De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een muzikale impressie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een muzikale impressie

7 minuten leestijd

Het dorp Polderdorp bestond al enige eeuwen. Het was ontstaan bij een herberg aan het veer. Daar werden een paar huizen bijgebouwd. Een aantal schuren. Vanwege de fraaie ligging aan de rivier kwamen er buitenhuizen van renteniers. Het werd steeds groter en mooier, maar het bleef vooral een deftig dorp. Dat kwam, denk ik, vooral door mensen met een bezadigde inslag. Alles was er kalm en rustig. Niet zozeer zelfverzekerd en vadsig – neen, dat niet. Maar wel op het oude gesteld. Conservatief. Je kon dat merken wanneer je er kerkte. Er werd gedragen, welhaast langzaam gezongen. De organist was een kunstenaar. Met een paar meestergrepen zette hij het voorspel in van de psalm, die moest worden gezongen. De gemeente volgde deftig. Ze trok eerder dan dat ze zong.


Een paar kilometer verderop lag Polderveen. Geheel anders was het daar. De grondslag van dat dorp was gelegd door kleine neringdoenden, die in Polderdorp geen kans hadden gekregen. Er woonde trouwens ook nog wat administratief personeel, meest kinderen uit geslachten, die in Polderdorp uit alle openbare functies waren geweerd. Je had er een dorpshuis sinds kort, waar de buurtvereniging 'Voorwaarts' regelmatig vergaderde. De toon van het kerkelijk leven was er heel wat lichten dan in Polderdorp. Er stonden ook altijd andere predikanten. Niet onrechtzinning, maar moderner. Ze zongen in de kerk heel, heel vlug. Bijvoorbeeld, een klaagpsalm als: 'k Denk aan u, o God, in 't klagen' werd daar in marstempo gespeeld en gezongen. 't Dreunde alleen maar vlug en nog sneller. Toen de gemeentesecretaris van Polderdorp een keer een dienst in Polderveen had bijgewoond, omdat een studievriend daar voorging in de gemeente, werd zo snel gezongen, dat hij later zei: 'Dat was nu precies alsof de koningin bij de opening van de Staten-Generaal uit de gouden koets sprong, op een draf de trappen van de Ridderzaal opbolde, naar binnen stoof en op de troon neerplofte. Zoiets kan toch niet. Ze zingen daar niet, ze jagen daar…'.


Ze joegen daar in Polderveen vóórt, totdat dominee Fallière kwam. Dat was een telg uit een oud Frans geslacht, bijzonder muzikaal van aanleg. Hij ergerde zich zeer aan dat op stoom zingen. Niet dat hij nu overconservatief was, welneen, hij had een fijnzinnig karakter en vond dat alles naar tijd en gelegenheid moegt gaan. Het behoefde bepaald niet zo, dat de adem opraakte met één vers van psalm 89, maar het was ook niet nodig, dat je zowat tien verzen van psalm 119 zong in de vaart van een allegro van Mozart. Fallière was een wijs man. Hij wist, het hangt niet enkel van de organist af. Al speelde hij langzamer, het baatte niet – de gemeente ging niet mee. Bemerkte de gemeente, dat men haar wilde dwingen, dan was het verzet eerst recht en begon er een strijd tussen de gemeente en het orgel, die zeer onstichtelijk en kwalijkluidend was.


Fallière sprak met de organist af, dat hij een langzamer tempo zou spelen, waartoe deze gaarne bereid was. Het was trouwens een vakbekwaam musicus, die ook wel wist, dat dat jachtig zingen uit een andere bron voortkwam dan bepaald een muzikale oorzaak had. Maar o wee, wat er toen gebeurde, overtrof elke voorstelling. Het orgel speelde langzamer, maar de gemeente zong vóór het orgel uit. Het was tenslotte niet om aan te horen. Iedereen was verontwaardigd over het tergend langzaam orgelspel. Er kwam klacht op klacht. De organist liep een berisping op van de kerkvoogden. De organist ging natuurlijk naar dominee Fallière. Fallière erkende, dat hij schuldig was en te haastig veranderingen wilde invoeren.


Hoe liep de zaak nu af? Fallière verzocht de organist met het langzamer tempo voort te gaan, want dat hij nu geen andere dan minder bekende psalmmelodieën zou laten zingen. Polderveen kende alleen de bekende psalmen en zette het dan op een bulderen en jagen. Maar als er eens een geheel onbekende psalm werd opgegeven, dan hoorde je slechts een mager geluid van enige stemmen. De rest zweeg. Welnu, voortaan kwamen elke zondag fraaie psalmen, maar geheel onbekende melodieën. Zo kwaad en zo goed als het ging, moest de gemeente nu wel naar het orgel luisteren, wilde de gemeentezang niet helemaal verstommen. Een dubbel doel werd daardoor bereikt. Aan de ene zijde begreep de gemeente, dat zij nauwkeurig op het orgel had acht te geven, en aan de andere zijde raakte zij thuis in de psalmbundel en ontdekte er naast een enkele bijna onzingbare psalm onder de minder of totaal ongebruikelijke, nog menige melodie, die aangenaam was en harten kon treffen. Als nooit tevoren was het orgelspel van de organist grandioos. Het orgel jubelde ook bij een melodie, die onbekend was. Ja, het orgelspel was zo magnifiek, dat je vanzelf mee ging zingen door scherp te luisteren naar het instrument.


Na een paar lange maanden was het pleit voor het orgel gewonnen. De gemeente zong langzamer en luisterde stipt naar het orgel, zodat zij zweeg, wanneer het orgel in een regel een ogenblik pauzeerde om een gewichtig scheidingsteken tot zijn recht te doen komen en ook op het einde van een regel doorzong, wanneer het orgel bleef doorspelen, om de twee delen van dezelfde volzin niet door een hiaat te scheiden: bijvoorbeeld 'Leid mij in uw waarheid – leer ijvrig mij uw wet betrachten'. Ja, de gemeente werd via het orgel gedwongen te weten wat zij zong. Het orgelspel won meer dan ooit aan zeggingskracht, de gemeente vorderde in attentie. Het jachtige tempo verdween om plaats te maken voor een beschaafde, gedragen wijze van zingen.


Jagen of trekken – de dominee en de organist hebben aan de gemeente nooit meegedeeld waar zij heen wilden. Dan zou er licht oppositie zijn gekomen, want er bestaat een geest van verzet tegen al wat van de overgeleverde sleur afwijkt. In een zeldzaam samenspel van twee wijze mensen kon een gemeente geleid worden naar een verheffender eredienst zonder dat een kloof in een gemeente zichtbaar werd. Talmend zingen in lang uitgerekte noten levert geen rechtzinnigheid op. Dat zou wel gemakkelijk wezen. Maar evenmin hebben wij de goede fijnzinnige aanpak wanneer wij al maar door drijven en jagen, zo vlug mogelijk. Dat is ook weerzinwekkend om toe te luisteren. Het ontbreekt vaak in ons land aan het harmonieuze evenwicht. Wat ons betreft – wij hebben nooit de behoefte gevoeld om de ritmische gemeentezang in te voeren. Er was altijd nog teveel te doen om beter te leren zingen. Verdiepter te leren zingen.


En omgekeerd – waar de ritmische gemeentezang bestond hebben wij nooit de aandrang gevoeld deze af te schaffen. Deze manier van zingen kan ook altijd nog beter. Helaas, deze aangelegenheid verdeelt vaak gemeenten hopeloos. Het ontbreekt vaak aan vrijheid van beleid om in deze een juist spoor aan te geven. Trouwens, er zijn ook telkens tendenzen waar te nemen. Het valt soms alles aldoor naar één kant. Dan is correctie nodig.


Fallière en zijn organist waren beiden wijs. Zij doorgrondden heel goed, dat achter deze verschijnselen beginselen zich verscholen. Polderveen gevoelde zich in feite minderwaardig aan het deftige Polderdorp en dat dreef nu tot al maar nieuwere ideeën. Polderdorp zonde zich in welvaart en behoudendheid. Daarom moest alles blijven zoals het was. Er zit hier een wereld van gedachten achter. Bewaring van het oude kan tot verdorring leiden, maar onbegrensde vernieuwingsdrift tot vervaging en verneveling. Wij menen, dat wij hier een voorbeeld hebben aan veel van wat na de oorlog is gebeurd. Het heeft gemeenten verscheurd en verdeeld.


In het eerste gebod wordt gehandeld over de vreze des Heeren. In het tweede gebod over de dienst des Heeren. De eredienst is van grote betekenis. Die eredienst mag niet overvormelijk zijn, alsof de vorm het één en het al is: de eredienst mag ook niet overgeestelijk zijn alsof de vorm helemaal geen betekenis zou hebben. Geen verstarring en geen vervloeiing. Het ware midden ligt in de diepte. Vorm èn inhoud. Geest èn leven.

A. van Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een muzikale impressie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's