De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eigenaardigheden van de gereformeerde vroomheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eigenaardigheden van de gereformeerde vroomheid

Gereformeerde en middeleeuwse vroomheid (6)

9 minuten leestijd

Zoals we in de voorafgaande afleveringen hebben gezien, bestaat de gereformeerde vroomheid voor een aanzienlijk gedeelte uit onderdelen die overgenomen zijn uit voor-reformatorische devotionele tradities. Die overname heeft niet integraal plaatsgevonden. De typisch roomse karakteristica zijn eruit verwijderd. Zo zijn de aanroeping en verering van engelen en heiligen, met Maria voorop, de middelaarsbetekenis en -functie van de kerk en de ambten zijn verdwenen. De grote meerwaarde die aan het monnikendom en de geestelijkheid werd toegekend, zoekt men tevergeefs.
Minstens even belangrijk is het dat de kaders waarbinnen de voor-reformatorische devotie doorgaans haar plaats had, in de gereformeerde vroomheid ingrijpend zijn veranderd. De heiliging is in de plaats van de rechtvaardiging gekomen, eigen activiteit heeft de plaats in moeten ruimen voor goddelijke werkzaamheid, eigengerechtigheid voor goddelijke genade.

Eigen aard
Het gereformeerd Piëtisme heeft vrijwel geen nieuwe vroomheidselementen en -verschijnselen in het leven geroepen. In dit opzicht is die stroming traditioneel gebleven. Zij wilde ook niet anders. Het gereformeerd Godsbeeld en het hieruit voortvloeiende waarheidsbegrip werden bepaald door categorieën als eeuwigheid en onveranderlijkheid. Het stond dan ook voor de gereformeerde piëtisten als een paal boven water dat de bijbelse waarheid door God Zelf gegarandeerd was voor alle perioden van de geschiedenis. Op dit inzicht was hun opvatting van katholiciteit gefundeerd. Het moge zo zijn, dat de waarheid de ene tijd veel helderder heeft geschenen dan de andere tijd, maar de Heere heeft er Zelf voor ingestaan dat die nooit geheel is verdwenen. Zo was de Reformatie in hun ogen evenals in die van de hervormers niet een nieuwigheid, maar een herleving van het eerste Christendom. Een zelfde visie hadden zij op de gereformeerde vroomheid, zij het dat zij die veel meer dan de gereformeerde leer in de Middeleeuwen aanwezig achtten. De voor-reformatorische devotie was naar hun inzicht veel katholieke dan de roomse leer.
De gereformeerde piëtisten hebben de katholieke traditionele vroomheidsmotieven en -modellen geïntegreerd in hun eigen gereformeerde kaders, waardoor hun vroomheid toch een specifiek karakter vertoont. Het is de dogmatische structuur waarbinnen de devotionele elementen zijn opgenomen, die het gereformeerd Piëtisme zijn eigen aard verleent.

Verkiezing
Kenmerkend voor de reformatorische vroomheid in het algemeen zijn kaders als de normativiteit van de heilige Schrift, de onverdienstelijkheid van de goede werken en de onmisbaarheid van het persoonlijk geloof. De gereformeerde positie onderscheidt zich hierin van de andere reformatorische modaliteiten dat zij het genadekarakter van het heil ten top voert. De gereformeerden brengen dit onder woorden met het begrip 'verkiezing'. Dit dogmatisch motief, dat als een inblijvend werk van Gods wezen in de eeuwigheid is gepositioneerd, is bij hen het bepalende principe, van waaruit zich het hele heil in de tijd ontvouwt.
Dat een mens tot geloof komt, is louter een gevolg van het soevereine welbehagen van de drieënige God. Een mens kan er ten diepste niets aan doen dat hij tot geloof komt. Deze opvatting wil geen lijdelijkheid kweken, maar is bedoeld om het eenzijdige van de goddelijke genade des te heerlijker te laten uitkomen. De rechtvaardigmaking van de goddeloze door het geloof blijft het leerstuk waarmee de kerk staat of valt, maar ze wordt wel teruggeprojecteerd tot vóór het geloof, tot in de eeuwigheid: de rechtvaardiging van eeuwigheid.
De verkiezing en derhalve de genade zijn geen eindbestemmingen op zichzelf, maar zijn gericht op de verheerlijking van God. Deze grootmaking van het goddelijke Wezen vindt plaats wanneer mensen Hem bedoelen door middel van het doen van goede werken. Het hangt met deze gerichtheid van de verkiezing op de vroomheid samen dat in het gereformeerd Piëtisme steeds met nadruk wordt gesteld dat de Heere niet alleen mensen in Zijn verkiezend besluit heeft besloten, maar ook de middelen met behulp waarvan een godzalig leven kan worden geleid.

Concreetheid
In vergelijking met het lutherse Piëtisme neemt de heiliging in de gereformeerde vroomheid veel concretere vormen aan. Zoals Christus als het Woord vlees is geworden, zo is het Gods bedoeling dat het heil, dat door het Woord wordt bemiddeld, in daden wordt omgezet. De genade is niet slechts geestelijk van aard, maar wil ook de aardse werkelijkheid doordringen en zuiveren. Ook al blijft het op de wijze van de voorlopigheid, het heil vernieuwt levens en leefverbanden. De theocratie vraagt in het kader van de heiliging om een aardse realisering en praktische concretisering. De aardse werkelijkheid, de geschiedenis en het natuurlijk bestaan worden voluit serieus genomen. De genade zweeft niet boven de natuur, maar doordringt deze. De herschepping is geen nieuw produkt, maar de vernieuwing van de schepping. Het heil is niet uitsluitend een toekomstige grootheid, maar neemt heel bescheiden reeds in het hier en nu gestalte aan.
In dit licht moet de nauwkeurige regulering van het persoonlijk geestelijk leven en van de gedetailleerde voorschriften voor de heiliging van allerlei levensgebieden met inbegrip van de casuïstiek worden gezien. De wet der Tien Geboden verkrijgt op deze wijze bij de gereformeerde piëtisten een stringentere betekenis dan elders in het Protestantisme. Men kan zelfs stellen dat dit ook geldt voor wat betreft de waardering van het Oude Testament in het algemeen.
De gereformeerden nemen aan de ene kant het Schepper-zijn en het Onderhouder-zijn van de Heere zo hoog op en gaan aan de andere kant zo vast uit van de enkelvoudigheid van het goddelijk Wezen, dat zij de genade en het heil veel directer op de natuur en de geschiedenis betrekken dan bij voorbeeld de luthersen. Dit alles weegt voor hen zo zwaar, dat zij de gevaren van wetticisme, van vermaatschappelijking en politisering van het evangelie op de koop toe nemen.

Tucht
Het voorgaande heeft ook consequenties voor de opvatting over de kerk. Deze is het lichaam van Christus. Maar als zodanig is de kerk niet louter geestelijk en onzichtbaar. Zij neemt een concrete gestalte aan. Haar geestelijk karakter vraagt nu om waakzaamheid met het oog op haar heiligheid. Zij mag niet toestaan dat de zonden openlijk in de kerk of door kerkmensen bedreven worden. Christus en Belial moeten zoveel mogelijk gescheiden blijven.
De weerbarstigheid van de menselijke natuur en van de aardse werkelijkheid leiden ertoe dat de christelijke tucht een integrerend bestanddeel van de gereformeerde vroomheid is. De tucht is geconcentreerd rondom het Avondmaal. Bij deze ceremonie wordt de liefdesgemeenschap met God en de medechristen zichtbaar. Zij die door middel van openlijke zonden er blijk van geven de liefde te vertrappen, worden niet tot de bediening van het Avondmaal toegelaten. Bij moedwillige en langdurige onbekeerlijkheid wordt de zondaar ten slotte, zelfs van de gemeente afgesneden.
God rechtvaardigt wel zondaren, maar uit de rechtvaardigmaking moet de heiliging opbloeien. Indien dit laatste niet gebeurt, is dat een bewijs dat de rechtvaardiging niet werkelijk heeft plaatsgevonden. Een vroom leven wordt zo een belangrijke toetssteen van het ware geloof.

Veralgemening
Het gereformeerde Piëtisme heeft de katholieke componenten van de middeleeuwse devotie niet alleen geïntegreerd in de gereformeerde dogmatiek, maar heeft ze ook aangepast aan de veranderde maatschappelijke en culturele omstandigheden. Het Humanisme en de Hervorming hebben de feitelijke scheiding doorbroken die in de Middeleeuwen bestond tussen natuur en genade, tussen clerus en gemeenteleden en tussen de gewijde ruimten van de kloosters en de die omringende wereld die in het boze lag. Was de devotie vóór de Reformatie hoofdzakelijk een aangelegenheid van geestelijken en kloosterlingen, de protestanten en met name de gereformeerden hebben de spiritualiteit en de praktijk der godzaligheid overgedragen op alle gelovigen. Zij wilden niet weten van een diepe kloof tussen geestelijkheid en de massa. Vroomheid is de roeping voor elk christen.
De gereformeerde piëtisten hebben als geen andere protestanten het ambt aller gelovigen nagestreefd. Ieder mens is schepsel van God en heeft als zodanig de verplichting om Hem te eren, te dienen, te lieven en te loven. Het doet er hierbij niet toe of men ambtsdrager is of niet, of men een sacraal gewijd leven kent of dat men met behulp van een aards beroep in zijn levensonderhoud voorziet, of men vrijgezel is of dat men gehuwd is, of men bestudeerd of ongeletterd is en of men oud of jong is. Vroomheid bij kinderen en jeugdigen ontvangt zelfs speciale aandacht. Er ontstaat het genre van de spirituele kinder(auto)biografie.

Verburgerlijking
In de Nieuwe Tijd waren daar waar de Hervorming werd doorgevoerd, de standen die vroeger in de politiek en de maatschappij de dienst uitgemaakt hadden, de adel en de geestelijkheid, verdrongen door de burgerij. De steden hadden zich ontwikkeld tot centra van economische macht, politieke betekenis en culturele activiteit. De burgers als dragers van die stedelijke macht legden een eigen leefpatroon aan den dag. Binnen deze cultuur ontstond het gezinsleven zoals wij vandaag de dag dat globaal nog kennen. Het gezin werd de constituerende factor van de samenleving.
Wat deden de gereformeerde piëtisten nu? Zij ontdeden de middeleeuwse devotie van haar typisch roomse elementen en verbanden en transponeerden de aldus verkregen katholieke vroomheid vanuit de hermetisch afgesloten kloosters tot in de burgergezinnen die een open relatie met de maatschappelijke werkelijkheid hadden. Werd vroeger de heilige Schrift binnen het klooster gelezen, werd daar gebeden, gemediteerd en gezongen, werden daar geestelijke gesprekken gehouden en werden daar stichtelijke geschriften gelezen, nu vonden al die zaken in het kader van het gezinsleven plaats. Het gezin werd dan ook beschouwd als een kleine gemeente, waarbinnen de Heere op een analoge wijze gediend moest worden. Er verschenen uitvoerige handleidingen voor de onderlinge relaties in het gezin en voor de gezinsgodsdienst als geheel.

Vermaatschappelijking
De verburgerlijking van de devotie leidde als vanzelf tot vermaatschappelijking. Had de middeleeuwse vroomheid een anti-werelds karakter gehad, de gereformeerde praktijk der godzaligheid kwam door haar intocht in de huisgezinnen van de burgers in direct contact met allerlei maatschappelijke verbanden. De burgers hadden hun dagelijks beroep, dat zij niet individueel, maar in gildeverband uitoefenden. De gereformeerde vroomheidsbevorderaars wilden als calvinistische theocraten het totale leven onder het beslag van Gods Woord brengen. Zij ontwierpen daarom een beroepsethiek, waarin de uitgangspunten van de gereformeerde vroomheid werden toegepast op allerhande beroepen. In geschrifte zetten zij uiteen op welke wijze een soldaat, een boer, een visser, een zeeman, een handelaar, een schoolmeester enzovoorts in het verrichten van zijn beroepswerkzaamheden de Heere kon behagen. Zij lieten het niet bij theoretische voorschriften, maar trachtten ook in de praktijk tot de verwerkelijking van hun inzichten te komen. Zo heeft Udemans in zijn gemeente Zierikzee officiële onderhandelingen gevoerd met het vissersgilde om te bereiken dat door deze beroepsgroep de dag des Heeren ontzien zou worden.
Uit de burgers werden de stadsmagistraten gërecruteerd. Op hun beurt leverden deze weer personen voor de hogere regeringsinstanties. Het ligt dan ook in den rede dat een man als Teellinck een werk schreef dat als titel voert: Den politycken christen.

J. W. op 't Hof, Nederhemert

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1994

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Eigenaardigheden van de gereformeerde vroomheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1994

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's