De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

9 minuten leestijd

Glas, plas, was
Ze dronken een glas en ze deden een plas en alles bleef zoals het was. Al jong werden me deze regels aangeleerd door iemand op wie niet de aanduiding 'vergaderdier' van toepassing was. Ik heb er later vaak aan moeten denken, tijdens of na de intussen honderden vergaderingen die beroepsmatig moesten worden bijgewoond of voorgezeten. We vergaderen, schreef ds. Jac. van Dijk eens, totdat we vergaderd worden. Ook al geen echte liefhebber kennelijk. Onlangs promoveerde er iemand aan de Universiteit van Amsterdam over het onderwerp 'Nederland als vergaderland – Opkomst en verbreiding van een vergaderregime'. Wilbert van Vree heet de promovendus en in het katern Folio van 'de Volkskrant' van 21 mei 1994 besteedt Piet de Rooy aandacht aan promotie en proefschrift in een bijdrage onder het veelzeggende opschrift 'De vergaderisering van de samenleving'.
Wie weleens een promotie aan een universiteit heeft bijgewoond, die weet van het rituele karakter van zo'n gebeuren. De afloop staat al van tevoren vast. Maar toch wordt binnen het geheel nog een soort mini-vergadering gehouden. Als de dissertatie door de promovendus is verdedigd en onder embargo al onder de toonbank van de boekhandel te vinden is, zegt de voorzitter nog dat men zich terugtrekt 'voor nader beraad'.

En alsof hij dat zelf gelooft, schrijdt hij aan de kop van een stoet hoogleraren naar een achterkamertje.
In feite gaat het dan om een time-out voor een aantal administratieve handelingen. Maar de voorzitter opent met een bescheiden klap met een houten hamertje formeel een vergadering die, na wat verplichte figuren, een besluit neemt dat in talloze kleine mini-bijeenkomsten al genomen was. Bij terugkeer in de aula wordt dat dan plechtig meegedeeld. En zo zit achter iedere vergadering een vorige, na iedere vergadering volgt er een nieuwe – het is een eindeloos Droste cacaobus-effect.
Dat is niet altijd zo geweest. Hoe het er vroeger nu precies aan toeging, is niet altijd even duidelijk, maar er werd in ieder geval aanmerkelijk minder vergaderd. In het Oude Testament kon over dit onderwerp nog betrekkelijk oppervlakkig en luchtig worden geschreven. Zo nu en dan kwamen de stammen bijeen om te beraadslagen over de manier waarop ze aan voldoende maagden konden komen (Richteren 21) of zich te beklagen over de hoogte van de belastingen (Nehemia 5). Maar in het algemeen waren de vergaderingen schaars en liepen ze goed af 'Ik zal hen tot mij fluiten en hen vergaderen, want ik bevrijd hen' (Zacharia 10 : 8).
Maar de samenleving is ingewikkelder geworden en het aantal aardbewoners wat groter. Mensen zijn in hun leven meer afhankelijk geworden van anderen en iedereen heeft onophoudelijk meer van doen gekregen met iedereen. Dat leidde tot het toenemen van bijeenkomsten waarin heel wat werd afgepraat. Deze ontwikkeling zou je kunnen aanduiden als de toenemende 'vergaderisering' van de samenleving.
Dat proces is vooral in Nederland van oudsher duidelijk merkbaar door de al vroeg zo merkwaardig burgerlijke cultuur. Vorsten hielden gewoonlijk niet zo van vergaderen (die vonden het al mooi als ze een beetje verstandig advies kregen, waarna ze een beslissing namen), maar in Nederland vergaderden we al vroeg dat het een lieve lust had.

Naarmate de samenleving ingewikkelder en het aantal aardbewoners groter is geworden, zijn mensen meer en meer op elkaar aangewezen geraakt. En zo is het aantal bijeenkomsten buitengewoon toegenomen. Er wordt elke dag heel wat afgepraat. Volgens Van Vree vergaderden we in Nederland al vroeg dat het een lieve lust was. In het Utrechtse Jaarbeurscomplex worden er thans per jaar zelfs duizenden vergaderingen gehouden. En dat is niet de enige plek waar in ons land vergaderd wordt.

Een van de aardigste vergaderingen die wordt behandeld, is de nationale synode in Dordrecht, die in 1618 bijeen werd geroepen toen de religieuze tegenstellingen tussen remonstranten en contra-remonstranten op een burgeroorlog dreigden uit te lopen. De gemoederen liepen daar hoog op. Voorzitter Bogerman raakte zelfs zo opgewonden, dat hij volgens getuigen 'noch gelaet noch tong kon bestieren' en een aantal keren zelfs 'quaedt Latijn sprak'. Secretaris Daniël Heinsius (verder wel een fijnzinnig dichter) werd regelmatig zo kwaad en ongeduldig dat hij hard op de tafel begon te slaan, zodat de hele kamer ervan daverde.
Een ver familielid, Anthonie Heinsius, stond een eeuw later in de internationale diplomatie juist bekend als iemand die uitstekend zijn emoties wist te beheersen: 'Hij windt zich zelden op in het debat.' Tussen deze beide extremen blijft de toon van het vergaderen gevangen. Een enkele keer lopen de emoties hoog op, maar meestal kabbelt alles vrij vredig naar het verlossende einde.
Er heerst een sterke ambivalentie over vergaderingen. Enerzijds vinden we dat het er te veel zijn en dat ze te lang duren. Dat werd krachtig aangepakt door het roken tijdens de bijeenkomsten te verbieden. Anderzijds vinden we ze kennelijk onmisbaar en mogen we werkelijk liters koffie drinken om ze te kunnen uithouden. Slechts daardoor zijn we in staat de lichte wanhoop onder controle te houden, als bij het begin al iemand begint te zeuren over de notulen van de vorige keer en de wilde woede als aan het eind iemand nog wat naar voren wil brengen bij de rondvraag.
En hoe jaloers zijn we niet op mensen die in staat zijn al snel na aanvang op een waakstand over te gaan. De kunst is dan met één hand zowel het knikkende hoofd te ondersteunen als de dichte oogleden aan het zicht te onttrekken – alleen op hoorbaar gesnurk berust een zwaar taboe. We vinden zo'n eenzame vergaderslaper vooral zo innemend, omdat hij (m/v) symboliseert dat vergaderingen doorgaans zo ongelooflijk saai zijn.
Deze algemene saaiheid hangt nauw samen met het feit dat vergaderingen zelden ergens over gaan, omdat de besluiten van te voren al vaststaan. Een vergadering is immers veelal het oog van een maalstroom aan activiteiten, die aangeduid wordt met zinnetjes als 'Ik sein hem wel even in', of: 'Daar moeten we het bilateraal even over hebben'. Mochten er in de lange aanloop nog wat vuiltjes zijn blijven zitten, dan wordt er snel geschorst om die op te lossen.
Vergaderingen zijn dan ook vooral de rituele bezegeling van een serie contacten en contracten. Vandaar ook dat een zekere saaiheid heel bevredigend is: wij hebben allemaal wel een hekel aan vergaderen, maar zouden het fijne gevoel niet willen missen dat we ergens bij betrokken zijn, dat we onderdeel uitmaken van een wijdvertakt net, waarin organisaties de fine-tuning van hun beleid organiseren. In dat opzicht is de vergadering de moderne vorm van Gemeinschaft geworden. Als we die zouden afschaffen, zouden de sociale en psychologische gevolgen niet te overzien zijn.

We kennen ook in de kerk een wijdvertakt netwerk van vergaderingen. Soms wordt heel vertederend over een 'vergaderingetje' gesproken. Maar die duren meestal het langst en blijken het meest frequent nodig te zijn. Voor liefhebbers (en die zijn er 'gelukkig' ook) een heerlijkheid, voor anderen menigmaal een kwelling. Maarten 't Hart vertelt in zijn 'Het roer kan nog wel zesmaal om' dat hij alleen al bij de gedachte aan een vergadering in paniek raakt en bij de opening al verlangt naar de sluiting. Krampachtig pleegt hij zijn mond te houden om maar te voorkomen dat het nog langer zal duren. Een extreem voorbeeld van iemand die gruwt van ieder sociaal contact, zeker. En toch, langs de wegen lees ik vaak de woorden 'Kan 't een ietsje minder?' Minder vergaderen en meer in gebed. Dan blijft niet alles zoals 't was. Maar kan de Geest verrassend en vernieuwend wegen en sporen wijzen door de tijd die zo aangrijpend is, juist ook voor de christelijke gemeente.

Lied en volk
We naderen de dagen van brood en spelen weer. Oranje is de kleur en luid het geschreeuw dat gemakshalve in de taal van onze buren overzee klinkt 'We are the champions'. Het lied dat straks ook klinkt, zal ons volkslied zijn. In zijn rubriek 'Opvlieger' in 'Kerk en Wereld' van juni 1994 schrijft ds. A. W. Vlieger onder het opschrift 'Het Volkslied moet schuilen' daarover de volgende opmerkingen.

Op zondag 8 mei liet ik aan het eind van de kerkdienst het Wilhelmus zingen. Dat gebeurde vóór de zegen, hetgeen altijd weer commentaar van gemeenteleden oplevert, die vinden dat het lied uitsluitend ná de zegen gezongen mag worden.
Ik heb ervoor gekozen het Wilhelmus gewoon als lied 411 te laten zingen aan het eind van de dienst, vóór de zegen en het amen.
Dat komt wellicht doordat ik de neiging heb, het Volkslied in bescherming te nemen tegen de horden die er straks weer mee aan de haal gaan tijdens de wereldkampioenschappen voetbal in de Verenigde Staten, waaraan, helaas, ook ons land meedoet.
Ik wil het Volkslied veilig onder dak hebben voordat het opnieuw ten prooi valt aan de massa's die rond de velden, maar vooral in en om onze vaderlandse cafés de kelen schor brullen. Tot mijn schrik heb ik ontdekt dat ik zelf ook al de neiging heb, als de hond van Pavlov, brullend te reageren als de laatste noten zijn weggestorven. Het hoort al bijna bij het Wilhelmus, zoals het amen bij de preek.
Het ergste is dat het Wilhelmus een stamlied dreigt te worden, van groepen die ten strijde trekken, die oorlog voeren ('Voetbal is oorlog'). Wat eenmaal een lied was dat samenbond, wordt nu een lied dat scheidt. Met name de Duitsers moeten het ontgelden. Het is beter om deze zomer als Duitser maar weer een beetje je mond te houden als je in ons land bent. Er is opnieuw een klimaat ontstaan, waarin een stilzwijgende toestemming bestaat om alles wat anders en vreemd is te haten. Er is opnieuw een klimaat ontstaan, waarin wrok en rancune een kans mogen hebben. En is dit alles slechts 'spel' omdat iemand een oranje petje op heeft? Juist dan niet. Als zij het Volkslied in hun kamp trekken, trek ik het in het mijne, de kerk. Veilig vóór de zegen.

Voor de zegen of na de zegen, dat zal in een vrijzinnige eredienst wel niets te maken hebben met het al dan niet zingen van gezangen, zoals wij dat probleem menen te hebben opgelost als we even afstappen van het zingen der psalmen en min of meer door tijd en omstandigheden gedwongen voor een keer wat anders zingen: òf aan het begin van de dienst vóór votum en groet of na de zegen aan het eind van de dienst. Duidelijk een verlegenheidsoplossing als zou je je voor en na het officiële gedeelte van de dienst eventueel wel mogen vergissen in wat je zingt, maar er binnen niet. Maar daar moeten we nog maar eens een keertje of wat over vergaderen. Het zal dan wel blijven zoals het was.

J. Maasland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's