Constateringen, vermoedens en prognoses
Rapport 'Secularisatie in Nederland'
(Samenvatting van de hervormde synode door dr. K. Blei)
1. Nederland is van alle niet-Oostbloklanden het meest geseculariseerd. D.w.z.: het percentage kerkleden en het percentage van hen die (nog) in God of aan een 'leven na de dood' geloven of die een letterlijke bijbelinterpretatie aanhangen is hier het laagst.
Ter verklaring:
a) Nederland kende vroeger een heel strakke verzuiling;
b) de Nederlander is kennelijk heel principieel, en houdt niet van kerklidmaatschap louter voor de vorm (is dat een erfenis van het calvinisme?);
c) registratie als niet-kerkelijke is in Nederland zeer gemakkelijk.
Inzake kerklidmaatschap
2. In 1958 was 76% van de Nederlanders kerklid, in 1991 43%. De buitenkerkelijkheid is in 1991 dus ruim boven de 50% gekomen.
3. Wat betreft de invloed van de woonplaats: de groei van de buitenkerkelijkheid was aanvankelijk het sterkst in de grote steden; sinds 1975 in de middelgrote steden; het minst sterk op het platteland.
4. Wat betreft de invloed van het kerkgenootschap: de buitenkerkelijkheid is vooral onder de rooms-katholiek opgevoeden sterk toegenomen (meer dan onder de hervormd of gereformeerd opgevoeden).
5. Wat betreft de invloed van de leeftijd: trendsetter bij de groei van de buitenkerkelijkheid waren de jongeren (17-30 jarigen). De 31-50-jarigen waren trendvolgers; de 51-70-jarigen bleven in deze trend achter. In 1958 was 20% van de jongeren buitenkerkelijk, in 1991 was dat 72%.
6. Wat de generaties betreft: onder de gehele generatie van na 1945 nam de buitenkerkelijkheid toe.
7. Onder de jongeren werden (vermoedelijk) de lager opgeleiden tussen 1970 en 1991 versneld buitenkerkelijk. In dit opzicht waren de studerenden dus (vermoedelijk) níét trendsetter.
Inzake kerkelijk meeleven
8. Onder de kerkleden daalde het percentage regelmatige kerkgangers van 67% in 1970 tot 43% in 1991. Dat percentage daalde sinds 1970 het snelst onder de rooms-katholieken (van 71% naar 30%); onder de gereformeerden minder, maar ook onmiskenbaar (van 89% naar 73%); onder de hervormden weinig (van 50% naar 43%; bij hen was dat percentage in 1970 dus al laag).
9. Onder de 17-30-jarigen verminderde de kerkgang sterk (vooral bij de rooms-katholieken). Die teruggang was er ook onder de 31-50-jarigen. Vooral de boven-50-jarige kerkleden bleven hun kerk trouw bezoeken.
10. Teruglopende kerkgang bij gelijkblijvend niveau van kerklidmaatschap vindt men onder a) de plattelandsbevolking (vooral sinds 1985), b) de leeftijdsgroep van 31-50 en c) de generatie geboren tussen 1930 en 1944. Onder deze groepen zal waarschijnlijk de buitenkerkelijkheid groeien.
Hoezo deze secularisatie?
De opvolging van de generaties verklaart veel, maar niet alles. Daarnaast is er de invloed van de 'tijdgeest': moeilijk te beschrijven factor van massale verandering op lange termijn. Voorstelbaar is ook dat de secularisatie, eenmaal op kleine schaal begonnen, steeds breder om zich heen greep: ze werkte kennelijk aanstekelijk.
Inzake de opvattingen van kerkleden
11. Ook onder hen die kerklid bleven werden sinds 1966 (resp. 1970) de opvattingen liberaler. De opvatting dat men zich aan alle kerkelijke leefregels moet houden verloor aan aanhang; de tolerantie ten opzichte van andersdenkenden won juist aanhang.
12. In het algemeen: orthodoxe opvattingen (over het bestaan van hemel, hel en duivel; over de bijbels als Gods Woord, over Gods almacht waaraan men alles kan overlaten) werden meer en meer opgegeven, zij het dat dat proces sinds 1970 niet zo snel verloopt.
13. Conclusie: De kerkleden kunnen zich in de christelijke leer nog wel vinden, mits deze niet al te 'ouderwets' wordt geformuleerd.
14. Trendsetters in de liberalisering waren (tussen 1966 en 1970): de jongeren (17-30-jarigen) en de rooms-katholieken.
15. Jongeren die kerklid blijven worden gemiddeld steeds orthodoxer van opvatting.
16. Ondanks 'selectie' doordat velen uittreden worden de gemiddelde opvattingen per kerkgenootschap niet orthodoxer. Integendeel: vooral onder de rooms-katholieken, maar ook onder de gereformeerden is een tendens tot liberalisering aan te treffen. De kerkgenootschappen lijken op een bolwerk dat scheuren begint te vertonen; of: op steeds kleiner wordende eilanden in de wassende seculariserings-stroom.
Religieus profiel van de Nederlanders anno 1991
17. Omstreeks 50% van de Nederlanders gelooft in God, en aan een leven na de dood. 16% is atheïst, 20% is agnost, 16% gelooft in een onbenoemde 'hogere macht'.
18. Inzake de bijbelinterpretatie: 11% van de Nederlanders acht de bijbel het letterlijke Woord van God. 47% acht de bijbel wel geïnspireerd op Gods Woord, maar niet zelf Gods Woord. 43% ziet de bijbel als alleen maar een, door mensen geschreven, oud boek met fabels, legenden, verhalen.
19. Inzake de invloed van de religie op de samenleving: 66% van de Nederlanders ziet het persoonlijk geweten als de toetssteen voor morele voorschriften. 20% vindt dat religieuze leiders politieke beslissingen mogen (proberen te) beïnvloeden. 16% vindt dat religieuze leiders een stemadvies mogen geven. 4% vindt dat alleen de gelovige politici geschikt zijn voor hun ambt.
20. Wat betreft de opleiding: De laagst opgeleide Nederlanders denken het meest religieus. Nederlanders met een middelbare opleiding (de vroegere hbs) of hoger hebben vooral seculaire opvattingen. De Nederlanders met mulo- of mavo-opleiding zitten er tussenin.
21. Wat betreft de leeftijd: Ouderen (boven de 70) denken over het algemeen religieus. 46-70-jarigen doen dat in mindere mate; zij zijn al naar de seculaire pool opgeschoven. 26-45-jarigen hebben seculaire opvattingen. 16-25-jarigen ook, en op uitgesproken wijze.
De toekomst
22. Vermoedelijk zal in 2020 de buitenkerkelijkheid van de hele bevolking zich op het niveau van die van de jongeren in 1991 bevinden. Dat betekent: 75% van de Nederlanders buitenkerkelijk (in 1958 was dat 25%). 15% zal nog rooms-katholiek zijn (nu is dat nog 32%), 6% hervormd (nu 17%), 3% gereformeerd (nu 8%).
23. Op grond van wat nu geldt voor de jongeren is te veronderstellen dat straks nog ongeveer 40% van alle kerkleden trouw (minstens tweewekelijks) kerkganger zal zijn. Onder de gereformeerden zal dat nog ruim 55% zijn (nu 73%); onder de hervormden 35% (nu 43%); onder de rooms-katholieken 10% (nu 30%).
Opvallend is hier de verwachte (relatieve) stabiliteit van kerksheid onder de hervormden (KB).
24. In 2020 zullen vermoedelijk vooral de overtuigde kerkleden overgebleven zijn. De liberalisering van opvattingen zal langzamer verlopen dan tot dusver, al zal het geloof wel ontdaan raken van 'ouderwetse' elementen zoals een extreem vertrouwen in Gods almacht. Tolerantie en relativering van kerkelijke regels zullen toenemen.
25. Het kerklid van de toekomst zal ouder zijn dan het huidige doorsnee kerklid; religieus conservatiever, maar wellicht toch open voor andersdenkenden en kritisch ten aanzien van de kerk als instituut.
26. Een revival van het christendom, zoals vroeger wel voorkwam, is in de toekomst onwaarschijnlijk. Het christelijk levensbeschouwelijke kader is nu immers niet meer intact. Vandaag blijken de ontkerkelijkten vaak dezelfde opvattingen te hebben als de van huis uit buitenkerkelijken; terugkeer naar de kerk zou voor hen dus de overbrugging van een grote psychologische afstand betekenen.
27. In de meeste westerse landen is er een proces van secularisering. Een christelijk revival kan dus ook niet geïmporteerd worden. Hoogstens vanuit Amerika. De EO heeft iets weg van een 'televisiekerk' naar Amerikaanse trant. Maar de EO trekt niet méér belangstelling dan de VPRO of andere, on-levensbeschouwelijke, omroepen.
28. Mogelijk zou een internationaal conflict over religie, een aanval op het christendom, ergens ter wereld, tot grotere christelijke bewustwording in Nederland kunnen leiden. Dat zou dan overigens alleen gebeuren onder het, slinkende, christelijke volksdeel. En typerend is, dat de christenvervolging in Oost-Europa in het verleden niet tot massale verontwaardiging heeft geleid.
29. Zullen er, toch nog, religieuze denkbeelden en gevoelens onder de bevolking blijven bestaan? Maar zoiets vaags blijft cultureel marginaal. En een 'religie' van het 'fatsoenlijk burgerschap', à la Amerika, slaat in Nederland niet aan: de vaderlandse geschiedenis, de staat en de natie zijn hier vrijwel nooit voorwerp van bijzondere verering geweest.
30. Wel is een nog verdere toename van het aantal moslims te verwachten. In 1971 waren er 54.000, in 1990 460.000. In 2000 zullen er, naar schatting, meer dan 600.000 zijn; straks wellicht evenveel als gereformeerden. Wordt de Islam een nieuwe ('vierde') zuil? Dan zouden wrijvingen met de andere 'zuilen' kunnen ontstaan. Maar de islamieten zijn onderling sterk verdeeld.
31. De groei van de Islam en van de belangstelling voor nieuwe, paraculturele levensbeschouwingen (als occultisme) zal het tij van secularisering wel niet kunnen keren.
32. Ook bij voortgaande afkalving van het ledental zullen de kerken een zekere maatschappelijke invloed kunnen behouden. Bij de mobilisatie van de bevolking op grond van mogelijk ooit christelijke, maar inmiddels algemeen cultureel geworden waarden zouden de kerken nog lang een rol kunnen spelen; bijvoorbeeld als het gaat over vraagstukken van vrede, milieu, asielzoekers, ontwikkelingssamenwerking.
33. Zal de secularisering in de toekomst anomie, gedesoriënteerdheid, gevoel van zinloosheid veroorzaken? Dat ziet er niet naar uit. Het verdwijnen van veel orthodox christelijk gedachtengoed laat (dat blijkt nu al) kennelijk geen absolute leegte achter. Misschien is voor velen een volledig uitgewerkte zingeving ook niet nodig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's