De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

4 minuten leestijd

Drs. J. G. van der Land, Van Abraham tot David, De oudste geschiedenis van het volk Israël, Archeologische, chronologische en historische aspecten, 128 pag., ƒ 22,50.
De moderne Bijbelwetenschap geeft een heel ander beeld van Israëls oudste geschiedenis dan de Bijbel ons vertelt. De opvattingen van Martin Noth en Gerhard von Rad – overigens respectabele vakgeleerden – hebben in de universitaire wereld een breed draagvlak gekregen. Zij zien in de boeken Genesis tot en met Koningen een theologische reconstructie van de oorsprongen van Israëls volksbestaan. Volgens hen zou dat het werk geweest zijn van de 'Deuteronomist'. Hij bedoelde met deze reconstructie het optreden van koning Josia te rechtvaardigen. Josia was immers bezig een radicale hervorming door te voeren niet alleen in de tempeldienst maar in heel de samenleving.
Noth en Von Rad trekken de lijn door van hun leermeester Albrecht Alt. Volgens Alt is er nooit sprake geweest van een 'uittocht' en een 'intocht' zoals de Bijbel daarover vertelt, maar hebben in het steppengebied verblijvende Israëlieten zich geleidelijk aan definitief gevestigd in het centrale heuvelland van Kanaän.
Van der Land houdt vast aan de historische betrouwbaarheid van de Heilige Schrift. De gebeurtenissen die de Bijbel ons vertelt, moeten dan ook in te passen zijn in de geschiedenis van het oude Nabije Oosten (10). Maar dat is z.i. alleen mogelijk wanneer wij in 1 Koningen 6 : 1 en Exodus 12 : 40 niet de lezing van de Masoretische tekst (waarop onze Staten-Vertaling is gebaseerd) volgen maar die van de Septuaginta (de Griekse vertaling, die ook door de apostel Paulus werd gebruikt). Volgens de Septuaginta vond de bouw van de tempel niet plaats in het 480ste maar in het 440ste jaar na de uittocht en verkeerde Israël niet 430 maar 215 jaar in Egypte. Dit laatste gegeven correspondeert met Galaten 3 : 16v.: de wetgeving op de Sinaï vond plaats 430 jaar na de verbondssluiting met Abraham.
Er is niet zo'n groot verschil tussen de vroege (bijbelse) datering van de uittocht in 1447 v. Chr. en de door Van der Land voorgestelde datering op basis van de Septuaginta in 1401 v. Chr. Ik zou haar veeleer willen typeren als een variant van de bijbelse chronologie. Worden alle jaartallen van de bijbelse chronologie tot op de tijd van David met 45 bijgesteld naar beneden, dan is de bijbelse geschiedenis zonder meer in te passen in de geschiedenis van het oude Nabije Oosten. Tenminste als we uitgaan van de zeer lage chronologie voor het Nieuwe Rijk van Egypte. 'Hoog' en 'laag' wil zeggen wat resp. 'verder weg' en 'dichterbij' het begin van onze jaartelling ligt. Deze zeer lage chronologie is gebaseerd op recent onderzoek van de geschiedenis van Egypte uit de periode van het Midden Rijk. Maar hoe moet het nu als nog weer nieuwer onderzoek leidt tot het aannemen van weer een andere, naar boven of beneden bijgestelde bijbelse chronologie? Dan maar weer terugkeren van de Septuaginta naar de Masoretische tekst? Overigens liggen grote verschillen niet in de lijn van de verwachting. Zowel W. H. Gispen (aanhanger van de vroege datering) als Van der Land zien Amenhotep II als de farao van de uittocht. Beiden identificeren de dochter van farao uit Exodus 2 met de roemruchte prinses Hatsjepsoet.
Het is niet nodig om de historische betrouwbaarheid van de Bijbel te verifiëren met behulp van historische en archeologische gegevens. Zij ligt immers verankerd in de daden des Heeren. Daarvan spreekt Hij in Zijn Woord. Daarmee zal Hij doorgaan tot de jongste dag. Daarop rust ons geloof. Bij de Heere zijn 'woord' en 'daad', 'daad' en 'woord' één. Dat is al zo vanaf de schepping. Wij hoeven echt niet ons hart vast te houden bij elke nieuwe archeologische vondst en voor de zoveelste keer na te gaan of wat in de Bijbel staat nog wel 'klopt'. Het kan wèl nodig zijn de historische betrouwbaarheid van de Bijbel te verdedigen. Daarvoor treft men in dit boekje heel wat documentatiemateriaal aan. Op overtuigende wijze wordt de samenhang aangetoond tussen Israëls oudste geschiedenis en de geschiedenis van het Oude Nabije Oosten. Die samenhang is voor ons niet criterium voor de historische betrouwbaarheid van de Heilige Schrift maar preludium op de vleeswording van het Woord.
Deze studie is m.i. een 'must' voor onze studenten en zou ik verder graag willen aanbevelen aan iedereen die zich nader verdiepen wil in de historische achtergrond van het Oude Testament.
H. J. de Bie, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's