Meditatie
'De zotten worden om de weg van hun overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd; hun ziel gruwde van alle spijs… Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten'.(Psalm 107 : 17-22)
Wij gaan er nog maar steeds van uit, dat Psalm 107 tot Israël en over Israël is gesproken. Maar in dit derde tafereel wordt het moeilijker een concrete historische gebeurtenis in Israels volksbestaan aan te wijzen. De dwaaltocht door de woestijn en het zuchten in de gevangenis zijn in Israels geschiedenis maar al te bekend. Wat er met de zotten gebeurt, is dat een algemene kenschetsing van Israëls gedrag ten opzichte van zijn God?
Dan ligt een algemenere toepassing ook dicht bij de hand. Maar niet ieder hoeft zich natuurlijk in de 'zotten' te herkennen. Je hebt dwalende mensen die honger en dorst lijden; je hebt weerspanninge mensen die gebonden worden; en je hebt 'zotten' die geplaagd worden. Maar ook deze laatste categorie mensen komt erg veel voor. Want wie zijn er bedoeld met 'zotten'? Vaak worden ze in de Bijbel 'dwazen' genoemd. En bijvoorbeeld het Spreukenboek wijdt er vele uitspraken aan om te vertellen wie deze zotten zijn. 'Zotten verachten wijsheid en tucht'. Waar is dat aan te merken? Wel, het is die mensen in de mond geslagen. Daar komt van alles uit; ook al heeft men niets te zeggen. Alles behalve wijsheid. En zij doen altijd wat in hun hart opkomt. Zonder te vragen naar goed of kwaad. En zij maken zich altijd druk om dingen, die dat niet waard zijn. En aan de andere kant maken zij zich niet druk om dingen die alle zorg verdienen. Nogmaals: het Spreukenboek is met de zot hoofdstukken lang bezig, maar de kern van de zaak is, dat de zot God aan zijn laars lapt.
Er zijn zoveel zotten op de wereld, dat wij geneigd zijn om ze heel gewoon te vinden. Zo zijn mensen nu eenmaal. Daar moet je je maar niet al te druk om maken'. Dus is in de figuur van de zot eigenlijk de gewone inaar onopvallende zondaar getekend. Overigens natuurlijk niet de man of vrouw met wat minder IQ.
Dat de zot de gewone en onopvallende ezondaar is, moet ons niet in de verleiding brengen de zaak wat minder ernstig op te nemen. Daartoe geeft Psalm 107 geen aanleiding. Zijn levenswijze wordt genoemd een weg van overtreding en zijn daden zijn ongerechtigheden. En de zot is niet alleen een belediging van de Heere God, Die aan mensen verstand en voorzichtigheid en meer voortreffelijke eigenschappen heeft gegeven. En de zot brengt niet alleen zijn naaste grote schade toe. Maar hij doet dat ook aan zichzelf Schade aan lichaam en ziel. 'Zij worden geplaagd; hun ziel gruwde van alle spijs en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen'. De woorden die hier worden gebezigd, doen denken aan ziekte, zowel van het lichaam als van de psyche.
Hier wordt een verband gelegd, waar wij vaak erg voorzichtig mee zijn. Een verband tussen wie de zot is en zijn ziekte. En er is hier niet eens sprake van het algemene verband tussen ziekte en zonde. Dat verband, dat wij zo gemakkelijk toegeven. Maar hier staat dat de zotten òm de weg van hun overtreding en òm hun ongerechtigheden worden geplaagd. En het schijnt ook nog de Heere Zèlf te zijn die dat doet. Hiertegen komen alle moderne mensen en vele kerkmensen in het geweer. 'Wat een godsbeeld steekt hierachter', zo wordt waarschuwend de vinger geheven.
Psalm 107 verkondigt een God, Die kan ingrijpen in deze wereld en in uw en mijn leven. De Heere is een God Die reageert en handelt. Hij heeft lief, is verontwaardigd, straft. Zotten worden door Hem geplaagd. Is dat werkelijk zo'n vreemde gedachte? Wanneer we nu bedenken, dat de hele Bijbel ons voortdurend verkondigt, dat de Heere Zich persoonlijk bezighoudt met ons leven. En Zijn bemoeienis is toch niet alleen met onze geest. We hebben toch inmiddels geleerd dat lichaam, psyche en geest een eenheid zijn. Een inzicht dat Psalm 107 ook kent.
Wat komt de Heere ons dan toch zeer nabij. De zorg van Zijn Voorzienigheid gaat over alle terreinen van het leven, zo belijden we. En dat is reden tot diepe vreugde en vertrouwen. Maar angstwekkend is het en nog dichterbij komt de Heere, wanneer Psalm 107 ons leert dat de zorg van Zijn opvoedende maatregelen ons treft tot in ons concrete en lichamelijke bestaan.
Natuurlijk ligt er dan de vraag: Is dan elke ziekte een straf van God? En hoe moet ik uitmaken òf en in hoeverre mijn ziek-zijn te maken heeft met mijn dwaasheid? Dat is een vraag waarin geen mens je helpen kan. Dat is een vraag tussen mijzelf en de Heere. Een ander kan dat niet en màg dat niet uitmaken voor zijn naaste. Het is zelfs zonde om dat te doen! Je mag, zegt de Heere Jezus, tegen een ander niet zeggen: 'Gij dwaas'.
Maar het is wel geraden om met onze eigen dwaasheid ernstig rekening te houden en die te belijden voor het aangezicht van de Heere. We moeten niet ontkènnen het verband tussen dat wat ons kwelt en de dwaasheid van ons hart. Dan sluiten we ook de weg af om op een wonderlijke, heerlijke en afdoende wijze te worden geholpen en genezen door de Heere. Want dàt gebeurt er volgens Psalm 107. De dwaas die ziek geworden is en in het aangezicht van de dood gaat roepen tot de Heere, wordt genezen. 'Hij zond Zijn Woord uit en heelde hen en rukte hen uit hun kuilen'. Geen dwaasheid zo groot of de wijsheid Gods dringt er in door. Geen kuil zo diep of de liefde des Heeren vermag er in af te dalen. Geen lichaam zo ziek of men mag om genezing smeken. Geen ziel zo gewond of het Woord van de Heere heelt.
J. J. Verhaar, Houten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's