Recht en genade (3)
Het recht moet zijn loop hebben! Van Zijn recht doet de Heere geen afstand. Wij kunnen de straffen Gods niet ontgaan, tenzij aan de gerechtigheid van God genoeg geschiede. Het getuigt helaas niet van al te veel Schriftkennis als men zich God alleen maar indenkt als een liefdevol Vader en niet als Rechter. De gerechtigheid en de heiligheid is niet minder een deugd in God als Zijn liefde.
Hoe aantrekkelijk de gedachte en vooral de wens is van H. Berkhof in zijn 'Christelijk geloof' dat het uiteindelijk met een ieder 'goed' zal komen, de Schrift geeft geen enkele aanleiding om dit te denken. Op meer dan één plaats horen wij de Heere Jezus spreken over het laatste oordeel en de hel. Over een louteringsweg in het hiernamaals horen wij Hem niet spreken.
Niet verzwijgen
Het zal duidelijk zijn uit wat ik tot nu heb geschreven dat het recht van God eist dat wij betalen, wat wij schuldig zijn. Indien dit niet gebeurt òf door ons òf door een ander, wat dan? Dan blijft ons niets over dan straffen in de tijd en straf voor de eeuwigheid. Nu is de vraag òf men in een preek òf bij een begrafenis daarover mag spreken? Ik wil het zelfs nog wel nader toespitsen en de vraag stellen òf in het evangelisatiewerk over het recht van God en over God als Rechter gesproken mag worden?
Met evangelisatiewerk worden met name de predikanten steeds meer geconfronteerd. Niet zozeer op zondag als zij het Woord verkondigen in de gemeente des Heeren, maar wel van maandag tot en met zaterdag als zij huis- en ziekenbezoek doen. Wat worden er een mensen ontmoet die van het Evangelie niets of vrijwel helemaal niets meer weten.
Wat geldt dit ook als men een begrafenis leidt. Oma die begraven wordt leefde nog mee met de kerk, haar kinderen gaan alleen nog met de Kerst en haar kleinkinderen hebben nog nooit een kerk van binnen gezien.
Het zijn doorgaans zeer gemengde gezelschappen tot wie men als predikant het Woord moet spreken bij een begrafenis. Vogels van allerlei pluimage en ook als zodanig uitgedost. Het moet gezegd worden, dat het niet altijd meevalt om voor zoveel verschillende mensen het Evangelie te verkondigen. Vooral dan niet als meer dan de helft van de aanwezigen bestaat uit jongeren en ouderen die een kerk van binnen niet kennen en van wie de kennis van de Schriften nihil is. Er wordt wel gesuggereerd om dan al te scherpe kanten van de Schrift maar niet te noemen. Over het recht van God moet maar gezwegen worden. De toorn van God over de zonde mag niet genoemd worden. Ook moet er maar niet gewaarschuwd worden voor de buitenste duisternis waarvan Jezus zegt dat er wening zal zijn en knarsing van tanden. Het is beter – zo zegt men – om over dit alles te zwijgen. Men schrikt de mensen daarmee maar af, bovendien wordt de dood misbruikt door de mensen angst in te boezemen voor het laatste oordeel en de hel… Wat dit laatste betreft heb ik een enigszins andere mening. Ik heb wel begrafenissen meegemaakt waarin door voorgangers in de meest felle kleuren de buitenste duisternis werd afgeschilderd. Naar mijn gevoel was wat zij zeiden inderdaad angstaanjagend en boezemden hun woorden angst in. Wie schetst mijn verbazing, toen ik de mensen na de begrafenis over koetjes en kalfjes hoorde spreken. Het leek wel alsof er niets gezegd was over een eeuwig wee. Zonder te blikken of te blozen sprak men over de varkensprijzen die toch zo slecht waren en deed men zich te goed aan de goed belegde broodjes.
Op dat moment ging door mij heen: de hemel verkwikt niet, maar de hel verschrikt niet, tenzij God – zoals G. Boer dit uitdrukte – erin overkomt. Maar zo niet, dan is een mens een stok en een blok. Zo dood als een pier!
Nu zou een van onze lezers de opmerking kunnen maken òf het dan toch maar niet beter is om over Gods straffende gerechtigheid te zwijgen. Wat helpt het uiteindelijk allemaal? Een mens gaat toch zijn eigen gang. Zijn beestachtige liefde tot deze wereld (Calvijn) laat men toch niet schieten. Zo'n opmerking kan ik mij wel voorstellen. Toch ben ik er diep van overtuigd dat men nooit of te nimmer mag zwijgen over het allerlaatste en het meest ernstige dat de Schrift ons voorhoudt. Dat wil dus zeggen: ook in het evangelisatiewerk mag dit niet verzwegen worden. Evenmin mag dit het geval zijn als men als predikant een evangelisatietoespraak moet houden in een rouwdienst waarin meer dan de helft van de aanwezigen uit buitenkerkelijken bestaat.
Het getuigt zelfs van onbarmhartigheid, doch niet minder van ontrouw aan de Heilige Schrift als men z'n medemensen bepaalde zaken zou onthouden die in de Schrift uitdrukkelijk naar voren komen. Ieder mens – wie men mag zijn – ligt onder de vloek en de toorn van God. Ieder mens is op weg naar het verderf, naar de buitenste duisternis. Zo staat het in de Bijbel. Wie als ambtsdrager ondervindt wat dat inhoudt, maar ook door genade weet dat God hem deze verschrikking niet laat zien, omdat het bloed van Jezus Christus hem gereinigd heeft van alle zonden, zal het niet nalaten om te spreken over de eeuwige straf van God die zal zijn voor een ieder die zich niet bekeert,
Het was – naar ik meen – professor Wisse die zei: 'Wil men van Christus spreken, zo moet men ook over Adam kunnen spreken'. Adam die een tijdelijke, geestelijke en eeuwige dood was aangezegd. Het is een ersntige zaak als men mensen móet waarschuwen. Niettemin mag het niet nagelaten worden. De Heere Jezus Zelf heeft het ook niet nagelaten.
Calvijn
Meer dan eens heb ik in dit artikel, doch ook in het vorige erop gewezen, dat de Heere Jezus de laatste ernst niet uit de weg is gegaan. Op een zeer indringende wijze heeft Hij kerkdijken en onkerkelijken gewaarschuwd.
De reformatoren spreken wat dit betreft Jezus precies na! Zij schrijven en prediken in de geest en naar de letter van de woorden van Christus. Ik sluit niet uit dat Calvijn wat ingetogener heeft geschreven en gesproken dan Luther. Maar dat heeft dan meer samengehangen met hun aard dan met hun visie op het recht van God. Zowel Luther als Calvijn hebben met nadruk gesteld dat God van Zijn recht geen afstand kan doen. Wij moeten om die reden – zo zeggen zij – een rechtvaardiging hebben, die voor de hemelse rechterstoel bestaan kan. Hiervan schrijft Calvijn in zijn Institutie boek III, hoofdstuk 12 : 1 'Herwaarts, herwaarts moeten wij ons verstand wenden zo wij van de ware gerechtigheid met vrucht willen onderzoeken, hoe wij nl. de hemelse Rechter zullen antwoorden en genoeg doen, wanneer Hij ons zal roepen verantwoording af te leggen. Laat ons die Richter zelf voor ogen stellen, niet zodanig als Hem onze verstanden gaarne afbeelden, maar zodanig als Hij ons in de Schrift wordt afgeschilderd.' Steeds opnieuw spreekt Calvijn met twee woorden. Het recht van God speelt hij niet uit tegen de genade van God. Noch laat hij de ene deugd opgaan in de andere. Met name de reformator uit Genève leert ons evenwichtig te spreken en te preken en de dingen op z'n plaats te laten staan. Hoewel ook hij spreekt over 'genade overvloeiende', zo laat hij het recht Gods daarin niet opgaan. Meer dan wij soms willen toegeven kunnen wij ook in onze tijd veel van Calvijn leren. Al zou het alleen al zijn dat hij ons leert in alles gelijkmatig en evenwichtig te zijn.
Ernst met liefde
Overal en altijd moet een pastor eerlijk met de mensen omgaan. De ernst van een eeuwig wee mag hij niet achter de haag van zijn tanden houden. Toch kan niet ontkend worden dat het uitermate belangrijk is, hóe de dingen worden gezegd. Als ik dit neerschrijf denk ik aan H. Jonker, weleer hoogleraar in de praktische theologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. In zijn colléges was altijd te horen dat hij predikant was geweest. Steeds opnieuw liet hij anderen en mij in de zestiger jaren horen van zijn grote liefde voor de gemeenten die hij had gediend. Vooral Melenaarsgraaf had een warm plekje in zijn hart. Wat mij echter van zijn colléges vooral is bijgebleven zijn z'n ervaringen in het pastoraat. Vele voorbeelden gaf hij van wat er in het pastoraat wel of niet kon gebeuren, met al die praktische opmerkingen hebben wij als zijn studenten veel kunnen doen. Dat wil niet zeggen, dat wij soms niet in de kuil vielen waarvoor hij ons had gewaarschuwd. Niettemin moet ik na vele jaren nog aan een bepaalde opmerking van hem voortdurend denken. Ooit hield hij ons voor op college dat een ontmoeting aan de deur al van belang is voor het slagen van een pastoraal gesprek. Het naar binnen gaan bij een gemeentelid maakt voor meer dan de helft uit of er openheid in het gesprek zal zijn of niet. Niet in alle gevallen heeft Jonker gelijk gehad, maar in acht van de tien gevallen heeft hij het gelijk aan zijn kant gekregen als ik nu de jaren overzie waarin ik het pastoraat heb mogen beoefenen.
Het maakt inderdaad zoveel uit, hoe men binnenkomt. De attitude van de pastor is dienaangaande zeer belangrijk. Tijdens de studie kan daaraan niet voldoende aandacht worden gegeven. Natuurlijk, men kan zeggen dat de Heilige Geest een gesprek tot een pastoraal gesprek maakt. Ook kan men mij voorhouden dat de Heilige Geest het ook wel zonder de attitude van een pastor kan. Ik zal de laatste zijn die dit zal ontkennen. Echter… wij moeten er niet van uitgaan wat de Heilige Geest allemaal kan zonder gebruik te maken van mensen, doch wij moeten ervan uitgaan wat de Heilige Geest kan en doet als Hij gebruik maakt van mensen, van mannetjes uit het stof verrezen. Een lomp gedrag van de pastor kan de Heilige Geest wel eens in de weg staan. Een zich bemoeien door de pastor met andermans zaken kan voor de Heilige Geest wel eens een sta-in-de-weg zijn. Ook het op een plompe manier voorhouden van op zichzelf waarheden kunnen voor de Heilige Geest een barriëre zijn. Maar is de kracht van de Geest niet onweerstaanbaar? Dat is zij inderdaad, maar niet moet vergeten worden dat het werk van de Geest óók door een pastor kan worden tegengestaan. Zelfs kan de Heilige Geest door hem worden bedroefd of wat nog erger is: worden uitgeblust. Een dienaar des Woords moet zich maar bescheiden opstellen. In alle bescheidenheid moet en mag hij dan ook ernstig spreken. Wel móet daarin altijd de liefde worden gehoord. Het mag niet zo zijn dat men in z'n waarschuwingen voor een eeuwig wee koud en hardvochtig overkomt. De hoorders zullen moeten kunnen zeggen: 'Waar de pastor ons voor waarschuwt, daarvan heeft hij zelf het een en ander beleefd'. Het kan trouwens niet anders zijn dan dat men ook over een eeuwig wel zal spreken als men voor een eeuwig wee waarschuwt. Naast de donkere tonen die ons door het Evangelie worden voorgehouden, zullen ook de liefelijke tonen van het Evangelie moeten worden aangeslagen. Wie alleen maar stil blijft staan bij de straffende gerechtigheid van God, is geen waar(-achtig) Evangeliedienaar. Hij volgt althans de Meester niet na die het één voorhield, doch het ander niet verzweeg.
Ernst met liefde, liefde met ernst, kunnen niet gemist worden. Wij moeten maar niet vergeten dat ernst zonder liefde doorgaans een slag in de lucht is. Wat zéker is: liefdeloos is goddeloos! (Wordt vervolgd.)
G. S. A. de Knegt, B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's