ene wijn uit vele druiven. In het avondmaalsformulier ontdekken we ook nog andere bronnen. Zo is de zondencatalogus grotendeels ontleend aan Oeculampadius in de kerkorde van Bazel 1529. Gedeelten van het gebed vinden we ook al in de liturgie van Bucer te Straatsburg (1539). Het sursum corda (omhoog de harten) is al heel oud. Het komt al voor in de Vroege Kerk bij Cyprianus. In 1566 verscheen een Nederlandse vertaling van het formulier van de hand van Datheen, achter zijn psalmberijming en catechismus. De synoden van de vaderlandse kerk in de 16e eeuw voerden het formulier in, anders dan het doopformulier, in onverkorte vorm. Dordrecht 1618-1619 sloot zich hierbij aan. Overzien we het geheel van het brongebied van de beide formulieren dan zien we dat dat zeer breed is. De grote plaats van de verbondsgedachte in deze formulieren is dus meteen een bewijs, dat deze notie een samenbindende gedachte is geweest in de gemeenten van de Reformatie in de 16e eeuw.
5. Enkele karakteristieke punten
We gaan nu wat dieper in op een aantal punten in de formulieren, die met de verbondsgedachte samenhangen. Het gaat ons daarbij niet alleen om de uitdrukking: verbond, verbond der genade of testament zelf, maar ook om de inhoudelijke zijde van de theologie van de beide formulieren. We onderscheiden vier thema's:
1. Het beloftekarakter van het heil
2. God is de eerste is ons leven
3. De twee delen van het verbond
4. De visie op de gemeente
5.1. Het beloftekarakter van het heil
De beide formulieren worden niet moe te verkondigen dat de Heere God in zijn verbondstrouw de mens opzoekt om hem te redden. Heel de beweging van God uit naar de mens toe is soteriologisch bepaald. Hierin voltrekt zich een wonder van Gods genade, aangezien de mens in zichzelf de dood verdient door zijn zonden en misdaden. God treedt de mens dus tegemoet met zijn heil, de weldaden van het verbond. Welnu, de wijze waarop Hij dat doet is die van de belofte. God is een veelbelovende God, Die door en door betrouwbaar is.
In het doopformulier wordt deze gedachte uitgewerkt in de bespreking van de doopformule. Ik doop u in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Als de dopeling in de naam van de drieënige God wordt gedoopt, wordt aan hem/haar Gods belofte van heil verzegeld. De woorden, die hiervoor gebruikt worden, zijn: betuigen, verzegelen, verzekeren. God zelf treedt handelend op als de Vader die belooft zijn verbond met ons op te richten, als de Zoon die belooft om ons te wassen in zijn bloed, als de Heilige Geest, die belooft geloof en bekering in ons hart te bewerken. Dit beloftekarakter van het heil treedt ook duidelijk naar voren in het oudere, langere formulier van 1566 als er staat: 'Nadat Christus ons onze ellendigheid zo voor ogen heeft gesteld, troost Hij ons opnieuw door zijn barmhartigheid, doordat Hij ons en onze kinderen belooft van al onze zonden te wassen. En opdat Hij deze belofte aan ons zwakke geloof zou bevestigen, en aan ons lichaam verzegelen, heeft Hij bevolen dat wij in de Naam van God, van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest zouden gedoopt worden.'
Het beloftekarakter van het heil vraagt om een antwoord. Het is het antwoord van het geloof. Het geloof dat de beloften van God omhelst. Het geloof waardoor de inhoud van de beloften ook realiteit zijn. Zo belijden de ouders hun geloof, openlijk in het midden van de gemeente als zij hun ja-woord geven bij de doop van hun kind. Ook is het dankgebed na de doop vol van dit geloof. Alleen zo, maar zo ook voluit kan de gemeente belijden: 'Wij danken u dat Gij ons en onze kinderen al onze zonden vergeven hebt en ons tot uw kinderen aangenomen hebt.'
In het avondmaalsformulier is de nadruk op Gods beloften ook steeds aanwezig, ook wanneer deze niet expliciet verwoord wordt. In het gedeelte van de zelfbeproeving worden wij als mensen, die een mishagen aan onszelf gekregen hebben, opgeroepen om de gewisse beloften van God te geloven dat al onze zonden alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus vergeven zijn. In het gedeelte van de overdenking van het lijden en sterven van Christus wordt verklaard dat reeds aan de voorvaderen in het Oude Testament van het begin af het heil in Christus beloofd was. Het gaat èn bij hen èn bij ons om een en hetzelfde heil, het heil van het verbond dat God ons belooft. Ook in dit formulier wordt de belofte geplaatst in het kader van het geloof. In diepe afhankelijkheid dankt de gemeente voor dit geloof, dit waarachtige geloof, dat God geeft, waardoor wij deze weldaden deelachtig worden.
God biedt Zijn heil aan. Slechts in het geloof is het een realiteit. Dat brengt een enorme spanning te weeg, de spanning van het verbond. Deze spanning slaat dood door ongeloof. Ongeloof is de Heere in Zijn beloften voor een leugenaar houden. Dat is de ernst van het ongeloof. Pas daarom op voor deelnemen aan de sacramenten uit gewoonte of bijgeloof. Het behoud in de ark van Noach slaat dan om in het oordeel van de zondvloed. Het behoud door de Rode Zee verandert in een watergraf. In plaats van het aangenomen worden in genade, maakt het ongeloof dat we geen deel in het rijk van God hebben. In dit licht bezien is de zelfbeproeving in het avondmaalsformulier een vraag naar dit geloof, dat de beloften van God behelst. In het geloof worden de beloften van het heil in Christus tot beleefde werkelijkheid. Tegelijk doet het de avondmaalsgangers uitzien naar het moment dat Hij, Christus (weder)komt. En het doet de gemeente rondom de doopvont verlangen naar het moment dat ze eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zal gesteld worden.
W. Verboom, Hierden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1994
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1994
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's