Kerk en verbond: gehoorzaam achter Christus aan
Inleiding
In het nadenken over het proces van Samen op Weg en het Ontwerp-Kerkorde voor een eventueel te vormen Verenigde Protestantse Kerk in Nederland is het nodig aandacht te vragen voor het verband tussen het verbond van God en de kerk van Christus. Immers, er is het ene verbond van God met Zijn volk, dat in Oude en Nieuwe Testament zijn ene, zij het onderscheiden geschiedenis doorloopt. Verbond en kerk hebben alles met elkaar te maken. Want Christus, de Middelaar van het verbond, is het Hoofd van Zijn gemeente. In het verbond komt het aan op de geloofsverbondenheid met Hem en de geloofsgehoorzaamheid aan Hem. Het verband tussen het ene verbond van God en de ene kerk van Christus is te vinden in de Artikelen 27 tot en met 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en in Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus. We belijden dus het ene verbond en de ene kerk. Voor het kerk-zijn is het verbond van de meest wezenlijke betekenis, ja, het is alles-bepalend. Want het verbond bepaalt het wezen en de grondslag van het verbond met betrekking tot het kerk-zijn aan de ordestellen. De verbondsgehoorzaamheid, het gelovig en gehoorzaam achter Christus aan komen, neemt daarbij een centrale plaats in. Dat raakt het kerk-zijn in een eventuele Verenigde Protestantse Kerk in Nederland onder wat nu nog het Ontwerp-Kerkorde heet. Dat raakt ook ons kerk-zijn als Hervormde Kerk onder de Kerkorde van 1951.
Hervormde Kerkorde en Ontwerp-Kerkorde
Na het belijdende begin in aansluiting bij de woorden van Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus komen we in Artikel II van de Kerkorde 1951 van de Nederlandse Hervormde Kerk de dragende theologische ondergrond van het Hervormd kerk-zijn tegen: het genadeverbond. De Hervormde Kerkorde heeft een uitgesproken theologische visie en neemt haar positie in op het enig legitieme uitgangspunt in het denken over de kerk: het verbond. God richt Zijn verbond op met ons en onze kinderen. Wij behoren tot de kerk ten diepste niet omdat wij daarvoor gekozen hebben, maar omdat God voor ons gekozen heeft. Deze verbondsgemeente wordt vergaderd rondom het Woord dat God spreekt en de Sacramenten die Hij geeft. Aansluitend bij Artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en bij Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus spreekt de Hervormde Kerkorde van 1951 over het ene verbond der genade als de grondslag van de kerk. De kerk is het werk van God in Jezus Christus. Dat werk gaat aan al ons kerkewerk vooraf. Het heilsgeneim van de uitverkiezing ligt ten grondslag aan de kerk, waarvan het genadeverbond het fundament is. Dit poneren van het genadeverbond met betrekking tot het kerk-zijn Werkt in heel de Hervormde Kerkorde door. De visie op gemeente en ambt, doop, belijdenis en Avondmaal, apostolaat en belijden en op huwelijk wordt erdoor bepaald. Vinden we in het Ontwerp-Kerkorde voor een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland in deze visie op het verbond terug? Dat is niet het geval! Zeer verdund wordt er in Artikel III van het Ontwerp-Kerkorde wel gesteld: 'Krachtens Gods genade worden gemeenten vergaderd rondom Woord en sacramenten'. Maar wie de Hervormde Kerkorde van 1951 en het Ontwerp-Kerkorde doormeet op de notie van het verbond en de doorwerking daarvan, bemerkt dat er fors is ingeleverd. Dat komt, omdat de visie, die het Ontwerp-Kerkorde op de kerk heeft, sterk van onderaf is gedacht. De kerk wordt niet meer beschouwd vanuit het verbond, vanuit het heilshandelen van God met de mens, zoals dat gestalte heeft aangenomen in het genadeverbond. Het verbond als het kenmerk van de kerk is weggevallen. Hier verraadt zich het denken van beneden-af, vanuit de autonome mens. Het lidmaatschap van de kerk berust niet op het geheimenis van Gods verbond en verkiezing, maar op de vrije keus van de leden. En dit denken werkt door! In de visie op de gemeente en het ambt, de doop, de belijdenis en het Avondmaal, de plaats en taak van de kerk in de wereld, het belijden, het zwijgen over de onvervangbaarheid van het huwelijk dat alles te maken heeft met het verdonkeremanen van het verbond in heel dit Ontwerp-Kerkorde. Alleen al wegens het feit, dat het verbond Gods niet meer ten grondslag ligt aan het kerk-zijn dient het Ontwerp-Kerkorde als onaanvaardbaar en als een ondeugdelijke basis voor gereformeerd kerk-zijn te worden afgewezen.
Enkele kenmerken van het verbond met betrekking tot de kerk
a. In de Heilige Schrift neemt het verbond een centrale plaats in, zelfs zo dat over geloven en kerk-zijn uitsluitend gesproken kan worden in termen als verbondsverhouding en verbondsverkeer. We kunnen zeggen, dat de gemeenschap met God alleen mogelijk is binnen het kader van Zijn verbond. Leven met God is leven in het verbond. God heeft de vorm van het verbond gekozen voor de omgang met de mens. In het verbond geeft God Zich aan de mens en mag de mens zich geven aan zijn God. Bij het verbond tussen God en mens zijn beide partijen niet gelijkwaardig. De mens staat niet op hetzelfde niveau als God en daarom kan hij van zich uit nooit het initiatief tot sluiting van een verbond met God nemen. Alleen God kan het initiatief nemen tot het verbond. Het bestaan van het verbond tussen God en ons is uitsluitend aan Hem te danken. Het verbond is dus eenzijdig in zijn ontstaan: God alleen neemt het initiatief, maar het is tweezijdig in zijn voortbestaan. Want het verbond, waarmee God met ons gemeenschap zoekt als de enige vorm waarin wij met Hem kunnen leven, heeft twee delen: belofte en eis. Dat zijn de twee kanten van het ene verbond. In deze tweezijdigheid wordt de eenheid van het verbond gehandhaafd. God beloof niet alleen. Hij verplicht ook. Zonder onze vervulling van de verplichting is ervan een leven in verbondsgemeenschap met God geen sprake. In het verbond is de realiteit zo, dat wij verantwoordelijk zijn. Die verantwoordelijkheid moet reëel worden opgevat en geheel in rekening worden gebracht. Wie het verbond berooft van zijn primair verantwoordelijkheidsappel, holt het verbond in zijn geheel uit. Maar God heeft het verbond tweezijdig gemaakt. En hoewel de mens ongelijkwaardig is en blijft aan Hem Die het verbond maakte en stelde, wordt het verbond door de aard van de mens als verantwoordelijk wezen tot tweerichtingsverkeer.
b. Wie zo het verbond – niet in een gelijkwaardigheid van God en mens, maar wel in zijn tweezijdigheid! – heeft verstaan, zal oog krijgen voor het dynamisch karakter van en de menselijke verantwoordelijkheid in het kerkvergaderend werk van Jezus Christus. Jezus Christus is hier op aarde bezig om Zich een gemeente te vergaderen (Zondag 21 Heidelbergse Catechismus). Door dat voortdurende vergaderingswerk, vindt men hier in de geschiedenis nooit een voltooide, complete kerk. Geen kerk, ook geen enkel kerk-instituut, is ooit gereed, maar altijd wordende kerk. Niet anders lezen we in Artikel 27 van de Nederlandse geloofsbelijdenis, waar de kerk omschreven wordt als 'een heilige vergadering van de ware gelovigen in Christus'. In de Latijnse tekst vinden we voor het woord 'vergadering' twee woorden: congretatio' en 'coetus': de kerk is vergadering en bijeenkomst. 'Congregatio' drukt uit, dat Christus vanuit de hemel door Zijn Woord en Geest Zijn volk aan het bijeenvergaderen is. Maar op het vergaderingswerk van Christus volgt het samenkomen van de gelovigen. 'Coetus' drukt uit, dat de gelovigen de roepstem van Christus' Geest en Woord horen en zich op hun beurt scharen achter de vergaderende Christus. Christus vergadert, maar wij vergaderen achter Christus aan en met Christus mee. Eerst de congregatio, maar niet zonder de coetus. Eerst Gods raadsplan om te roepen wie Hij wil, maar daarna de vervulling daarvan in het feit dat de gelovigen samenkomen. Zo en niet anders is de kerk 'een heilige vergadering van de ware gelovigen'. Deze kerk is geheel en al dezelfde kerk als waarover gesproken wordt in de Artikelen 28 en 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daar spreekt de Confessie over de ware en valse kerk en over de kenmerken van de ware kerk. Vals is een kerk, als zij niet vergadert naar de normen van Christus. Want de gelovigen moeten hun hals buigen onder het juk van Christus. Deze confessionele uitspraak van Artikel 28 betekent, dat de gelovigen zelfde verantwoordelijkheid hebben en dus ook moeten nemen, dat in de kerk van Christus het Woord van Christus tot volle gelding wordt gebracht. Niet onder het juk van menselijke meningen en organisatievormen, slechts onder het juk van Christus kan de kerk ware kerk zijn en voldoen aan de kenmerken van de ware kerk: 'dat de kerk de zuivere prediking van het evangelie verricht; dat zij de zuivere bediening der sacramenten gebruikt, zoals Christus ze heeft ingesteld; dat de kerkelijke tucht gebezigd wordt om de zonden te bestraffen; kortom, dat men zich gedraagt naar het zuivere Woord Gods, alle dingen die daarmee in strijd zijn, verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd.'
Verbond en kerk
a. Verbond en kerk horen samen. Niet voor niets wordt bij het spreken over het bestaan en het blijven voortbestaan van de Nederlande Hervormde Kerk telkens weer teruggegrepen op het verbond. Vaak is de redenering dan, dat krachtens Zijn verbondstrouw de Heere in ons land de vaderlandse kerk heeft gesticht, die nu de naam van Nederlandse Hervormde Kerk draagt. Daarom moeten we aan deze vaderlandse kerk trouw blijven, juist nu in het streven naar eenheid het voortbestaan van deze kerk op het spel wordt gezet. Omdat God Zijn verbond in en met de Nederlandse Hervormde Kerk als de vaderlandse kerk heeft opgericht en in stand houdt, gaat het om het recht van het voortbestaan van deze kerk. Dit voortbestaan wordt teniet gedaan door het Ontwerp-Kerkorde voor een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland. Maar omdat God trouw blijft aan Zijn verbond en aan Zijn eens geplante kerk, mogen wij dat verbond en die kerk niet verlaten.
b. Hoeveel er ook in deze redenering aanspreekt, toch moet de vraag worden gesteld of dit typisch hervormde spreken voldoende luistert naar de notie van het gelovige antwoord in het verbond en van de geloofsgehoorzaamheid aan Christus en naar de dynamiek die er, allereerst vanuit Christus, maar ook vanuit de gelovigen, ligt in Zondag 21 en in de Artikelen 27-29. Waar eenzijdig van een oudtestamentisch verbondsbegrip wordt uitgegaan en vooral het accent wordt gelegd op de bede tot de Heere: 'Aanschouw het verbond!', wordt het statisch instituut van de kerk al snel hoogste en laatste norm: God verlaat niet, wij mogen niet verlaten; wij mogen niet heengaan, waar God blijft. Maar waar ligt, in het verbond en bij het kerkvergaderend werk van Christus, het criterium? Bij het gegeven instituut of bij de gehoorzaamheid? Aan de Heere vragen om het verbond te aanschouwen kan nooit betekenen om ons neer te leggen bij een bestaand instituut of een nieuwe kerk-organisatie, die haar uitgangspunt niet heeft in de Schrift als het onfeilbare Woord van God, die de werkelijke binding aan de belijdenis verlaten heeft en die de deur wijd heeft opengezet voor tal van moderne, onschriftuurlijke en anti-confessionele ontwikkelingen.
c. Aan de Heere vragen om het verbond te aanschouwen – het pleiten dus op Zijn verbondstrouw – kan nooit los worden gezien van het feit, dat wij ons nu hebben te bekeren tot de gehoorzaamheid die de Heere in het verbond van ons vraagt. Wat is op dit moment leven in het verbond en het in praktijk brengen van het verbond – als kerk? Dat is niet blijven staan bij een statische verbondsbeschouwing (of deze nu de Nederlandse Hervormde Kerk of de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland betreft), maar het is de echte verbondsgehoorzaamheid voor de aandacht plaatsen. Dit ogenblik vraagt van ons een actief handelen naar de eisen van het verbond, zoals de Heere ons dit heeft opgedragen. Dit ogenblik vraagt van ons het komen achter de kerkvergaderende Christus aan: van het gegeven instituut tot de gehoorzaamheid aan de Heere Christus in het institueren van de kerk; van een organiseren om te komen tot een Verenigde Protestantse Kerk tot een kerk die trouw leeft naar het verbond. En wie opmerkt, dat het verbond toch geen werk van mensen is – dan luidt het antwoord: in alle verbonden zijn twee delen begrepen! God brengt weliswaar door een eenzijdige beschikking het verbond tot stand, maar daarna wordt het tot een tweezijdige verbondsverhouding. In de verbondstaal van het Nieuwe Testament heet dat de geloofsgehoorzaamheid aan Christus. Daarom moeten wij in het verbond dus ook altijd iets doen, namelijk de verbondsgehoorzaamheid betrachten, gelovig en gehoorzaam achter Christus aan komen, ware kerk zijn zoals Artikelen 28 en 29 daarover spreken. Want tot het wezen van het verbond behoort niet alleen wat God werkt naar ons toe, maar ook wat wij doen voor Hem. Willen we kerk der Hervorming zijn, Schrift en Belijdenis handhaven, kerkelijk uit het genadeverbond leven, dan is de enige weg daartoe: verbondsgehoorzaamheid, geloofsgehoorzaamheid. Na de weg gegaan te zijn van kerkelijke reorganisatie, die heeft geresulteerd in de Kerkorde van 1951 maar die nog geen werkelijke reformatie bracht, staan we opnieuw voor een cruciaal punt. Gaan we een nieuwe Samen op Weg-kerk maken, of gaat het ons om reformatie: trouw luisteren naar de Schrift, terugkeren met de daad tot de confessie en gehoorzaam kerk-zijn?!
Tenslotte
In ons denken over de kerk komen we niet verder door te blijven staan bij de historische gestalte van de Nederlandse Hervormde Kerk in haar huidige gedaante en organisatie-vorm. Nog veel verder van huis geraken we, wanneer we op welke wijze dan ook maar meedoen aan en ons inlaten met een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland onder de Kerkorde zoals die nu in ontwerp is voorgelegd. Verder komen we slechts, wanneer we weer eenvoudig terugkeren tot de drie kenmerken van de ware kerk: de zuivere prediking, de zuivere sacramentsbediening en de zuivere tucht. Daarom roepen we op tot eerherstel-met-de-daad van de gereformeerde belijdenisgeschriften, omwille van de eenheid van de kerk, via ondertekening van deze belijdenis door alle ambtsdragers, die hun persoonlijke opvattingen dienen te onderwerpen aan de belijdenis der kerk. Dat is de weg van 'terugkeer tot de waarachtige dienst des Heeren'. Dat is kerk-zijn naar het verbond. Hetgeen ds. G. Boer in 1956 schreef in zijn gedachtenwisseling met dr. H. Berkhof worde opnieuw en voortdurend yoor de aandacht geplaatst: 'Wij wijzen alles af, wat niet in overeenstemming is met het karakter van onze kerk, nl. de Heilige Schrift en de klassiek-gereformeerde belijdenis der kerk. Het gaat ons om de volle ongebroken plaats van het Woord Gods en de handhaving van de belijdenis in het kerkelijk gezag. Wij proberen niet anders dan de Hervormde Kerk haar oorspronkelijk karakter te hergeven. Alleen zij hebben recht in de kerk, die zich houden aan de spreekregel der kerk, nl. de belijdenis.' Wie nadenkt over verbond en kerk kan met minder niet toe!
Dr. J. J. C. Dee
hervormd predikant te Twijzelerheide
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's