Lijdensmystiek en de levende Christus
Dezer dagen las ik geboeid een boek van Wilfried Hensen, getiteld De gemeenschap met Zijn lijden (uitgave Ten Have, Baarn). De schrijver, behorend tot de Remonstrantse Broederschap, gaat in dit boek in op het thema 'lijden en dood in de christelijke mystiek'. Hoewel hij zich thuisvoelt in de 'niet-dogmatische geloofsgemeenschap' van de Remonstrantse Broederschap, die geen 'mystieke traditie kent', waagt hij zich aan dit thema, omdat hij al vroeg geboeid werd door bepaalde mystici. In de reformatorische theologie, zegt hij, is er sinds Karl Barth hardnekkige kritiek op de mystieke geloofsbeleving. Hij signaleert ook, dat Luther de poging van de mens om 'in God op te gaan' doorbroken heeft door terug te vallen op 'genade alleen'. Hij mist daarin, naar 2 Korinthen 1 vers 5, 'de mystieke beleving van het lijden en de dood in de eniging met Jezus, wiens lijden overvloedig over ons komt' Bij rooms-katholieken ziet hij méér aanleg voor 'de mystieke weg.'
De auteur zelf is afkomstig uit rooms-katholieke kring.
Nu is mystiek vandaag allerwegen in beeld. Vaak gaat het dan om de mystieke Godservaring, het òn-middelijk – zonder be-middeling van de Schrift – opgaan van de mens in God. We hebben daarover hier eerder in kritische zin geschreven naar aanleiding van het ook door Hensen genoemde boek van Jurriën Beumer 'Intimiteit en solidariteit', waarin mystieke beleving vooral te maken heeft met solidariteit met de lijdende mensheid.
In dit boek gaat het echter speciaal om de mystieke beleving of vereniging met Christus. Dat geeft aan dit boek een aparte spits. Het gaat hier over 'christocentrische mystiek'. Hensen zegt hierover zelf, dat in de mystiek de Zoon van de levende God, Zijn lijden, dood en opstanding vaak búíten de ervaring blijven. In hoeverre is er echter ook mystieke 'vereenzelviging met Jezus'? Het gaat hem dan ook om de mystieke Godservaring in de eenwording met de lijdende en stervende Jezus.
De christelijke mysticus heeft, zegt hij, in 'de donkere nacht' (van de zelfontlediging) weet van de bezieling door het plaatsvervangend lijden van Hem, die zichzelf ontledigd heeft tot de dood van het kruis (Filipp. 2 : 7). Hij beseft, dat hij het lijden en sterven van Jezus in zijn lichaam omdraagt en voortdurend aan de dood wordt uitgeleverd om Jezus' wil (2 Kor. 4 : 10 e.v.). Hier vallen woorden als 'Kruismystiek', waarin het lijden centraal staat, en ook 'bruidsmystiek', die dan slaat op de mystieke vereniging met Christus (unio mystica).
De begenadigden
In dit verband gaat de schrijver in op wat hij noemt de 'begenadigden', mystici in vroeger eeuwen, zoals Franciscus van Assisi, Paulus van het Kruis en Johannes van het Kruis en Maria Peteyt. Hier verraadt zich overigens de rooms-katholieke afkomst (en voorkeur) van de schrijver.
Wat de hedendáágse lijdensmystiek betreft schenkt hij aandacht aan Simone Weil, de joodse Française, die christen werd en een directe Christuservaring had. Zij deelde haar leven met de Franse fabrieksarbeiders in de Renaultfabrieken. Ook krijgt aandacht de beeldende kunstenaar Georghes Rouault.
Maar dan komt Hensen vervolgens te spreken over twee wereldbekende en nochtans heel verschillende vrouwen, te weten moeder Teresa, die in Calcutta haar leven deelt met de armsten der armen en M. Basileia Schlink, de stichtster van de protestantse gemeenschap van Marienschwestern.
De mystieke vereniging van moeder Teresa verloopt via het lijden der armen. Ze zegt daarvan zelf:
'Mijn arme stakkers in de sloppen van de wereld zijn als de lijdende Christus. In hen leeft en sterft Gods Zoon en door hen laat God me Zijn ware gelaat zien'.
'Door ons werk bij de allerarmsten raken we Jezus elk etmaal aan… De armoede is onze bruidsschat'.
De schrijver zegt van haar: 'In de verkommerden en de onbeminden, in de verlatenen en de eenzamen, in de onaanraakbaren en de stervenden beleeft zij Jezus'.
Hier gaat het dus niet om de beleving van het plaatsvervangend lijden en sterven van Christus omwille van de zònde, maar omwille van het lijden van mensen zelf. Hier gaat het om nabijheid in de misère van de lijdende mens.
Het leven en werken van moeder Teresa mag ongetwijfeld indrukwekkend heten. En haar beleving van het lijden van de armen laat zich niet op afstand even beoordelen. Anderzijds is hier sprake van een lijdensmystiek, die niet gestempeld is door plaatsvervanging als verzoening.
Bij Maria Basileia Schlink ligt dat gans anders. De schrijver typeert haar als reformatorisch bevindelijk. In haar autobiografie beschrijft ze zèlf haar kritische geest als zondig. Hensen zegt ervan: 'Dat zondebesef klinkt door heel het boek als een donker refrein en zet al vrij vroeg de toon voor haar spiritualiteit…, die zich steeds meer zou kenmerken als een "geloofsstrijd" tegen de zonde'.
Bij haar gaat het om schuldbelijdenis, vergeving door het bloed van Christus. De schrijver zelf toont hier overigens enige afstandelijkheid door te spreken van haar 'krampachtige en geforceerde zondebesef'. Hij vergelijkt haar bevindelijke geloofsbeleving echter wel met bevindelijkheid in kerktypen binnen de Gereformeerde Gezindte. 'Heel haar autobiografie getuigt van een diepe doorleving van de zonde maar ook van de uitredding door het lijden en de dood van de Gekruisigde'. Hij citeert Basileia Schlink als ze zelf schrijft: 'Op een avond, toen ik in gebed was, overweldigde mij opnieuw Gods heiligheid, nu echter niet in gericht, maar in Zijn oneindige liefde die me geheel vervulde'.
Kenmerkend voor de levensgang van Basileia Schlink acht de schrijver het woord uit de Romeinenbrief, dat hij bewust citeert uit de Statenvertaling: 'Wij roemen in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding en de bevinding hoop; en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods is uitgestort in onze harten door de Heilige Geest, die ons is gegeven.' (Rom. 5 vers 4).
Het boek zou aan kracht hebben gewonnen wanneer aan meer (vooral ook theologische) representanten van de reformatorische traditie aandacht zou zijn gegeven.
Levende Christus
Ik kom nu op het mijns inziens meest fundamentele punt in dit boek. Het gaat om een zaak die mijns inziens ook in de gereformeerde traditie, dáár, waar het geloofsleven bevindelijk van aard is, van groot belang is. De schrijver stelt namelijk, dat het gaan moet om 'de nu nog levende Christus'. Hij zegt zelf, dat dit accent op de lévende Christus opmerkelijk is voor iemand in de remonstrantse (vrijzinnige) traditie, waarin het altijd ging en gaat om 'de historische Jezus' (met nadruk op Das Leben Jesusforschung, het onderzoek van het leven van Jezus!), met daaraan verbonden een geloofshouding, waarin niet of nauwelijks sprake is van zonde en schuld, verzoening en verlossing. En hoewel hij zelf van oordeel is, dat 'Gods heilswil alle mensen omvat', gaat het hem wel om de ook nu met en in ons levende Christus. Christus raakt ons 'in de intimiteit van ons diepste innerlijk' en maakt ons 'deelgenoot aan Zijn lijden en dood'.
Hensen stelt zelfs de vraag waarom de mystieke ervaringswereld meestal bepèrkt blijft tot de 'éénwording met Jezus in Zijn lijden en dood'. Bij Paulus gaat het immers ook om 'de éénwording met Jezus in Zijn opstanding uit de dood'! Hij spreekt, naar Filippenzen 3 vers 10, over ervaring van Jezus in de kracht van Zijn lijden èn Opstanding en in de gemeenschap met Zijn lijden. Als verklaring voor het feit, dat bij mystici de Opstanding zo weinig uit de verf komt, noemt hij dat 'de donkere nacht' (van de zelfontlediging) voor hen vrijwel een leven lang bepalend is geweest 'om in te gaan in het goddelijk geheimenis'. Het lijkt hier wel of hij spreekt over diegenen in kerken van reformatorische signatuur, die een leven lang in bekommering rondtobben, zonder dat ooit het licht doorbreekt. In de troosteloosheid van die nacht, zegt hij, hebben ze de gemeenschap met het lijden van Christus ervaren. Maar dat ze vòlhielden was te danken aan de kracht van de Opstànding.
De schrijver veronderstèlt dus het opstandingsmotief bij de christelijke mystici. Het is – het zij nogmaals gezegd – opvallend dit zo te lezen bij iemand, die staat in de remonstrantse traditie.
Levende Christus
Ik laat nu dit boek het boek. Mij dunkt, dat ook 'onder ons' de vraag gesteld mag worden hoe Christus wordt gepreekt en hoe Hij wordt ervaren.
Het is een oer-reformatorische en oerbijbelse notie, dat we de zaligheid hebben te zoeken búíten onszelf. De grond voor het heil ligt buiten ons in Christus. In het geloof versmelt een mens niet met de Godheid, maar wordt hij uit genade gerechtvaardigd. God daalde in Christus door de Heilige Geest tòt hem àf.
Maar het kennen van Christus volstáát toch niet met een louter verstàndelijk beamen van de 'waarheid' van de genade. Kennen is liefhebben, erváren ook, beléven in de intimiteit van de omgang met God. Om dit gééstelijk, bevindelijk kennen gaat het toch wanneer Paulus zegt: 'Opdat ik Hem kenne en de kracht van Zijn Opstanding en de gemeenschap van Zijn lijden. Zijn dood gelijkvormig wordende' (Fil. 3 vers 10).
In de prediking mag als zodanig toch wel de beschrijving van het lijden van Christus een plaats hebben, niet om louter ontroering te wekken, maar opdat de gelovige vertroosting vinde in Zijn wonden. Maar prediking mag anderzijds toch niet in het lijden blijven steken. Ook zal de Opstanding worden geproclameerd, opdat het geloofsoog Christus ziet verrijzen uit de donkere nacht van het graf en de dood en Hij voor het geloofsoog oprijst als de Rechtvaardige, opgestaan tot ònze rechtvaardiging.
Christus verrees met het witte kleed der overwinning uit het graf. Zo is Hij de Levende, de ook nú nog Levende. Zo geeft Hij door Zijn Geest kracht in lijden en strijden. Zo doet Hij met name delen in de verzoening van schuld en zonde en geeft daarin allereerst uitredding uit de diepste nood en dood, de schuld voor God.
Plaatsvervanging betekent verzoening!
Christusidee
De vraag is enerzijds of prediking altijd wel prediking is van de lévende Christus. Wordt Christus soms niet onder een deksel gepredikt, namelijk wanneer Hij meer als een idee wordt voorgesteld dan als de levende Borg? De Naam wordt dan wel genoemd, verbonden soms met allerlei voorof achtervoegsels. Maar het blijkt niet de levende Christus der Schriften te zijn, de Opgestane uit dood en graf. Die mijn ziel lief kreeg.
Het kan anderzijds evenwel ook voorkomen, dat bevindelijkheid trekken van louter lijdensmystiek krijgt, namelijk wanneer men blijft steken in het lijden en dat direct verbindt met de 'donkere nacht' van het immer in zichzelf zuchtende kind van God. Als dan niet Christus als de Levende Persoon gepredikt wordt, kan het zijn, dat de grond van het heil komt te liggen in de mens zelf en niet in wat Christus in lijden en opstanding vóór ons en zònder ons en búíten ons heeft verricht.
Uiteindelijk ligt de hoop toch alleen verankerd in de Opgestane. Het anker der hoop ligt vast in Hem.
Enerzijds hebben we behoefte aan een Geest-doorademde Christusprediking, die het lijden van Christus verkondigt, niet alleen door het te noemen maar ook door het ook te duiden.
Anderzijds zal prediking alleen levenvoedend zijn wanneer de Opstanding wordt geproclameerd, zodat de verrezen Christus voor het geestesoog verrijst. Opdat we Hem kennen en de kracht van Zijn Opstanding! Kruismystiek is niet genoeg. En bruidsmystiek kan toch de dimensie van de Opstanding missen en nooit toekomen aan de vrijspraak. Het nochtans van de rechtvaardiging ligt echter in Christus' overwinning van dood en graf.
Het is van tweeën één: de lévende Christus of een Christusidéé. In de prediking van de levende Christus wordt ook schuld levend, telkens wéér levend: 'Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven'.
In de troosteloosheid van het hart schuilt geen leven. In het lijden van mens en wereld evenmin. Het lijden van deze tegenwoordige wereld bestaat dan ook uit méér dan uit solidariteit met de lijdende mensheid. Het lijden raakt ook het innerlijk bederf, de inwonende zonde, het niet geraken aan onze bestemming van Godswege, en verder ook het Gods-gemis na ooit beleefde Gods-gemeenschap. Hoe daaruit te worden bevrijd? In die 'donkere nacht' van het lijden, waar Gods kinderen kennis van dragen, breekt toch alleen het licht door in de prediking van de levende Christus.
Met een Christus-idee in oud of nieuw gewaad blijven we nog in onze zonde.
Ook met een Christusidee van een dode rechtzinnigheid blijven we nog in onze zonde. Het kan zelfs verhulling betekenen voor vijandschap jegens het Evangelie van de Gekruisigde en Opgestane Christus.
Jezus leeft, ook nú. Hij leeft vóór mij. De rechte 'eniging' met Hem ligt in de gemeenschap met Zijn lijden en sterven en in de kracht van Zijn overwinning op de Paasmorgen. Die 'eniging' mag met recht gelóófs-vereniging heten.
v. d. G.
N.a.v. Wilfried Hensen, De gemeenschap met Zijn lijden, uitgave Ten Have, Baarn, 106 pag., ƒ 24,90.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1994
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's