De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

17 minuten leestijd

Generatie Nix
Liefhebbers van het generatie-denken hebben er weer een term bij gekregen: 'de generatie-Nix of ook wel de patat-generatie genoemd. Het denken in generaties inclusief het typeren ervan is aanvechtbaar omdat het altijd generaliseert. Je kunt er nooit meer dan een deel van een generatie mee aanduiden. Toch geeft zo'n term iets weer van wat er in een bepaalde tijd en cultuur leeft. De term 'Generatie Nix' is uit de Verenigde Staten naar onze contreien overgewaaid en hij staat oorspronkelijk voor een literaire stroming van vooral jonge schrijvers en kenmerkt zich door een uitzichtloos levensgevoel en politieke apathie. Het is wel genoemd de 'verloren generatie' van de jaren tachtig. Het weekblad 'De Groene Amsterdammer' wijdde 23 februari 1994 een special aan de generatie schrijvers onder hen en noemde enkele namen: Ronald Giphart, Hermine Landvreugd, Joost Zwagerman e.a. Hun boeken staan stijf van de verveling èn van de seks, drugs en criminaliteit waarmee ze de verveling trachten te bestrijden. Veel bekendheid geniet op dit moment het boek 'Blauwe maandagen' van Amon Grunberg. Het heeft zelfs de Lente Literatuurprijs 1994 gekregen van de Rabobank. Onbegrijpelijk van deze eens zo deftige 'boerenburgerleenbank' dat een dergelijk produkt dat bol staat van seks, van bezoek aan prostitués en van drank gehonoreerd wordt met een prijs. In de Volkskrant van 9 juni 1994 schrijven twee jongeren, Lennart Booij en Erik van Bruggen, beiden zijn (oud)bestuursleden van de Amsterdamse Studentenvakbond (ASVA), over de verschijnselen behorend tot de generatie Nix.

Door het wegvallen van de grote, allesbepalende levensvisie en ideologieën, moet de huidige generatie jongeren op ieder complex levensvraagstuk een eigen antwoord geven. Niet het gebrek aan inspraak is het probleem, maar het gebrek aan inhoud. Die moet je zelf creëren. We leven in een tijd van verloren exclusiviteit, alles ligt binnen het bereik van velen. Het onverminderde aanbod is één van de pijlers van de jongerengeneratie. In opperste vervoering kies je elk gewenst moment je eigen tijdelijke identiteit. Een individuele zoektocht naar een persoonlijke bevrediging.
Het momentisme is hiermee een feit. Een fenomeen benoemd. Het momentisme is een logische reactie op het post-modeme tijdperk. Een tijdperk dat inmiddels ver achter ons ligt. Het moderne verklaarde God voor dood, het post-modernisme doodde het begrip waarheid. In het momentisme creëert iedereen zijn eigen waarheid naar gelang het moment, plaats en tijd.
Die persoonlijke waarheid is continu aan verandering onderhevig. Dit alles ter bevestiging van je unieke persoonsgebonden zelfbeeld. Je bent pas echt aanwezig als je jezelf terugziet op tv of jezelf voelt bij lijfelijk contact. De impulsen als tekenen van leven.
Niet voor niets springen roekelozen aan een elastiek de diepte in om het moment van peilloze angst en verrukking aan den lijve te ondervinden. Voor deze kortstondige kick of trip heeft men veel geld over. Men betaalt voor een persoonlijk ontwaken uit de dagelijkse roes. De immer aanwezige drang naar meer wordt gebruikt ter exploitatie van het eigen zijn.
De huidige studenten- en jongerengeneratie heeft alle trekjes van de momentist pur sang al lang in zich. Niet alleen de carrière staat centraal, ook het leven van dag tot dag, het onbegrensd genieten. Carpe diem in de nineties. Genieten van het gemak der dingen. Geld uit de muur, tentamenbanken en de talloze servicenummers en kortingkaarten. De student van nu is minder idealistisch in het groot, meer gewoon burger. Maar bij vlagen kiest die momentistische burger voor het goede doel. Storten voor het aids-fonds of tegen het fascisme. Men 'doet' een demonstratie en als het werkelijk moet, bezet men een Maagdenhuis. Het aan de buitenwereld geven van dit teken moet voldoende zijn, zoiets wordt opgepakt.
De momentistische pers begrijpt dit. Zij spoort van hype naar hype. Deze week staat de student centraal, de volgende week is het de IRT of Rwanda. Zo 'doen' we de wereld in hapklare brokken. Net onvoldoende om ons echt op te winden, net genoeg om erover mee te praten.
De huidige onzekerheid en verwarring onder ongeren is begrijpelijk. Waar we vroeger de chaos bedwongen door een strikte orde, richten wij er nu ons leven op in. We leven met en op chaos. Maar makkelijk is het niet. Je hoort het overal: 'er dreigt zo langzamerhand een "kloof" te ontstaan tussen jongeren die de ontwikkelingen bijbenen en de jongeren die hopeloos achterop raken. De jongere met de vlotte babbel en de juiste smaak komt via een goede kruiwagen of een snelle stapsteen binnen. De nieuwe have's en have not's. Want de vanzelfsprekendheid van het krijgen van een leuk huis, een goede baan is al lang verdwenen.'

In de Volkskrant van 20 juni 1994 reageert Femke Halsema op de hier geciteerde bijdrage en vecht de woorden op onderdelen aan. Met name op het gebruik van het woord 'momentisme' gaat hij als volgt in.

De vraag is of jongeren inderdaad welbewust onzekere, tijdelijke posities kiezen. Of is het veeleer zo dat het consumentisme en het uiterlijk vertoon die de mentaliteit van jonge mensen lijkt te kenmerken een defensieve houding is als gevolg van een zich verhardende en 'jeugd-onvriendelijke' samenleving?
In zijn proefschrift De verschuiving, waarover de Volkskrant eveneens op 6 juni berichtte, stelt Hans van Ewijk dat jongeren door de oudere generaties vaak nog uitsluitend als een problematische economische categorie worden gekwalificeerd. Het jeugdloon is te hoog, ze voldoen te weinig aan opleidingseisen en zijn in te grote getale werkloos. Jongeren zijn sinds het economisch herstelbeleid van de jaren tachtig – in plaats van een voorhoede voor vernieuwing – een mikpunt voor bezuinigingen geworden. Bezuinigingen die gelegitimeerd worden door van jongeren een negatief beeld te schetsen. Ze zouden lui, egoïstisch en materialistisch zijn.
Volgens Van Ewijk hebben niet de jaren zestig, maar de jaren tachtig de meest fundamentele veranderingen met zich meegebracht voor de positie en benadering van jongeren. Er wordt hen weinig ruimte meer gelaten voor het verwerven van een eigen identiteit; het verwerven van een maatschappelijke positie staat centraal.
Een ander somber geluid klinkt uit het Scholierenonderzoek van 1992. Hieruit blijkt dat 49 procent van de jongeren de veranderingen in de maatschappij te snel vindt gaan en 41 procent verwacht dat de toekornst voor hen moeilijk wordt.
'Momentisme' is voor een kleine groep jongeren wellicht een bewuste keuze voor een levensstijl. Booij en Van Bruggen vergeten echter dat consumentisme en het najagen van kicks voor veel jongeren een vorm van escapisme is (als negatieve variant van momentisme). De toekomst is voor veel jongeren – en wordt ook zo ervaren – weinig aanlokkelijk. Het perspectief op werk is niet groot en door de druk die van buitenaf op hen uitgeoefend wordt, zijn de mogelijkheden om de eigen persoonlijkheid te ontplooien verminderd. Zoals ook Van Ewijk opmerkt, zijn bovendien de verschillen tussen jongeren groter geworden, doordat voor een kleine elitaire groep de kansen wel degelijk zijn toegenomen.

Misschien vragen lezers zich af waarom deze informatie aan hen doorgegeven wordt. Onze jongeren leven toch niet zo? U hebt er misschien nog nooit van gehoord. U walgt alleen maar van al dat gedoe van tegenwoordig. Wel, ik geef u dan ook geen koopadvies om Grunbergs boek aan te schaffen, al zou u ook klant zijn bij de genoemde bankinstelling. Echter, achter de hier genoemde uitingen gaat wel een wereld schuil waar wij, maar zeker ook onze jongeren deel van uitmaken.

Jeugd en zingeving
Ik kreeg dezer dagen de verkorte tekst onder ogen van een lezing die Wim de Knijff onlangs hield tijdens een EA-conferentie en die te lezen valt in het Idea-Bulletin van mei 1994 onder het opschrift 'Wachten en werken'. Hij geeft daarin uitvoerig aandacht aan wat wel genoemd wordt de 'geloofsoverdracht'. Hij kiest een aantal Schriftwoorden uit en geeft daar zijn commentaar en toepassing bij gericht op het genoemde thema. In een wereld die gewend is sterk functioneel te denken, een denken dat jongeren daarom aanspreekt, mogen we dat aspect in de geloofsopvoeding betrekken, vindt De Knijff m.i. terecht.

Ik las in een interview met Anne van der Meiden: 'Zeggen dat geloof passé is, dat is passé'. En mijn hart maakte een klein sprongetje toen ik dat las. Dat is wat veel jonge mensen ervaren vandaag. Gelukkig, je hoeft niet meer met een beschaamd hoofd weg te duiken, maar je kunt het rechtuit zeggen. Dat je dingen wel of niet doet, gewoon omdat je God volgt.
Dus laat zien wat je geloof je doet.
Van der Meiden heeft net een interessant boekje geschreven over het nut van het geloven. Helaas heeft hij op de voorkant iets laten zetten over 'het nut van het geloven en vrijzinnigheid', dat zou een heleboel mensen af kunnen stoten. Ik heb het boekje bijna uit en heb nog weinig vrijzinnigs ontdekt. Het is zeer de moeite waard, omdat hij precies inhaakt op wat jongeren vandaag de dag willen, namelijk: je moet in iets geloven wat nut heeft, want waarom zou je het anders doen? De jongere, de mens van vandaag is heel pragmatisch (als je er niks aan hebt, wat moetje er dan mee?). Dat is dat pakje openen en kijken of er iets van nut in zit en zo niet: weg ermee.
Je moet er iets aan hebben en Van der Meiden toont aan dat het geloof toch iets is waar we ontzettend veel aan kunnen hebben. Wat allerlei elementen in zich heeft en waar de wereld van vandaag waarachtig op zit te wachten!! Waar de wereld om smeekt.
Maar we moeten het wel zo brengen. We brengen ons produkt erg slecht (bekijk het maar vanuit een p.r. achtergrond)! We brengen het op zo'n manier: het geloof is iets maar ja, eigenlijk weet ik ook niet precies wat ik er zelf aan heb, dus ik weet ook niet hoe ik het jou moet aanbevelen, zodat je er iets aan zou kunnen hebben. We moeten laten merken dat het geloof ons iets doet.
Zo'n geloof laat zich ook communiceren.

De Knijff kiest uiteraard ook het bijbelgedeelte uit het Evangelie over Jezus en de kinderen: Laat de kinderen tot Mij komen. Niet zozeer een tekst met een uitnodiging tot kinderen, maar veel meer een vlammend protest tot ouderen. Zij hebben kennelijk maar al te veel en al te vaak de neiging wallen op te werpen die kinderen en jongeren belemmeren om tot de Heere te gaan.

Het schijnt dat Luther dit gezegd heeft, dat is ook voor ons als voorgangers een hard woord: 'Als je niet voor je kinderen kunt preken dan moet je je afvragen of je er überhaupt aan beginnen moet'. En dat is een waar woord. Want veel mensen in de communicatie, ook bij de televisie, weten datje 'grote' mensen eigenlijk altijd op het niveau van kinderen aan moet spreken. Want dan snappen ze het pas.
Want hoe is het altijd in de kerk gegaan? Hebben wij niet toch belemmeringen ingebouwd door kinderen het idee te geven dat het allemaal maar voor later is.
Jerry Cook heeft een prachtig boekje geschreven: 'Liefde, aanvaarding en vergeving'. Hij zegt daarin: 'Kinderen zijn niet de gemeente van de toekomst, ze zijn de gemeente van vandaag'.
In hoeveel kerken hebben kinderen het gevoel dat zij de gemeente van vandaag zijn? Dat zij worden aangesproken als gelovigen, als degenen die eigenlijk het voorbeeld zouden moeten zijn van openheid, leergierigheid?
En ik heb me altijd verbaasd over het feit dat je daar zoveel betekenis aan hecht, zeker in kerken waar de verbondsgedachte zo duidelijk is uitgewerkt en het ook aan de doop verbonden is, en daarna lijkt het wel alsof het verdwenen is totdat kinderen 18 jaar zijn.
Daarna tellen ze niet mee. Ze moeten alsmaar volgestopt worden met pepermunt om zoet te blijven in de kerk. Maar worden nooit meer aangesproken!!
En ik denk dat dat een ernstige fout is, en ik denk zelfs dat dingen als kinderbijbels, hoe goed ze ook zijn, en kindernevendiensten, kinderen toch het idee geven van, ja, dat komt later wel. En zelfs in evangelische gemeenten heb ik het gevoel van als de kinderen de dienst uit gaan, zoiets van 'ssst snel weg dat rumoerige spul' en dan begint het echt. Fout!! Want die kinderen zijn de gemeente, en ik denk wel eens dat veel kerkverlating eraan te wijten is geweest, dat in een cruciale periode, zo tussen het 12e en het 16e jaar, dat kinderen het gevoel hadden er nog steeds niet bij te horen en nog steeds niet mee te mogen doen. En ik wil niet die hele discussie over avondmaal voor kinderen en dat soort dingen hier ophalen, dat is veel te ingewikkeld, maar ik weet wel dat voor veel kinderen het feit dat dat aan je voorbijgaat jaren en jaren lang, het idee geeft, dat is nou niet voor ons daar zijn wij te klein voor, wij tellen niet mee, moet je eerst groot zijn, moet je dingen begrijpen. Terwijl dat niet zo is.
Laten we toch in ons hele gemeente-zijn, of het nou evangelische gemeenten of traditionele kerken zijn, meer visie hebben voor dat wat de Heere Jezus aan waarde hechtte aan kinderen en dat op een of andere manier in onze diensten inbouwen, meer met gezinsdiensten werken, meer ons trainen om voor kinderen te preken en je zult zien wat een geweldige respons dat geeft. Om visuele dingen in de gemeente te brengen. Ik weet het, veel mensen zullen er raar naar kijken als je als predikant een flanelbord meeneemt in de kerk, of een overheadprojector. Dat zou standaard ingebouwd moeten worden met een scherm om op te kunnen projecteren. Wij leven in een beeld-cultuur, de woordcultuur is voorbij, en je kunt met kinderen in de dienst fantastische dingen doen.

Je hoeft niet alles van wat hier door De Knijff gezegd wordt letterlijk voor je rekening te nemen. Niet alles kan in iedere gemeente, niet iedere voorganger kan ook alles. Als maar wel de intentie overeind blijft staan bij elke voorganger: zien we de kinderen echt zitten. Wij zijn (terecht naar mijn bescheiden mening!) niet voor kindemevendiensten, maar wat zetten we er voor in de plaats?

Generatiekloof
We kennen dat woord wel. Er is verschil van inzicht in gezin of gemeente. We komen er niet goed uit. Totdat we de oplossing denken te weten: het komt door de kloof tussen de generaties. Oud en jong, dat gaat niet goed samen, vinden we soms. Ook op dit punt haakt De Knijff in.

In de wereld bestaat de generatiekloof niet meer zo, maar in de kerk, in de christelijke wereld nog wel. Ik heb er dagelijks mee te maken. Voortdurend in die spanning tussen twee generaties, altijd beschoten door de ene groep en ook altijd beschoten door de andere groep en altijd proberen tussen die generaties de vaderen en de kinderen wat dichter bij elkaar te brengen.
Ik proef zo veel veroordeling van ouderen naar jongeren, van ouders naar jongeren, van grootouders naar jongeren en als de generatiekloof tussen ouders en kinderen al niet zo groot meer is, dan is die dat soms nog wel tussen grootouders en kinderen.
Van wie moet het nou komen om die brug te slaan? Moet het van de jongeren komen? Dat kunnen we bijna niet van ze vragen – wij zijn de oudsten en de wijsten, laten wij ons nou door de Bijbel laten inspireren om ons te bekeren tot jongeren.
Wat betekent dat in de praktijk? Uiterlijke dingen, daar kunnen heel veel ouderen een geweldig probleem van maken. Wij ouderen zitten nog in een denkwereld van netheid en fatsoen, als het rnaar nette mensen zijn, en daar passen die wilde haren niet bij, daar past die muziek niet bij, daar passen die kistjes niet bij, die zwartomrande ogen, en al dat ijzerwerk waarmeejongeren zich tegenwoordig behangen. Ze moeten overigens erg veel moeite doen om in de mode te blijven – denk niet dat dat simpel is – want daar zijn zij nog veel langer mee bezig dan u en ik om onze kleren uit te zoeken, want dat komt er heel erg op aan. Maar waarom veroordelen wij zo verschrikkelijk op de buitenkant?
Probeer je eens in te denken in wat jongeren van vandaag zijn. Je vergelijkt de jeugd van vandaag met je eigen jeugd, maar hoe was onze jeugd, hoe was mijn jeugd? Ik was de naoorlogse generatie, in '44 geboren. Wij groeiden op in een wereld vol verwachting, vol mogelijkheden. Het zou een andere wereld worden en we hebben ook de mogelijkheden zien groeien – er kon steeds meer. De wereld zat op iets te wachten, de wereld stond voor je open, er werd aan je getrokken, maar dat is anders met de wereld van vandaag. De kinderen van vandaag zijn geboren in het beloofde land, maar dat valt ook niet mee, dat zag je in Israël. Dat betekent dat het alleen maar minder kan worden. Je ziet het al bij je eigen kinderen: als die het huis uit gaan, vallen ze meteen drie stadia in welvaart naar beneden. Je moet je als ouders ook geweldig inhouden om ze niet alsmaar dingen toe te stoppen, maar nee, zij moeten dat ook leren. Het kan alleen maar minder! De wereld zit helemaal niet op hen te wachten zoals die op ons zat te wachten. Ze moeten geweldig hun best doen om zich te profileren vandaag en daar horen ook al die groepen bij en al die kleding. Jongeren hebben het nodig om ergens bij te horen. Om zichzelf te profileren en ze zijn ook op zoek, ongelofelijk op zoek naar zingeving, naar echte geborgenheid, naar waarheid. Wat zou de invloed zijn op hen van al de corruptie in deze Wereld, van al die gedeukte politiek? Het is niet voor niets dat de jongeren niet meer naar de stembus te krijgen zijn, wat heb je er van te verwachten? Ze kunnen niet eens een fatsoenlijk paspoort uit de politiek laten rollen en dat gedoe met die studiefinanciering. Niet te geloven in wat voor wereld wij leven als je jong bent en je wordt daarmee geconfronteerd. Het is geen wonder dat jongeren vandaag de dag meer tijd nodig hebben om volwassen te worden. Jongeren hebben zo'n moeite om te weten wat ze nou eigenlijk willen, de keuzemogelijkheden zijn zo groot, de keuzedwang is zo groot, dat het bijna een vloek voor kinderen is.

U ziet dat we van De Groene Amsterdammer met zijn special over de 'Generatie Nix' èn in het evangelische Idea-bulletin toch ook weer niet zover uit elkaar leven.

Onderzoekers zeggen dat 15-30 procent van de jongeren van vandaag in ernstige problemen verkeert. Uit een onderzoek van René Diekstra is gebleken dat 1 op de 5 jongeren serieus over zelfdoding nadenkt en dat 1 op de 20 een serieuze poging doet. Wat heeft dat ons te zeggen? Dat voor zo'n groot percentage van onze jongeren de vrees voor het leven groter is dan de vrees voor de dood. En we maken het van dichtbij mee, ook in m'n eigen Ronduit-club, ook mensen uit de binnenste kern van de club. Dat is een ernstig probleem. De jongeren van vandaag torsen zoveel met zich mee van de open wereld, waarin wij leven, waar alles voorbij gekomen is, waar niemand nog enig taboe bewaart.

De Knijff eindigt zijn verhaal heel positief. We hebben ons als christenen te richten op het wachten tot God weer het moment geeft dat we Zijn boodschap mogen brengen. Een boodschap die nut heeft en die mensen wat doet. De journalist die over de 'Generatie Nix' schrijft, zet in vette letters boven zijn verhaal 'Verveling'. De Knijff sluit zijn verhaal gedompeld in het Evangelie van onze Heere Jezus Christus met deze woorden: 'Daar zit diep of eventjes onder de bovenlaag de hele maatschappij, daar zitten jongeren hunkerend naar uit te kijken, dat verzeker ik u, naar een boodschap die het hart raakt'.

J. Maasland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1994

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's