De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samen schuldig

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samen schuldig

Openingswoord jaarvergadering Gereformeerde Bond

14 minuten leestijd

'Aanschouw het verbond.' Onder de koepel van dit gebed stelden wij de samenkomst van bezinning en gebed, de ambtsdragersvergadering, te Putten, in november 1992. Nadien is verschillende malen en op verscheidene wijze het Verbond ter sprake gebracht in verband met de brandende vragen romdom het S.o.W.-proces.
Vandaag bij de opening van de 88ste jaarvergadering van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk willen wij, zonder specifiek over het Verbond te spreken, één van de aspecten daarvan eerlijk onder ogen zien. Dat is het schuldbesef in het licht van het Verbond.
Wie een beroep doet op de trouw van de God des Verbonds moet zich ook terdege rekenschap geven van de keerzijde van Gods trouw, de ontrouw van het volk des Verbonds. Wij wezen daar al op in de samenkomst te Putten: 'Wie vandaag profeet wil zijn, biddend voor de kerk, zal die profetenmantel waardig moeten dragen. Die zal een profetenhart in zich hebben, zoals dit van Israëls profeten gold. Het was hen eigen zich met de schuld van het volk te vereenzelvigen'. Deze vereenzelviging van schuld kan niet alleen betrekking hebben op de kerk van vandaag. Dat geldt eveneens de schuld van ons voorgeslacht. We mogen dat niet uit het oog verliezen als wij, juist in het proces S.o.W. wijzen op onze verbondenheid met de kerk der vaderen, de vaderlandse kerk. Wij beminnen de kerk, die vaderlandse kerk, om alles wat God in het verleden aan haar gedaan en gegeven heeft.
Wij zijn dankbaar voor de erfenis die wij ontvangen hebben door de kerk der eeuwen.
Wij weten ons geroepen die erfenis als een pand, dat God ons toevertrouwde, te bewaren voor onszelf en voor ons nageslacht. Maar past ons dan ook niet de verootmoediging voor alles wat er in de loop der tijden in de kerk van de kant van mensen is misgegaan en verkeerd gedaan? Meermalen is in verband met S.o.W. gezegd, dat er bij het zoeken naar eenheid ook een eenparige schuldbelijdenis moet zijn. Ook dat is toch een aspect van het Verbond. Nooit kunnen en mogen wij ons losmaken van het verleden. De christelijke gemeente is altijd getypeerd door de samenhang der geslachten.

De Verbondsketen
De samenhang der geslachten heeft van het begin in de bijbel een onopgeefbare plaats gehad. Het heeft God behaagd Zijn Woord voort te planten door middel van mensen, van geslacht op geslacht, van Adam af. De kinderen hadden het recht aan hun vaders te vragen: 'Wat hebt gij daar voor een dienst?' De vaders hadden de plicht hun kinderen dan te wijzen op het feit dat de Heere de geslachten eerder het volk had uitgevoerd uit Egypte. Dit is de Heere een paasoffer (Ex. 12 : 26). De vaders werden geroepen de fakkel van het Evangelie, de loffelijkheden des Heeren en Z'n wonderdaden door te geven aan het navolgende geslacht. 'Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden, en zouden opstaan, en vertellen aan hun kinderen en dat zij hun hoop op God stellen zouden en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren' (Psalm 78).
In deze estafetteloop der geslachten ging het om de belofte van de komende Christus, die reeds in het paradijs gegeven was aan Adam, de eerste mens. Deze belofte van de Middelaar van het Nieuwe Verbond, de Heere Jezus Christus, was rééds en stééds aanwezig in de lenden van het volk Israëls. God had Israël uitverkoren om deze belofte heen te dragen naar de tijd der vervulling. Zo zag Abraham zijn dag van verre en heeft zicht verheugd.
In het Nieuwe Verbond zijn het opnieuw de geslachten, die de fakkel van het Evangelie mochten en moesten doorgeven.
Nu is Christus en Die gekruisigd Zelf het Middelpunt, het hart van het Evangelie. Nu mogen wij de belofte van God doorgeven, dat een ieder die in Christus gelooft zal zalig worden. Levend uit kruis en opstanding door het geloof, werd en wordt het Evangelie van Christus voortgeplant van kind tot kind. Het geloof, dat woonde in Timotheüs grootmoeder en moeder, woonde ook in hem. Dat is méér dan de band des bloeds. Paulus noemt Timotheüs: Mijn zoon.
Deze Verbondsketen vinden we terug in het formulier van de Heilige Doop in de derde vraag: 'Of gij niet belooft en u voorneemt, deze kinderen, als zij tot hun verstand zullen gekomen zijn, waarvan gij vader en moeder zijt, in de voorzeide leer naar uw vermogen te onderwijzen of te doen en te helpen onderwijzen'. Waarom? Opdat ook zij hun hoop op God stellen zouden. Zo wordt naar onze dure plicht bij het volk Gods gunst herdacht.
Ook vandaag staan wij op de schouders van ons voorgeslacht.

Samen schuldig
Vanuit het verleden zijn niet alleen de loffelijkheden des Heeren te vermelden. Juist in Psalm 78 komt ook de schuld van het volk des Verbonds ter sprake. De barmhartigheid en goedertierenheid van God lichten daarin op tegen de zwarte achtergrond van Israels ongehoorzaamheid. Gods trouw roemt tegen Israels ontrouw. Dat is niet ter verontschuldiging voor dezelfde zonden van het nageslacht. Wel als een waarschuwing en een aanklacht. Ook hierin zijn de geslachten één. Het nageslacht is niet beter dan het voorgeslacht:
'Wij hebben God op het hoogst misdaan,
Wij zijn van het heilspoor afgegaan.'
Ja, wij en onze vaderen tevens.
Israël deelde in de schuld van het voorgeslacht. Jeremia waarschuwt het volk van zijn tijd voor de schuld, die het door zijn zonde werpt op de kinderen. 'Omdat uw vaderen Mij verlaten hebben… en gij erger hebt gedaan dan uw vaderen' (Jer. 16 : 11). Calvijn zegt: 'Er is niets tegen dat God in de schoot van de kinderen werpt de misdaden, die begaan zijn door de vaders, namelijk wanneer zij altijd tot erger voortgaan en de kinderen hun vaders in allerlei misdaden overtreffen'.
Daniël, door God genoemd 'een zeer gewenst man, droeg het profetenhart op de juiste plaats toen hij schuld beleed en bad: 'Want om onzer zonden wil en om onzer vaderen opgerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn' (Daniël 9 : 16).


Deze solidariteit in schuld met het verleden en heden kan toch ook niet aan ons voorbijgaan. Wie zich beroept op de vaderen moet dit eerlijk doen. In welke tijd wij ook de kerkvaders aan het woord laten, altijd weer is de klacht te horen over de zonden van de kerk. Altijd was er de strijd tegen de verwereldlijking, tegen de dwaalleer en de klacht over het gemis aan eenheid. Zeker, juist daardoor zijn de belijdenisgeschriften ontstaan. Maar hoe hoog wij die ook aanslaan, deze hebben de kerk niet gered, zonder de oprechte belijdenis van schuld voor God. Zonder het gebed des harten: 'O Heere hoor, o Heere vergeef'. Ook hierin moeten wij ons nageslacht voorleven en voorgaan.

Samengetrokken in het heden
Wij zijn de vaders van ons nageslacht. Wie aanspraak maakt op het feit te behoren tot de kerk der vaderen vanwege de erfenis, die zij ons nalieten moet niet alleen terugblikken. Die is geroepen ook vooruit te zien. Wij doen er alles aan opdat ons nageslacht een plaats zal kunnen vinden en behouden in de kerk der vaderen. Wij zien dit als een dure plicht tegenover de God des Verbonds.
Wij geloven, dat deze kerk de bedding is, waarbinnen God de zegeningen van het Verbond laat voortstromen de eeuwen door. Hij heeft recht op ons nageslacht. Zo hoeft ook dit nageslacht er recht op te horen wat dat recht Gods op haar betekent. Wat zullen de volgende generaties dan zeggen van ons, die nu leiding hebben te geven? Nog indringender is de vraag: Wat zal God van ons zeggen? Zijn wij dan beter dan onze vaderen?
Onze kinderen vragen ons nu: Wat hebt gij daar voor een dienst? Zij vragen dit in deze tijd met de eigentijdse vragen en aanvechtingen. Zij vragen om een eerlijk antwoord. Wij zijn niet klaar met het opsommen van teksten uit Gods Woord. Wij moeten hen voorleven uit het Woord. Wij zijn niet klaar met het wijzen op de belijdenis der vaderen. Wij moeten leven naar die belijdenis. Dat is het enige spoor dat wij moeten en mogen trekken.


De grote vraag van het heden is of wij bereid zijn verantwoording af te leggen van de hoop die in ons is. Die hoop is Christus Zelf. Daarin kan dan toch ook de belijdenis van onze schuld niet gemist worden. Onze kinderen zijn in ónze zonden ontvangen en in ónze ongerechtigheid geboren. Wij zijn niet beter dan onze vaders. Alleen zo kunnen wij eerlijk rekenschap geven aan het nageslacht. Dit zal alleen aanslaan als wij dit doen op de gepaste geestelijke toonhoogte. Staan wij voor onszelf op deze hoogte?
Het mag ons telkens wel een vraag zijn of de worsteling, die wij hebben met het proces S.o.W. een kerkelijke en een geestelijke worsteling is. Het is goed ons daar steeds weer op te onderzoeken. Zijn wij daarin wel geestelijk genoeg bezig? Daar zal zeker de jonge kerk opletten. Ik beloof u, dat zij fijne voelhorens hebben in deze. Zijn wij dan niet verlegen om geestelijke opleving zoals het bezinningstuk, dat onlangs uitkwam vanwege het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, als thema heeft?
In deze nadagen van het Pinksterfeest mogen wij elkaar de vraag wel stellen: Hebt gij de Heilige Geest ontvangen? Nu, op de Pinksterdag was één van de kenmerken daarvan toch de belijdenis der schuld. Dat is de rekenschap aan het nageslacht op bijbelse toonhoogte. Zo ook krijgt de belofte op bijbels verantwoorde wijze een plaats: U komt de belofte toe en uw kinderen, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal.
Hierop mag en kan ons nageslacht ons later ter verantwoording roepen. Wij zeggen dit niet uit hoogmoed, maar in ootmoed. Alleen in deze weg verzamelt en bewaart Christus Zijn kerk, ook binnen de vaderlandse kerk. Niet anders dan door Zijn Geest en Woord. Dat is onze enige hoop voor het nageslacht. Geestelijke opleving zal gepaard gaan met de herleving van deze hoop. Daarbij zal de verborgen omgang met God, waarin wij onze schuld belijden en om Zijn genade smeken niet gemist worden. Ons nageslacht màg en kán ons dan ter verantwoording roepen.

Concreet
Nu mogen wij ook onze vaderen ter verantwoording roepen. Zij hebben ons meer nagelaten dan alleen de belijdenis, die ons dierbaar is. Zij hebben ons ook een verdeelde en verbrokkelde kerk nagelaten; een kerk, die bloedt uit duizend wonden. Die kerkelijke schuld is niet met loze kalk te pleisteren. Tegenover de Heere en tegenover ons nageslacht kunnen en mogen wij ook deze schuld niet verbloemen. Wij zeggen dit niet om met stenen te werpen op ons voorgeslacht. Zouden wij het beter gedaan hebben? Terugblikkend in de geschiedenis is het niet zo moeilijk te zeggen waar en wanneer de wissel omging, die de trein der kerk op het verkeerde spoor zette. Vanuit het heden weten wij waar dat spoor is uitgekomen. Laten wij daarom niet de beschuldigende vinger uitsteken naar hen die toen – en ik denk dan aan het begin van de Afscheiding en de Doleantie – beoordelingsfouten maakten. Zij zullen vaak met oprechte bedoelingen, zelfs onder de aanroeping van de hulp des Heeren, gehandeld hebben zoals zij deden. Hebben zij, die bleven toen anderen van hen uitgingen, alles gedaan om die breuk te voorkomen?
Beter is te erkennen, dat de keten van de geslachten van ons schuldbelijdenis vraagt. Hebben wij ons soms niet wat al te gemakkelijk neergelegd bij de verscheurdheid van de kerk? Hebben wij deze soms zelfs niet gekoesterd? Ook over ons strekt zich het oordeel Gods uit in deze. Een oordeel, dat zichtbaar en voelbaar is in de gescheurdheid van de kerk.


Hebben wij oprecht medelijden met haar gruis? Ir. J. van der Graaf schreef eens: 'Wie de kerk wil dienen, zoals de Schrift het van ons vraagt, zal medelijden om de vervallen toestand van de kerk hebben en van daaruit in die kerk staan met het profetische Woord, dat verder reikt dan mijn eigen bestaan, mijn eigen groep en mijn gemeente'.
Wie dit op zichzelf toepast mag dit ook vragen van anderen. Wij vragen van de kerken der Afscheiding geen meewarig medelijden met ons te hebben, omdat wij nu worstelen met het proces S.o.W. Wij vragen wel oprecht mede-lijden aan de verscheurdheid der kerk, met haar gruis. Daar behoort dan ook het gruis van de kerken der Afscheiding onder. Zó alleen wordt de weg geopend tot een gezamenlijk schuldbelijden voor de Koning der Kerk.
Maar laten wij daar dan zelf in voorgaan, in oprechtheid des harten tegenover hen, die van ons uitgingen. Zeker, dan zal de schuld tegenover de één groter zijn dan tegenover de ander. Zo meen ik dat onze schuld tegenover de Afgescheidenen groter is dan die tegenover de Dolerenden. Maar schuld is altijd schuld tegenover God. Als we oprecht schuldbelijden tegenover de Heere zullen wij dat ook doen tegenover elkaar. Zo alleen kunnen wij aandringen op reformatie naar Gods Woord en op grond van onze belijdenis. De eenheid van schuldbelijdenis alleen opent de weg naar de eenheid in het geloof in de vergeving der zonden door het bloed van Christus. En dat is de waarachtige eenheid in Christus.


Delen in de schuld der vaderen. Dat geldt niet alleen op het erf der kerk. Wie kan zich onttrekken aan de nood der wereld? Op de bodem aller vragen ligt der wereld zondeschuld. Dat is ook de wereld waartoe wij behoren.


Delen in de schuld der vaderen. Dat geldt ons bijzonder ten aanzien van het volk Israël. Ik denk dan aan het onrecht, dat in de loop der eeuwen is aangedaan door de kerk en de wereld aan het Joodse-volk. Een schuld waar wij ook zeker in delen. Niet ieder, die de laatste wereldoorlog bewust meemaakte, wist welk leed er over dit volk werd uitgestort. Ook in deze roept een terugblik in de geschiedenis tot erkenning van schuld. Ik wil dit met een persoonlijke ontboezeming duidelijk maken.
Toen ik in voorjaar 1944, gearresteerd door de Duitse politie, op het Centraal Station te Amsterdam werd afgevoerd over een afgelegen perron, moest ik getuigen ervan zijn hoe daar joodse gezinnen in veewagons werden gestouwd. Op dat moment had ik, onbegrijpelijk overigens, geen vrees over wat er met me gebeuren zou en geen medelijden met die joodse gevangenen. Na vele jaren kwamen er in mijn leven momenten, waarin ik door angst bevangen werd over wat er met mij had kunnen gebeuren. Maar evenzovele malen komt mij dan het afschuwelijke beeld voor de geest van die joden, die toen weggevoerd werden. Nú weet ik waar die wagons heengingen, op welk spoor zij gezet waren. Evenzovele malen drukt mij de schuld, dat ik toen lijdelijk toezag en dat ons volk dit moest tolereren. Diepe schaamte overvalt mij dan, dat zelfs mannen uit ons midden dit bewust toestonden en soms zelfs toejuichten. Zelf part noch deel gehad hebbend aan die joodse vervolging sta ik toch schuldig aan alles wat er dit oude Bondsvolk des Heeren is aangedaan. Wie ooit stond in Yad Vashem weet hoe groot de schuld is tegenover dit volk, om datgene wat de kerk, wat onze vaderen en wat wij hebben nagelaten te doen om dit te verhoeden. Ik zeg dit niet om daarmee over het hoofd te zien diegenen, die in de oorlogsjaren hun leven er voor over hadden om te redden wat er te redden viel onder dit zwaar bezochte volk. Ik zeg dit wel opdat wij, door dit medeschuldig zijn te belijden, een dam opwerpen tegen het aanzwellende anti-semitisme. Ik zeg dit opdat ons nageslacht bewaard zal blijven voor diezelfde schuld.

Verootmoediging
Samen schuldig met het voorgeslacht en met het nageslacht. Schuld ontsiert de rnens, ontneemt hem de kroon, brengt verwijdering niet alleen onder elkaar maar allereerst van God. Verootmoediging en schuldbelijdenis sieren de mens, brengen tot elkaar, maar allereerst tot de Heere. Zijn trouw roemt dan tegenover onze ontrouw en die der vaderen.
De Heere houdt Zijn Woord gestand: 'Ik zal henengaan en wederkeren tot Mijn plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken' (Hosea 5 : 15). Deze belofte mogen we doorgeven aan ons nageslacht.
Het verleden is onomkeerbaar, evenals de geschiedenis der kerk. Wat onze vaderen deden en wat wij gedaan hebben is geschied. Die weg is niet terug te gaan. Er is wel een andere weg.
Dat is de weg terug naar het kruis, naar de Gekruisigde en Opgestane Heiland, de Koning van Zijn Kerk. Hij is de enige die de breuk der kerk niet op het lichts geneest. Die heelt wat wij en onze vaderen verscheurd hebben. Hij alleen is onze hoop voor de kerk van vandaag en voor de kerk van het nageslacht.

C. van den Bergh, Nijkerk, 25 mei 1994

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Samen schuldig

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's