Uit de Pers
Sores vanwege de mores
Zorgen vanwege de zeden. Die worden de laatste tijd nogal eens geuit. Niet in orthodox-kerkelijke kring zozeer, want dat zou niet nieuw zijn. Bezwaren tegen de geest der eeuw hebben in alle eeuwen geklonken uit belijdende monden van gelovigen. Neen, de sores om de mores martelen ook verantwoordelijke overheidspersonen. Onze oud-minister van justitie Ernst Hirsch Ballin, onder andere geroepen om criminaliteit van allerlei soort en snit te bestrijden, bleek zich onlangs nogal zorgen te maken om het verval van normen en waarden onder ons volk. Hij riep de kerken min of meer te hulp in de strijd tegen genoemd verval. In de Kroniek in Kontekstueel van mei 1994 (8e jaargang nr. 5) gaat ds. G. Hette Abma uitgebreid op deze materie in. Hij signaleert dat sommigen positief verrast hebben gereageerd op 'de vraag om op dit punt een inbreng in de samenleving te hebben. Bij de overheid ziet men de kerk weer staan!' Ds. Abma is er eerder beducht voor. Hij vindt dat de overheid niet geroepen is om zedenmeester te zijn. En ook de kerk moet zich niet in die rol laten dringen. Abma begint met aandacht te vragen voor de allereerste taak van de overheid en dat is regeren. Iemand als ex-minister Hirsch Ballin moet geen zedenmeester zijn maar een goed bestuurder. Ds. Abma citeert dan uit artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis over het ambt van de overheid.
Wie de eerste zin overdenkt, beseft hoe daar een aanzet gegeven wordt tot een voorwaarden scheppend beleid. Nuchter wordt als uitgangspunt genomen, dat de overheid door God ingesteld is vanwege de verdorvenheid van het menselijk geslacht. God wil dat er geregeerd wordt door wetten en staatsregelingen, opdat ongebondenheid bedwongen wordt en alles met goede orde toegaat. Daar ligt de onderscheiden taak voor de politie en de justitie. Zo nodig moet het zwaard tot straf van criminelen en ter bescherming van de burgers gehanteerd worden.
Met concrete voorbeelden kan de betekenis hiervan het beste worden duidelijk gemaakt. Minister Hirsch Ballin uitte zijn zorg betreffende geweld, dat in veel televisie-programma's getoond wordt. Je hoeft nog geen moraalridder te zijn om agressie te laken. Moord en doodslag worden schermbreed getoond, alsof de misdaad een weldaad is. Alles wat God verboden heeft, wordt zo niet in geuren, dan toch wel in kleuren getoond. Met de televisie haal je de wereld der zonde in huis. Terecht stelde Hirsch Ballin: Er moet paal en perk gesteld worden aan het geweld op de beeldbuis. Dit stimuleert jongeren tot agressief gedrag. Direct kreeg hij respons van zijn collega Hedy d'Ancona: Zij voelt er niets voor met verbodsbepalingen geweld op de televisie verder aan banden te leggen. In reactie daarop verklaarde Hirsch Ballin: het was bij hem meer bedoeld als een hartekreet, dan als een aankondiging van strafrechtelijke maatregelen. Dan breekt toch wel mijn oer-hollandse klomp! Waarom dan wel zo'n cri-de-coeur?
Naar mijn oordeel werken zulke morele oproepen versluierend voor een falend overheidsbeleid. Waarom wordt er dan geen paal en perk gesteld aan agressie? Direct klinkt dan het beroep op de mondigheid van de mensen. Ieder moet zelf zijn verantwoordelijkheid maar kennen. Er is de ruime keus uit legio zenders. Niemand is verplicht naar een banaal programma te kijken. Laat ieder gewoon zelf zijn verstand maar gebruiken. (…)
Alleen door krachtig beleid wordt respect afgedwongen. De geloofwaardigheid van de politiek kan daardoor alleen maar toenemen. Als de misdadigers hun verdiende straf niet krijgen uitgemeten, wordt het rechtsgevoel aangetast. Mede hierdoor keert onbehagen zich tegen de politiek. Als er door de regering allerlei valse verwachtingen gewekt worden, neemt het wantrouwen toe. Burgers hebben het gevoel, dat de overheid hen in de steek laat. Daar ligt een probleem, dat steeds meer acuut wordt.
Ds. Abma stelt ook de vraag aan de orde, hoe de overheid zelf met normen en waarden omgaat. Hij noemt de wettelijke regeling van abortus en euthanasie, maar ook de Algemene Wet Gelijke Behandeling. Is niet de overheid op deze terreinen zelf mede schuldig aan de overtreding van Gods geboden en aan het ondermijnen van waarden uit de grondwet als vrijheid van godsdienst en vrijheid van onderwijs, aldus ds. Abma.
Alles te zamen onderstreept dit mijn stelling: De overheid moet geen zedenmeester zijn! Dat behoort niet tot haar taak. Het komt vaak hypocriet over en het is nog gevaarlijk ook! Laat me dit verder illustreren. Over het algemeen genomen bestaat er beduchtheid voor de overheid als zedenmeester. De vrije ontplooiing van de individuele vrijheid zou daarbij in het gedrang komen. Als mondige mensen moet iedereen zelf maar zijn keuzes maken. Daarom wenst men liever geen betuttelende filmkeuring, een verbod op porno of een beperkende regelgeving inzake abortus of ook de handhaving van een hinderlijke zondagswetgeving.
Het is opmerkelijk, hoe vaak de overheid wel in de rol van zedenmeester opereert. Op welke wijze dan? Dat is een belangwekkende vraag, waarmee K. Klop, de plaatsvervangende directeur van het wetenschappelijk instituut voor het CDA, zich heeft beziggehouden in zijn recent verschenen proefschrift: De cultuurpolitieke paradox (Kok, Kampen). De promotie was medio december 1993 aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Als van regeringswege gemoraliseerd wordt, typeert men dat versluierend als verantwoord overheidshandelen. Dr. Klop wijst daarbij op de indringende televisiereclame van postbus 51, die zich zelfs bemoeit met de manier waarop jongens meisjes het hof dienen te maken ('Als ze je uitnodigt voor een kopje koffie, wil dat niet zeggen…') en zich inlaat met de technische hulpmiddelen, die bij geslachtsgemeenschap gebruikt dienen te worden ('Vrij veilig'). Volgens hem is dat moralisme in de volle betekenis van het woord. Toch ervaart men het niet als zodanig. Dat zou zeker wel het geval zijn, als de Rijksvoorlichtingsdienst jongens en meisjes zou inprenten, dat zij het ter voorkoming van aids beter bij één partner zouden kunnen houden.
Zo'n boodschap zou wèl als zedenmeesterij ervaren worden, omdat zij uit het christelijke ethos voortvloeit. Voor dit type voorlichting is thans geen Kamermeerderheid te vinden. Dat de wel gekozen voorlichtingsboodschap niet als zedenmeesterij ervaren wordt, kan worden verklaard doordat de liberale moraal, waarop de individuele keuzevrijheid gebaseerd is, thans in de politiek dominant is, samen met het hedonisme in de maatschappij. Verdere uitwerking van wat dr. Klop noemt de cultuurpolitieke paradox, namelijk de gelijktijdige noodzaak èn onwenselijkheid, dat de overheid als zedenmeester optreedt. Hij komt tot de conclusie, dat het niet verkeerd is, dat de overheid als zodanig optreedt, als we dit maar bewust zijn en het er globaal mee eens kunnen wezen.
Dat is de moeilijkheid in de postmoderne tijd: De overheid kan niet goed een beroep doen op cultuurpolitieke overwegingen. De moraal is immers totaal versplinterd. Maar zonder normbesef zijn actuele problemen (criminaliteit, milieuvervuiling, genetische manipulatie, rijk/arm, vreemdelingenhaat) niet op te lossen. Dat is een moeilijk dilemma. Mijn conclusie is echter: Overheid blijf bij je leest. Verdisconteer wezenlijke waarden en normen in de wetgeving. Zie vooral toe op de naleving ervan. We hebben dan niet direct behoefte aan de betuttelende voorlichting van de rijksoverheid. Het probleem van ontbrekend normbesef is niet op te lossen door miljoenen guldens uit te geven aan belerende spotjes van postbus 51. Het is ook niet nodig, dat ministers de mensen aanspreken op hun 'betere ik'. De regering moet niet proberen de burger te bekeren. Moraliseren werkt averechts. De overheid hoeft zo nodig niet in de rol van zedenmeester, want dan dreigt het gevaar, dat we straks allemaal ter beschikking van de regering gesteld worden!
Volkomen terecht waarschuwt ds. Abma er vervolgens voor, dat de kerk zich de rol van zedenmeester laat opdringen. De kerk heeft toch al het stempel van de vermanende vinger tegen alles en een ieder die anders denkt en handelt dan zij. Bovendien, aldus ds. Abma, is de moraal nooit los van het verhaal verkrijgbaar. Hebben we dan als kerk geen boodschap aan de wereld? Beslist, maar waar vinden we aansluiting? 'Is er nog wel een klankbodem voor het bijbels getuigenis in onze geseculariseerde samenleving?'
Plurale cultuur en compromis
Voor hen die in politieke en maatschappelijke functies participeren aan het publieke leven, liggen hier geweldige vragen. Je hebt je op Gods geboden en beloften geënte levensovertuiging èn je hebt daarnaast voortdurend te maken met anderen, die vanuit een geheel andere invalshoek de dingen van het leven benaderen. Maar bestaat er in dat brede spectrum van de moderne plurale cultuur nog zoiets als een gemeenschappelijke basis? Ds. Abma schrijft daar nog het volgende over.
Wat is op dit moment de morele oriëntatie in het politieke en maatschappelijke leven? Welke fundamentele waarden kunnen aangewezen worden, waar we het met elkaar over eens zijn? Kan er nog over zoiets als burgerreligie gesproken worden? Religion Civile, die term is afkomstig van Jean Jacques Rousseau (1712-1778). Volgens deze Franse denker kunnen we in het volksleven niet zonder zo'n burgerreligie. Door hem werden daarbij vijf dogma's genoemd: het bestaan van God, een leven na de dood, de beloning van rechtvaardigen, de bestraffing van slechte mensen, de heiligheid der wetten en de uitbanning van onverdraagzaamheid. Eigenlijk is in onze tijd alleen het laatste dogma overgebleven. En hoe wordt dat met een sectarische bevlogenheid benadrukt!
Steeds meer zullen we ervaren wat het betekent te leven in een wereld zonder God. De filosoof en vrijdenker Voltaire (1694-1778) was nog overtuigd van de maatschappelijke noodzaak van het geloof in God. Indien er geen God bestond, zou men Hem moeten uitvinden, was zijn bekende these. Hij zag vooral ook op het nut van de godsdienst. Daardoor kon voorkomen worden, dat zijn huisknecht er met het tafelzilver vandoor zou gaan. Je hoeft niet te vragen welk merkwaardig godsbeeld daarbij gehuldigd wordt: God als politieagent. Bij de bestrijding van de kleine criminaliteit zou ik maar liever niet de Naam van God ijdel gebruiken. Het gaat echter om oneindig veel diepere zaken. F. M. Dostojewski (1821-1881) heeft het kernachtig aangegeven: Als er geen God bestaat, is alles geoorloofd. Immers zonder God zijn we ook zonder gebod. Op dit moment komen we er achter, waar de secularisatie ons brengt. Ik wijs op de gevolgen van een verabsolutering van de individuele vrijheid. En vooral ook op de consequenties van het relativeren van de normen en waarden. Thans worden de grenzen van het verlichtingsdenken zichtbaar. Eigenlijk is er geen uitkomst voor de actuele maatschappelijke problemen.
Geen uitkomst, zegt ds. Abma. Eigenlijk niet, neen. Maar daar kun je als politicus bijv. of als medicus in een beraad ook weer niet mee volstaan. Er moet toch gehandeld worden. Lesley Newbigin vindt, dat we ons als christenen niet zo makkelijk de kaas van ons brood moeten laten eten. Hij is de mening toegedaan, dat we vanuit een diepe innerlijke overtuiging hebben aan te tonen, dat de oplossing van de ethische crisis in onze moderne samenleving alleen maar kan liggen in christelijke gedachten en opvattingen. We moeten daarom de cultuur zo gestempeld door het Verlichtingsdenken trachten te beïnvloeden vanuit het christelijke gedachtengoed en langs die weg de gevolgen van de Verlichting achter ons laten.
In een interview met De Civitate, orgaan van de CSFR en te lezen in het recente meinummer, wijst dr. G. G. de Kruijf deze gedachten van Newbigin van de hand. Je zou dan de hele cultuur moeten herkerstenen en hij vindt, dat we daar als kerken geen opdracht voor hebben gekregen. Je moet anderen die jouw geloof niet delen, dat niet willen opdringen.
Mensen met andere vooronderstellingen mag je niet jouw normen opleggen. Kom je dan als gelovige niet in problemen, want je wil anderen wel duidelijk maken, wat jij denkt dat goed voor hen is.
Daar ligt natuurlijk wel een belangrijk probleem. Ik noem dat in mijn boek het 'twee keer denken'. Ik denk de eerste keer over hoe ik als christen vind, dat ik met een bepaald probleem om moet gaan. De tweede keer denk ik, wanneer het gaat om politieke wetgeving, om het opleggen van dingen, de tweede keer denk ik dan dat mensen over hetzelfde probleem ook heel anders kunnen denken. Juist wanneer mijn overtuiging met geloof te maken heeft, kan ik die ander niet langs dat probleemveld overtuigen, want dat zou dan hetzelfde zijn als dat hij christen wordt.
Dus in de politiek kijk ik hoe ver we met mensen die heel anders denken, tot een compromis kunnen komen waar ik mee kan leven en waar de ander mee kan leven. En ik moet daar zo ver mogelijk in gaan, want dat is een van de veronderstellingen van onze traditie, dat je elkaar zo veel mogelijk vrij laat om volgens je eigen overtuiging te leven.
En de grenzen van het compromis?
Als er niets gemeenschappelijks is, houdt het op. Kijk, ik kan zeggen: ik stem tegen. Maar de dingen gaan door en nu is er een wet waar ik het niet mee eens ben. Nu kan ik mij er toch aan houden, maar ik kan ook zeggen dat die wet indruist tegen alles wat in me is, ik kan daar niet in meegaan. Dat vind ik nu de uiterste grens, dan komt mijn loyaliteit aan de staat op het spel te staan.
U spreekt van uw loyaliteit aan de staat, maar is er ook niet sprake van de loyaliteit van de staat aan u?
Ja, dat zou zo moeten zijn, al betekent dat niet dat ik ook altijd mijn zin zou moeten krijgen. Als het inderdaad zover komt, dat ik niet gerespecteerd word, dan leg ik daar ook getuigenis van af In mijn boek heb ik het voorbeeld van de abortus gebruikt en gezegd dat als abortus verplicht gesteld wordt, daar voor mij de grens ligt. En je kan denken, nou, dat gebeurt nooit, maar kijk naar China, waar abortus wel op grote schaal verplicht is.
Wat kun je als christen doen aan deze crisis?
In de politiek zie je vaak dat er een heleboel mensen zijn, die zeggen: een crisis? We proberen gewoon problemen op te lossen. Men neemt gewoon standpunten in, het echte morele gesprek vindt in de politiek helemaal niet zoveel plaats. Ik vind dat juist christenen de taak hebben om elkaar dieper te bevragen in de politiek.
De eerste bijdrage is dus dat je niet langs elkaar heenschuift, maar met elkaar in gesprek bent. In de tweede plaats moet je zelf altijd bezig zijn met 'de eerste keer denken', hoe je je geloofsovertuiging ter sprake brengt in het algemene debat. Het gaat er dus vooral om hoe er in het praktische leven lijnen worden getrokken en standpunten worden ingenomen.
U noemt uw boek 'Waakzaam en nuchter', maar moet een christen ook niet bezield zijn?
Wat jullie bezieling noemen, probeer ik in het woord 'waakzaam' tot uitdrukking te brengen. De bezieling raakt voor mij vooral het leven van de gemeente zelf en je eigen leven.
Maar om dat wat jij voor goed houdt ook echt in de maatschappij te realiseren, dat wil ik niet. Daar probeer ik mij in te houden. Want stel dat een moslim diezelfde gedachte heeft – en die heeft hij – en dat ik in de samenleving gedwongen zou worden om zijn regels te volgen! Als ik dat dus niet wil, moet ik het omgekeerd ook niet willen. Bezieling in de politiek is al gauw gevaarlijk.
Je kunt trouwens ook bezieling hebben voor een compromis (al geloven christenen dat niet zo vaak) omdat het wel niet precies is zoals we het graag zouden willen, maar omdat het toch een echte uitweg is in onze problematiek.
Om dr. De Kruijf recht te doen: Hij merkt in het gesprek verder op, dat het compromis voor hem niet gelijk staat met zijn geloofsovertuiging. Een compromis is in een plurale samenleving onvermijdelijk, maar we dienen er geen systeem van te maken. Hij wil zo lang mogelijk de spanning er in houden tussen de eigen geloofsovertuiging ('de eerste keer denken') en het compromis ('de tweede keer denken'). Het boek van dr. De Kruijf, waarnaar in het gesprek verwezen wordt, is zijn onlangs verschenen studie 'Waakzaam en nuchter. Over christelijke ethiek in een democratie', uitg. Ten Have, Baarn. Het is duidelijk dat er verschillend gedacht wordt over ons staan in een plurale cultuur. Als ik het goed begrijp, houdt ds. Abma nog steeds vast aan de lijn van artikel 36: de theocratische visie. Dr. De Kruijf kiest een andere koers. Theocraat kun je alleen zijn op je eigen helft, in de kerk. Kom je daarbuiten, dan heb je de democratie te accepteren. En niet iedereen kan gedwongen worden te worden zoals jij bent. Er is nu eenmaal die plurale samenleving. Op politiek en maatschappelijk terrein moeten christenen rekening houden en werken met de daar heersende principes, ook al hoef je je eigen principes niet te verzwijgen.
Dr. H. M. Kuitert gaat nog verder. Hij acht een mens van nature in staat te onderscheiden tussen goed en kwaad. Wie echt mee er wil doen aan de democratie, die moet de theocratische gedachte loslaten. Wij weten het heus niet alleen maar in de kerk. De wereld valt best mee, bedoelt Kuitert.
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's