Recht en genade (2)
In Johannes 3 lees ik: 'Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem'. Deze tekst laat ons duidelijk horen, dat het gaat om het geloof in de Zoon. Om niemand meer, doch ook om niemand minder. Jezus alleen!
Veel kan er in het leven van een mens zijn. Wellicht kan men spreken over kennis van de zonde. Ik sluit het zelfs niet uit dat er zijn die kunnen spreken over de ene uittredding na de andere in hun leven. Door velerlei nood en zorg zijn ze heen geholpen. Op zich zijn al die dingen niet te verwaarlozen. Wij moeten ze niet achteloos van de tafel vegen alsof de hand des Heeren daarin niet op te merken is. Niettemin schrijf ik wel neer: als het alles zonder Christus is, staat men nog voor eigen rekening. Want in Johannes 3 lezen wij niet: Die zondekennis heeft òf wie van een uitredding weet te vertellen zal behouden worden, doch wij lezen er: 'Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven'. En als het geloof er niet is? Dan blijft de toorn Gods op ons. In dat geval spreekt Jezus over een plaats waar wening zal zijn en knersing der tanden.
Niet meer van deze tijd?
't Moet gezegd worden dat dit niet meer door allen geloofd wordt. De genade Gods speelt men uit tegen Zijn recht. Het gevolg is dal; het recht Gods moet sneuvelen. Het recht van God om te straffen behoort tot de 'The old time religion' (de godsdienst uit vroegere tijd). In de middeleeuwen kon dit de mensen nog wel wijs gemaakt worden, maar daarmee moet men bij de moderne mens van de twintigste eeuw niet meer aankomen. In onze tijd zien velen het dan ook als een verlossing dat zij bevrijd zijn van wat de reformatie in navolging van de Schrift ons over deze zaak heeft voorgehouden. Een voorbeeld van dit alles las ik in een column van de hand van Loes van Lennep in Hervormd Nederland van 30 april jl. Zij schrijft onder andere over een vrouw die zestig jaar was geworden. Deze dame vertelt iets over haar veranderde zienswijzen. Ik citeer: 'Een vrouw zag als grootste winst van haar leven haar bevrijding van 'the old time religion'. Als betaalde oppas, wist ik, had zij ooit stiekem ettelijke kinderen gedoopt uit vrees, dat zij anders voor eeuwig verloren zouden gaan. Ze vertelde me van haar vroegere geobsedeerdheid door het woord eeuwig en over de herkomst van ideeën over hel en duivel. Hoe de hel, genoemd naar de godin Hel en verwant met het woord helen in de zin van beschermen, het land der vergetelheid was, tot een ziekelijke religieuze fantasie er de gruwelijkste voorstelling bij verzon. Nu zien zelfs de strengste theologen de hel hooguit 'als mogelijkheid, maar is het niet onze plicht te geloven, dat zich daar iemand bevindt'. Het opklinkend hoera voor de jarige sloot goed op onze overpeinzingen aan.'
Ik zal niet ontkennen, dat met name de rooms-katholieke kerk in de middeleeuwen in haar theologie meer over de plaats van de buitenste duisternis heeft willen zeggen dan ons in de Schrift daarover wordt voorgehouden. Het huiveringwekkendste was soms nog niet huiveringwekkend genoeg. Terecht werd door de dame opgemerkt dat ziekelijke religieuze fantasie er de verschrikkelijkste voorstellingen bij verzon. In dit verband moet de geest van sommigen inderdaad zeer verkrampt zijn geweest. Persoonlijk denk ik dat Luther en Calvijn hierin een correctie hebben gebracht. Zij spreken althans op een meer ingetogen wijze over een eeuwige straf en over de toorn Gods als men vóór hen heeft gedaan.
Voorzichtig
Het is mij niet bekend of het wel eens anders gebeurt, maar persoonlijk zou ik ervoor willen pleiten om altijd op een ingetogen manier over de buitenste duisternis te spreken. Dat moet zowel gedaan worden in de prediking als op het huisbezoek. Niemand weet wat precies de buitenste duisternis is, toch móet zij verschrikkelijk zijn. Achter dit laatste komt men enigszins als men in aanraking komt met het recht van God. Daarmee geconfronteerd ondervindt men dat men voor God niet kan bestaan. Ook moet men beamen dat God geen onrecht doet als Hij voor altijd een mens weg doet. Wie dit werkelijk beleeft, heeft geen grote woorden meer. Men beeft voor het recht van God. Men vreest voor het recht van God. Men kan het alleen maar billijken, dat Gods toom de zondaar móet straffen.
Wie van het bovenstaande iets in zijn leven heeft ondervonden en iets heeft gezien wat dat inhoudt: verloren te moeten gaan en altijd in de plaats van de buitenste duisternis rond te dwalen, die zal altijd op een ingehouden wijze over de hel spreken! Het getuigt althans niet van een pastorale attitude (houding) en nog minder dat men er zelf iets van heeft beleefd als men op een 'bikkelharde' manier over de toorn Gods en over de eeuwigie verlorenheid spreekt.
Hoewel men er nooit over zal mogen zwijgen, zal men dit toch zó moeten doen dat de ander altijd verneemt waarover men spreekt en dat men er zelf iets van heeft ondervonden. Het moet eigenlijk zo zijn, dat het gemeentelid de huiver bij de predikant en de ouderling kan opmerken als zij over deze ernstige zaken spreken. In hoeverre de opmerking terecht is, dat er in het verleden 'hel en verdoemenis' preken werden gehouden, is mij niet helemaal bekend. Voorzover ik de prekenbundels uit eigen kring heb gelezen, kan ik niet zeggen dat daarin alle nadruk viel op de straffende gerechtigheid van God. Mochten daarentegen zulke preken wel gehouden zijn waarin de meest afschrikwekkende taferelen jongeren en ouderen werden voorgehouden, zo zullen zij weinig of geen doel hebben getroffen. Zij kunnen hooguit een slaafse vrees tot gevolg gehad hebben, maar zeker geen kinderlijke vrees. Nochtans mag de waarschuwing niet ontbreken, maar de manier waarop deze gebracht wordt is van uitermate groot belang. Wanneer er gewaarschuwd wordt, moet dit altijd zijn om jongeren en ouderen te winnen voor de heerlijke dienst des Heeren. Ik denk niet dat de Heere Jezus het anders heeft bedoeld, wanneer Hij sprak over de buitenste duisternis. In die zin kan wat negatief is nog een positieve uitwerking hebben.
Vooral is het van belang dat mensen die ons over déze laatste ernst horen spreken kunnen zeggen: 'Die mensen weten waarover zij spreken; het is aan ze te horen en te zien'. Om kort te gaan: het is niet verkeerd als men onder grote bewogenheid spreekt over deze zaken. Ik zal nooit vergeten, hoe in een van de gemeenten die ik heb mogen dienen een ouderling altijd tranen in de ogen kreeg als hij over het eeuwig wee sprak. Hij had er iets – zoals hij zei – van ondervonden en daarom was er bij hem altijd grote ontroering als hij erover sprak.
Eeuwig?
Wie in de Zoon gelooft heeft het eeuwige leven! Als men nu niet gelooft in de Zoon, gaat men dan voer eeuwig verloren? Sommigen vinden dit wel wat te ver gaan. Men moet dan aannemen, dat de volstrekte Godverlatenheid voor eeuwig haar plaats in een vernieuwde schepping behoudt. Om die reden is de mening ontstaan dat er in het hiernamaals nog een kans op bekering is. Weer anderen geloven, dat eenmaal allen die naar het beeld van God geschapen zijn, naar het beeld van Christus zullen herschapen worden; dezen geloven dus in de alverzoening (apokatastasis). De leer van de alverzoening is al zeer oud. Wellicht kunnen wij zeggen dat Origines deze leer heeft ontwikkeld. Hij meent dat eenmaal alle zielen langs een louteringsweg naar God terugkeren.
Het kan niet ontkend worden dat Origines in de loop der eeuwen een lange reeks van aanhangers achter zich heeft gekregen. Te denken valt aan de Griekse patres en middeleeuwse ketters. Ook de zogenaamde nevenstromingen van de Reformatie waren niet wars van de leer van de apokatastasis d.i. de leer van de alverzoening. Ik denk dan aan de meest radicale stroming in het doperdom. Zelfs in het piëtisme zijn er geweest die de leer van de alverzoening niet gram waren. Zij gingen meer af op wat hun gevoel ze voorhield van wat de Schrift ze duidelijk zei. Natuurlijk mag dit niet van alle piëtisten gezegd worden. Het aantrekkelijke van het piëtisme is intussen wel dat het geloofsleven rationeel is. Het gevoel krijgt daarin een plaats en dat maakt het geloofsleven warm en bewogen.
Toch zullen kenners van het piëtisme het er wel mee eens zijn dat ook daarin ontsporingen zijn aan te wijzen. Met name als het gevoel de overhand krijgt op het geloof. Dat is altijd een zeer wankele basis. Het gevoel doet de mens de ene dag iets beleven, terwijl het de volgende dag verdwenen is. In het gevoel zit geen constante of om het anders te zeggen: het is niet consistent. Het geloof daarentegen wel. Wat de oorzaak daarvan is? Dat is niet zo moeilijk aan te geven. Het gevoel gaat af op wat men in zijn/haar hart bevindt, maar het geloof gaat altijd af op wat het Woord Gods zegt. Het geloof houdt zich aan het geopenbaarde Woord van God.
Het gevoel kan ons bedriegen of misleiden, maar dat is met het geloof volstrekt niet het geval. Ons gevoel is bedriegelijk, het geloof in het Woord onbedriegelijk.
Nogmaals wil ik erop attenderen, dat in het geloof het gevoel meedoet. De totale mens doet erin mee. Ik denk ook dat het goed is dat er in de laatste jaren wat meer aandacht wordt gevraagd voor het gevoel en hoe dit in het geloofsleven functioneert. Het boekje van W. H. Velema 'Geloof en gevoel' heeft mij bijzonder aangesproken. Toch wijst ook hij terecht op de gevaren van de overheersing van het gevoel op het geloof De ontsporingen dienaangaande zijn zeker aan te wijzen in het verleden met name dan inzake de leer van de alverzoening bij sommige piëtisten. In onze eeuw is door Ph. Kohnstamm in De heilige (1931) pag. 390-403 met verve de alverzoening verdedigd en een eeuwige straf ontkend. Wanneer men de kerkgeschiedenis nagaat, zal men opmerken dat de motieven van de voorstanders betreffende de leer van de alverzoening zeer uiteenlopen. Ook K. Barth is onder de voorstanders te rekenen vanwege zijn allesbeheersend geloof aan de overmacht van de genade. Het recht van God laat hij opgaan in het kruishout van Golgotha. De toorn Gods woedt uit in de kruisdood van de Zoon. Hoewel Barth behoort tot de voorstanders van de apokatastasis durft hij de allerlaatste consequentie niet te trekken. Er bestaat bij hem vrees dat er een systeem van de genade wordt gemaakt.
K. Berkhof volgt K. Barth voor een deel in het Christelijk geloof als hij schrijft: 'De duisternis van verwerping en godverlatenheid kan en mag niet weggeredeneerd worden, maar kan en mag evenmin vereeuwigd worden. In Gods naam hopen wij, dat de hel een louteringsweg zal zijn.' De vraag is wel: geeft de Schrift daarin H. Berkhof gelijk? Hoe staat het met Gods recht?
(wordt vervolgd)
G. S. A. de Knegt, B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's