Zoeken
O, God! Gij zijt mijn God, ik zoek U.(Psalm 63 : 1)
Psalm 63 is een rijk geschakeerde psalm.
In deze psalm klinken uitingen van een diep verlangen, van vertrouwen en van dankbaarheid.
Voor velen is deze psalm dan ook een geliefd lied geworden.
Bij de verschillende uitingen in dit lied willen we de komende weken stilstaan.
Dat kan heel goed aan de hand van vier trefwoorden.
Er is in deze psalm sprake van zoeken, zien, zingen en zegenen.
Al verwoorden we de rijkdom van deze psalm daarmee niet geheel, het mag hopelijk een poging zijn, dit lied onder deze gezichtspunten wat naderbij te brengen.
Psalm 63 is een lied, dat David geschreven heeft in een crisissituatie in zijn leven. Hij wordt door leugensprekers, door vijanden vervolgd en hun macht schijnt onbeperkt. Door de rebellie van zijn zoon Absalom is hij naar de woestijn van Juda gevlucht. Dit is een dor en dorstig land, dat smacht naar water en alleen zo tot bloei kan komen.
Sommige uitleggers willen dit verblijf in de woestijn vooral geestelijk uitleggen. De woestijn is in de bijbel behalve een geografische aanduiding ook een belevingsaanduiding. Plaats van beproeving, van nabijheid en verberging, van verlangen, van loutering ook. In de woestijn komt aan het licht wat er in de mens leeft.
Mijns inziens moeten we dit zich in de woestijn bevinden van David letterlijk uitleggen, al spelen genoemde noties mee.
In deze eerste meditatie willen we stilstaan bij het zoeken van de psalmist. Daarmee begint de psalm ook. 'O, God, Gij zijt mijn God, U zoek ik'.
Zoals het dorre land van de woestijn smacht naar water, zo verlangt David naar God met ziel en lichaam. In de totaliteit van Davids bestaan is er één groot verlangen naar God. En dat is een uiterst sterk, verlangen.
Honger, maar vooral dorst is een scherp zwaard.
En zoals de dorst gelest moet worden, wil men in leven blijven, zo moet dit verlangen gestild worden.
Hoewel de vraag is of de tekst dit helemaal steunt, voegt de Statenvertaling er vanuit bepaalde vertaling aan toe 'in de dageraad'.
Zodra de zon opgegaan is, al heel vroeg in de morgen, zoekt David naar God. Wat voor zoeken is dit?
Je kunt naar God zoeken vanuit een zeker gemis, een leegte.
In onze tijd zijn er veel mensen, die op zoek zijn naar het Hogere. Hoewel het hun materieel gezien aan niets ontbreekt, hun gezondheid niets te wensen overlaat, ervaren sommigen toch iets van een leegte, een woestijn. Daarin zijn ze op zoek.
Allerlei nieuwe uitingen van religie, die ook via de media tot ons komen, spelen op dit zoeken in en voeren de pretentie er antwoord op te geven.
Dit is een zoeken vanuit een gemis naar iets wat onbekend is.
In de moderne theologie wordt gesproken over zoekontwerpen. Uitspraken zowel in de Heilige Schrift als daarbuiten.
Zoekontwerpen, die ertoe dienen om God te vinden en die behulpzaam moeten zijn om onder woorden te brengen wie God is. Daarin gaat deze theologie er ten onrechte aan voorbij, dat de Heere zich in de Heilige Schrift geopenbaard heeft.
Er zijn dus mensen op zoek naar God, zonder Hem te kennen. Ook in de bijbel komt dat voor.
Er is zelfs een belofte voor hen, die de Heere vroeg zoeken, in de dageraad van hun leven. Zij zullen vinden.
Toch is dit niet het zoeken, dat hier bedoeld wordt.
Hier is niet iemand op zoek naar God zonder te weten naar wie hij op zoek is. David zegt immers: 'O God, Gij zijt mijn God'.
David kent de Heere, niet alleen als de Schepper en als de God van Abraham, Izaäk en Jacob, maar als zijn God. En wat wil een mens meer, dan zekerheid hierover bezitten? David weet daarvan, onder andere daaruit, dat hij de hulp van God meerdere malen heeft ervaren.
Hoewel David weet, dat de Heere ook zijn God wil zijn, is hij toch op zoek naar God. Is dit dan misschien een zoeken vanuit een afgedwaald zijn? Ook dat kom je tegen in de bijbel.
Tot Israël in de ballingschap wordt gezegd: 'Zoek de Heere terwijl Hij te vinden is, roep Hem aan terwijl Hij nabij is'. En dat staat alles in het kader van een zich bekeren van de weg van God vandaan, de dwaalweg. Ook aan dit zoeken is de belofte van het vinden verbonden.
Toch wordt ook dit zoeken hier niet bedoeld.
David is niet afgedwaald, maar door een bedreigende situatie gevlucht. En vanuit dat gevlucht zijn naar de woestijn zoekt en verlangt hij naar God. Hij verlangt dus niet in eerste instantie naar het comfortabele leven aan het hof. Over het paleis hoor je hem geen woord zeggen. Hij verlangt naar het huis van God, de tempel, of liever de tabernakel, want de tempel was in Davids dagen nog niet gebouwd.
Er is in deze psalm dan ook sprake van allerlei beelden uit de tabernakel.
Wanneer in vers 6 wordt gesproken over 'smeer en vettigheid', moeten we denken aan de offers die gebracht werden. Bij het 'roemen met vrolijk zingende lippen' aan de liturgie, de koren, die in de tabernakel zongen. Bij 'de schaduw van Uw vleugelen' aan de cherubim, die op de ark staan als teken van de bescherming van God, waar men toevlucht kan zoeken.
David is dus in de woestijn, maar met zijn gedachten en verlangens is hij in de tabernakel. Hij gedenkt aan de dagen van weleer. Daarom kunnen we dit verlangen en zoeken beschouwen als heimwee.
Zo kan er een heimwee zijn naar een geliefde van weleer, naar iemand die je is ontvallen door de dood.
Soms hoor je mensen dit diepe verlangen uiten naar een moment van vroeger. 'Was hij of zij er nog maar'.
David heeft de Heere aanschouwd, ziende Zijn sterkheid en eer.
Juist omdat David weet wie God is, Zijn sterkheid en eer aanschouwd heeft, klinkt er zo'n sterk verlangen. Het verlangen naar een nieuw ontmoeten van de Heere. En dat verlangen moet gestild worden.
Misschien herkent u dat.
Er wordt wel gesproken over een tijd van Godsverberging of Godsverduistering. Soms wordt daar zelfs wat afstandelijk over getheologiseerd.
Hier is iemand aan het woord, die God zoekt, die niet over het verlangen naar het vinden theoretiseert, maar met alle vezels van het bestaan uitziet naar het stillen van het verlangen, het lessen van de dorst.
Zulke tijden kunnen er zijn in ons leven, door welke omstandigheden dan ook. Tijden waarin je denkt 'toen was het er'.
Toen leefde ik zo dicht bij de Heere.
Toen wist ik ook dat Hij nabij was.
Toen voelde ik me niet prijsgegeven en verlaten.
Maar het is nu zo anders.
Godsverberging, geestelijke verlatingen.
In zulke tijden komt aan het licht wat er in ons hart omgaat.
Wat blijft er dan nog over?
Dan rest er als het goed is, niets anders, dan het zoeken en verlangen naar hetgeen je eens zo sterk beleefde.
Het is best mogelijk dat David in zijn paleis, waar hij alles kreeg en op zijn wenken bediend werd, helemaal niet zo naar God verlangde.
Als er welvaart is, zijn de mensen vaak vergeetachtig, maar het moet maar eens dor en dorstig zijn en zonder water, welvaart en voorspoed. Dan komt eruit wat er in het hart leeft.
Soms heb je zo'n tijd nodig. Het geloof hangt zo vaak samen met de omstandigheden. Zoeken is in ieder geval weer de ontmoeting met de Heere ervaren. Merken dat Hij Zijn naam waar maakt. 'Ik ben nabij'. Die naam, die vlees geworden is in de Heere Jezus Christus. Ja, als je zo zoekt, dan moet je het kennen.
Dan moet je gezien hebben.
Over dat 'zien' gaat het de volgende keer. In ieder geval wordt.in deze psalm duidelijk, dat dit zoeken ook vindt.
De psalm eindigt met een verblijden.
De Heere zou de Heere niet zijn, als Hij dit verlangen niet stilde, deze dorst niet leste.
D. M. van de Linde, Groningen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's