Niet met zoveel woorden gezegd…
Dr. H. B. Weijland analyseert cruciaal moment in Samen op Weg
Enige tijd geleden zat ik samen met prof. dr. H. B. Weijiand aan een vergadertafel. In de pauze kwamen we – hoe kan het anders – te spreken over Samen op Weg, het proces waarin Weijland al sinds jaar en dag een belangrijke rol speelt, vroeger in de commissie 'Kernen van belijden', recent in de commissie, die het ontwerp-kerkorde opstelde. Hij zei me, dat hij een artikel in voorbereiding had voor Kerk en Theologie, waarin hij de vraag aan de orde stelde of er sprake is geweest van een juist beleid. 'Waar is het fout gegaan? Hadden we niet bij federatie moeten blijven?', dat zou de vraag zijn.
Het artikel is intussen verschenen, onder de titel Fusie, of toch maar federatie? Het kreeg een enigszins andere uitwerking dan ik vermoedde, omdat het voornamelijk een analyse was van de ontwikkelingen, die zich hebben voorgedaan en niet een oproep om daadwerkelijk terug te keren van de ingeslagen weg.
Ds. J. Maasland heeft in zijn Persschouw van 19 mei ll. uitvoerig uit dit artikel geciteerd. In het hier volgende wil ik dieper op de zaak, waarom het gaat, ingaan, omdat het artikel toch wel een uiterst fundamentele analyse is met betrekking tot de nu gevolgde koers en daarover dan ook van verschillende kanten vragen kwamen.
Om elk misverstand uit te sluiten, heb ik vooraf uitvoerig telefonisch overleg gehad met dr. Weijland, alsook met dr. J. Hoek. Laatstgenoemde diende immers op de triosynode van september 1993 een motie in, die ten doel had de federatiegedachte opnieuw aan de orde te stellen, alvorens de kerkorde op zich behandeld werd. Vanwege een ordevoorstel van de gereformeerde afgevaardigde dr. D. Visser echter ging de motie Hoek onder tafel. Federatie was niet meer aan de orde.
Analyse
Waar gaat het om? In 1986 hebben de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland verklaard 'in staat van hereniging' te zijn. De Acta van de synode van de Gereformeerde Kerken tekenen hierbij aan (aldus Weijland in een voetnoot):
'…de verklaring in staat van hereniging laat onverlet dat hervormde gemeenten en gereformeerde kerken die nog niet tot brede interkerkelijke samenwerking (federatie) besloten, blijven vallen onder respectievelijk de hervormde en gereformeerde kerkorde met inachtneming van de voor de meerdere vergaderingen aangegane federatieve vorm van samenwerking'.
De zogeheten 'Tussenorde' voorzag in de kerkordelijke regeling voor gemeenten en verbanden met een federatieve status.
Er zou intussen nagedacht worden over een kerkorde voor een v(h)erenigde kerk. In 1990 werd een werkgroep geïnstalleerd. Toen bleken twee visies te botsen. Gereformeerden wilden uitgaan van een zogeheten 'lege huls' en wilden zo stap voor stap groeien naar een nieuwe kerkorde, die wat hen betreft, net als hun eigen kerkorde, niet meer dan een samenstel van regels en bepalingen zou zijn. Zo zou er ook sprake zijn van groei, federatieve groei naar een verenigde kerk.
Daartegen rees van hervormde zijde fundamenteel verzet. Ook ik heb mij persoonlijk daartegen verzet in de Raad van Deputaten. Dat deed ook dr. J. Hoek in zijn verantwoordelijkheid als lid van het moderamen van de hervormde synode. Op de wijze van de 'lege huls' zouden we langzaam maar zeker – al zou de federatieve groei nòg zo lang duren – worden binnengesluisd in een nieuwe kerk, zonder dat vooraf duidelijkheid was verkregen over de ecclesiologie (leer aangaande de kerk) àchter de vereniging.
Van hervormde zijde is daarom gepleit voor een kerkorde-inééns, omdat een kerkorde méér is dan een stelsel van regels en bepalingen. Een kerkorde is ook een theologisch document, waarin belijdend gesproken wordt aangaande de kerk, de ambten, de sacramenten etc. Nadat een dergelijke fundamentele kerkorde zou zijn ontworpen, zou duidelijk zijn welke kerk werd beoogd. Regels en bepalingen (ordinanties) zouden pas later aan de orde zijn.
Voor het hervòrmde model is uiteindelijk gekozen. De hervormde denklijn heeft het als zodanig 'gewonnen' van de gereformeerde denklijn. Gereformeerden zeggen nu daarin overstag te zijn gegaan voor de aandrang tot continuïteit van de Nederlandse Hervormde Kerk.
Echter leefde de overtuiging, dat het jaren zou duren voordat de werkgroep met een concept kerkorde voor de dag zou kunnen komen, omdat zeer uiteenlopende standpunten bij elkaar moesten worden gebracht.
De praktijk bleek anders te zijn. De zaak heeft namelijk veel minder tijd in beslag genomen dan werd vermoed, zó zelfs dat Weijland zegt, dat het snelle resultaat ook de werkgroep heeft overvallen.
Maar hier nu komt dan ook het cruciale moment. Wat werd namelijk in 1990 besloten? Niet méér dan dat de toen ingestelde commissie een 'samenhangend geheel van grondleggende artikelen voor het gezamenlijk kerk-zijn van de zich h(v)erenigende kerken' zou ontwerpen. Intussen is echter de hele ontwikkeling van het proces opgehangen aan deze kerkorde, aan het werk, dat door deze éne commissie is verricht. De weg waarlangs het proces zich verder zou ontwikkelen – federatie of fusie – stond niet meer ter discussie. Die weg werd, als gezegd, door genoemd ordevoorstel op de triosynode in het najaar van 1993 bij de wortel afgesneden. Voor ondergetekende was dat de directe en enige aanleiding om uit de Raad van Deputaten te stappen. Het ordevoorstel van de gereformeerde afgevaardigde Visser leek op een overval.
Het besluit tot het ontwerpen van een kerkorde-ineens betekende niet méér, hoewel ook niet minder, dan het opstellen van een zoekontwerp, waarin volledig duidelijk zou zijn welke kerk werd nagestreefd.
Men deed het nu echter ineens voorkomen alsof besloten was, dat het ontwerpen van een kerkorde ook zou betekenen een besluit tot een verenigde kerk, ook al moet er dan formeel nog wel een verenigingsbesluit genomen worden. Het 'samenhangend geheel van grondleggende artikelen' voor 'zich verenigende kerken' werd opeens een pan-klare kerkorde voor een hap-klare kerk.
En sindsdien – het beeld is van Weijland – is het vliegwiel gaan werken. Er is een ontwikkeling in gang gezet, die niet meer te stuiten lijkt, die onomkeerbaar en in snel tempo op een verenigde kerk lijkt af te gaan.
Niet met zoveel woorden
In Weijlands analyse nu speelt één zinnetje boekdelen. Hij zegt: 'hoewel het niet met zoveel woorden werd gezegd ging het toch wel om de opstelling van een nieuwe, voor de drie kerken gemeenschappelijke, kerkorde, die de drie bestaande kerkorden zou moeten gaan vervangen'.
Men leze goed: 'hoewel niet met zoveel woorden gezegd…'. Dat is echter een versluierende uitdrukking voor: 'geruisloos aangenomen' of 'bij het besluit inbegrepen'.
Hier geeft Weijland echter toe, dat het besluit tot het ontwerpen van een kerkorde nooit formeel vergezeld is gegaan van een besluit tot vereniging, dat annèx is aan de kerkorde. Het zou toch ook kerkelijk ontoeláátbaar zijn als in zulke versluierende bewoordingen het besluit van 1986, waarin nog werd opgenomen, dat de afzònderlijke kerkorden konden blijven fungeren, ongedaan zou zijn gemaakt.
Wat Weijland nu zegt had op de triosynode eind 1993 klaar en duidelijk moeten worden gezegd toen de motie Hoek onder tafel ging. Maar nu is daar de wissel omgegaan. De analyse van Weijland bevestigt dit.
Weijland zelf veronderstelt nu dat, wan neer we bij het gereforméérde model (de lege huls) zouden zijn gebleven, het federatieve groeimodel verzekerd zou zijn geweest. De keuze voor het hervòrmde model, zegt hij, heeft geleid tot een versnelde procesgang. Dat dit feitelijk zo is, is juist Maar was de gàng van zaken juist? Daar gaat het om.
Ik ben ervan overtuigd, dat de toenmalige synodepraeses, dr. G. H. van de Graaf, door het ordevoorstel van Visser ook overvallen is geweest. Maar objectief moeten we zeggen, dat Samen op Weg toen op een ander spoor is gezet. Want zo goed als het gereformeerde lege-huls-model de federatiegedachte in zich had (maar dan met een versluierende, sluipende groei naar vereniging), zo liet ook de keuze voor het hervormde model de federatiegedachte onverlet. Tenslotte staat en valt de vereniging van kerken toch niet met een door één commissie ontworpen document, in casu een kerkorde, maar met de bereidheid tot samengaan in de geméénten?
Nu staan de gemeenten en zo staat de hele kerk onder de dwang van een fictief verenigings'besluit', omdat een vliegwiel op gang is gebracht, dat niet meer af te remmen lijkt.
Hoe verder?
Ik laat nu verder alle overwegingen en afwegingen, die Weijland theologisch en ecclesiologisch maakt, buiten beschouwing. Aan het eind van zijn bijdrage zegt hij echter:
'Ik zou het diep tragisch vinden wanneer juist Samen op Weg de aanleiding zou worden tot zo'n geestenscheidende stroomversnelling, waar zo gemakkelijk een radicaliserende tweedeling tussen "rekkelijken en preciezen" kan uitkomen. Dan zouden de wegen naar koinonia (gemeenschap, v. d. G.) in kerkelijk Nederland pas goed geblokkeerd zijn. Wat in de dagen na Dordt 1618/1619 nog bijeenbleef, zou dan voorgoed uit elkaar liggen. Is dàt het wat de Heilige Geest in ons land wilde planten?'
De diepe tragiek, waarover Weijland spreekt, lijkt zich vandaag af te tekenen. De verwarring is sinds najaar 1993 enorm, de stemmen zijn velerlei, de schrik heeft toegeslagen. Reeds nu zijn er gemeenten waar de problemen hoog oprijzen omdat, ondanks de mogelijkheid, die in de kerkorde in het vooruitzicht wordt gesteld om hervormde (wijk)gemeente te kunnen blijven, het vliegwiel van de huidige ontwikkelingen geen ruimte meer lijkt te laten voor een hervormde weg.
Terug
Hoewel Weijlands artikel voornamelijk analyserend is en hij (ten onrechte) lijkt te suggereren, dat het fout is gegaan omdat van het gereforméérde model werd afgeweken, klinkt in zijn artikel toch een verholen vraag door of we op de goede weg zijn, of er niet een koerswijziging komen moet.
Mij dunkt dat de zaak eenvoudig zo ligt dat, waar de leiding der kerk (ik bedoel dit niet in persoonlijke zin) najaar 1993 gefaald heeft, omdat niet verhinderd werd dat de wissel werd omgezet, het noodzaak is om alsnog terug te komen van een weg, waartoe niet is besloten en waarop intussen grote verwarring is ontstaan.
Momenteel richt alle aandacht zich op de kerkorde. Daarover verscheen brochure op brochure, alsof het daarover alléén nog gaat. Het gaat echter om de kerkorde èn om het proces op zich.
Het woord is nu dan ook aan de gemeenten en de classicale vergaderingen. Zij kunnen samen het vliegwiel afremmen of, om in het andere beeld te blijven, de wissel weer terugzetten.
Vóórdat gemeenten en classes considereren en, vooràfgaand aan de consideraties als zodanig, doen zij er goed aan te stellen, dat bezinning op deze kerkorde onverlet laat, dat de weg van federatie, met voortbestaan van de afzonderlijke kerken, waar deze nódig en mógelijk is, voluit op tafel moet komen en open moet blijven. Omdat nooit 'met zoveel woorden' is besloten dat het ontwerpen van een kerkorde ook reeds een besluit tot vereniging in zich zou bergen.
Als zodanig is Weijlands bijdrage van fundamentele betekenis. Het terugtreden uit de Raad van Deputaten van ondergetekende heeft door dit artikel alleen maar kracht van argumenten erbij gekregen. Niet alleen dáárom las ik het gespitst, maar vooral omdat het aangeeft, waar de schoen wringt. Het laatste woord zal er nog niet over gezegd zijn. De federatiegedachte ligt door Weijlands artikel echter weer helemaal op tafel.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's