De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Christelijke vrijheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Christelijke vrijheid

7 minuten leestijd

Wie draagt er tegenwoordig nog een hoge hoed? Dit hoofddeksel is alleen nog te zien bij een begrafenis. En dan bijna alleen door de begrafenisdienaar gebruikt en door zijn helpers. Maar de familieleden van de overledene bedienen zich hoogst zelden van dit kledingstuk. En trouwens ook de predikanten hebben het voor een groot deel afgeschaft. De hoge hoed, de witte das en de zwarte jas – het is allemaal verdwenen. Toch is er een tijd geweest, dat het de dagelijkse dracht van iedere predikant was. Op oude foto's is het nog duidelijk te zien. Maar tegenwoordig overheerst veelal het donkere costuum. Puur zwart overweegt meest in de rechterflank van de kerk, donkergrijs is het middendeel – en alle kleuren van de regenboog is het overig veld van de kerk. Ja, zelfs het spijkergoed doet zo hier en daar zijn intrede.


Er zijn mensen, die dat betreuren. Men moet eerlijk zijn intussen. Eigenlijk doet men daarin, wat ook in vroeger eeuwen geschiedde. Men volgde de bestaande mode. Goed, men ging niet aan de spits, waar het de veranderingen in die mode betrof, maar men volgde bedachtzaam, om niet geheel buiten zijn tijd te staan. Dat is een goed beginsel. Geheel buiten de mode kunnen wij niet. De modekleur is soms blauw, dan weer groen en vervolgens bruin. Het wisselt met het vallen van de bladeren. De textielindustrie volgt daarbij op de voet. Wij hebben de indruk dat de damesmode wisselvalliger is. De herenmode is wat constanter. Maar tendenzen zijn telkens bemerkbaar. En – wij allen hebben de neiging na korter of langer tijd wat nieuws te maken of te kopen om niet geheel en al ouderwets te zijn.


Alleen – nu moeten wij niet in een geheel ander uiterste vervallen. Daar zijn zekere regels van kiesheid en betamelijkheid, die niet ongestraft worden overtreden. De kleren, die wij dragen, geven ook uitdrukking aan onze persoonlijkheid. Een vertegenwoordiger, die zijn cliënten bezoekt, gaat niet in vrijetijdskleding. De bankbediende krijgt ook wel eens stille aanwijzigingen voor het tewoord staan van de mensen voor de balie. En – wat zouden wij vreemd opzien wanneer de arts ons in de spreekkamer ontving in tuinkleding. Het gewicht van onze functie drukken wij uit in de kleding en daarom behoeft ook een predikant er niet uit te zien als een fat uit een herenmodeblad. De kleren maken de man wel niet, maar de kleren ontnemen soms aan de man iets van zijn invloed, wanneer zij met zijn functie strijden, en terecht; ook in de kleding en in de wijze waarop iemand zijn kleding draagt, openbaart zich iets van het karaktervan de mens, evenals in de meest spontane uitingen van zijn leven. Er zijn mensen die zich van geen van deze dingen aantrekken, maar die bewijzen daarmee maar al te vaak hun nulliteit.


Met die kledingvrijheid hangt menige andere vrijheid samen. Door haar beschermd of liever door de kleding niet langer openbaar, kunnen wij ons vrijer bewegen. Zo oordelen althans velen. Maar is dat juist? Wie een bepaald uniform behoeft om binnen de grenzen van het passende te worden gehouden, wie zich van het kwade onthoudt, om zijn kleed niet te onteren, is de rechte discipel van Christus niet. Het blijkt ook uit de geschiedenis van vroegere tijden, dat de Ideding niet bij machte was zijn dragers voor het geven van openbare aanstoot te bewaren.


Maar, zegt men, er is veel, wat in zichzelf niet ongeoorloofd is. En toch staat de gemeente niet toe, dat de predikant er van genieten zou. Tegenwoordig is hij veel vrijer daaraan deel te nemen. Welnu, u hebt daar gelijk in, wanneer u bedoelt: vrijer tegenover de mensen. De kwestie is voor ons evenwel niet, wat de mensen oordelen, maar wat de Heere van ons oordeelt. De mensen kunnen soms allerlei dwaze eisen stellen en wij kunnen ons stipt aan die eisen onderwerpen en altijd deftig, plechtig en stichtelijk voor de dag komen en toch vaak te licht bevonden worden voor de rechtbank van ons eigen geweten, en bovenal in het oordeel des Heeren. Daarentegen kunnen wij leven als andere christenen, ons niet storend aan het 'smaak niet en raak niet en roer niet aan' zonder ons te bezondigen. Maar het moet een ingaan en uitgaan zijn als christenen.


Dat geldt predikanten, maar evengoed alle gemeenteleden. Wij hebben te bedenken dat op ons bij uitnemendheid van toepassing is, wat de Heere Jezus tot Zijn discipelen zei: 'Gij zijt een stad bovenop een berg liggende'. Onwillekeurig vestigen zich de ogen van ongelovigen op de pastorie en wie haar bewonen. Geheel vanzelfsprekend kijkt de wereld ook naar de kerkmensen. Men weet er alles van. Wat bij een ander ongemerkt zou voorbijgaan, wordt ons niet geschonken. Wij hebben dus toe te zien, dat wij geen rechtmatige ergernis geven; dat wij niet door vlekken of vlekjes in ons gedrag de indruk wekken, alsof wij tot motto hadden gekozen: Doet naar mijn woorden, maar niet naar mijn werken.


Onze liefde moet de Heere en Zaligmaker zijn toegewijd. Dan zal het predikant en familielid niet moeilijk vallen zich te verloochenen en om Jezus' wil weg te doen, wat ons verhinderen zou onze krachten te besteden aan de gemeente. Er gaat tegenwoordig een diepe strijd door vele gemeenten. Er is aan de ene kant een partij van conservatieven, die alles bij het oude willen behouden. Aan de andere zijde een groep van progressieven, die onophoudelijk naar vernieuwing en verlichting streven. Rechts en links om zo te zeggen. De gemeente wordt er door in tweeën gedeeld, verscheurd en verbitterd. Het predikantsleven wordt een ware verschrikking in deze situatie. De gemeente fladdert naar alle kanten heen.


Wat mogen wij nu wel doen en wat mogen wij nu niet doen? Ons eigen, door het Woord Gods voorgelicht geweten moet het antwoord geven op hetgeen wij hier vragen. Luisteren wij naar hen, die pilaren menen te zijn, dan worden de eisen al maar meer. Die eisen geven de kledingaan, de lengtevan de preek, de tekstkeuze en zo tot in het oneindige toe. Die eisen worden doorgaans de predikant gesteld, maar voor zichzelf meestentijds vergeten. O, hoeveel verdriet wordt in dit opzicht niet overal geleden! Het maakt hier verschil of wij ons standpunt bepalen naar gelang wij te doen hebben met betweters of met eenvoudige zielen. Een sprankje humor is soms hier nuttig…


Weet u, wat voorgangers en gemeenteleden tezamen behoeven? De wijsheid van de apostel Paulus. De liefde werd bij hem niet verbitterd en handelde niet ongeschikt. Onredelijke eisen mogen wij afwijzen en kwade beginselen moeten wij tegenstaan. Wij hebben in Christus vrijheid ontvangen. Daarom zeiden de Korinthiërs: alle dingen zijn mijn geoorloofd. Zij meenden tot alles bevoegd te zijn. Paulus spreekt dat niet tegen, maar zij mogen toch niet vergeten, dat alles alleen geoorloofd is binnen de dienst van God, dus met uitzondering van de zonde. De vrijheid mag geen losbandigheid worden. Eveneens hebben wij te bedenken, dat niet alle dingen stichten, dat wil zeggen: nut doen. Iets kan op zichzelf geoorloofd zijn, maar zal onder bepaalde omstandigheden toch moeten worden nagelaten. Ieder moet het welzijn van de ander willen dienen en daarom moet hij niet altijd van zijn vrijheid gebruik maken. Wie in het gebruik der vrijheid alleen rekening houdt met zijn eigen voordeel, handelt verkeerd. Men moet óók letten op het welzijn van de naaste, door hem geen aanstoot te geven.


Een klein teer voorbeeld tenslotte. Een beroemd zangeres moest eens een zangavond geven in een blindentehuis. Ze dacht maar te gaan in een gewone japon – want die mensen zien toch niets. Haar oude vader vroeg haar evenwel: wat doe je op die avond aan? Ze antwoordde met haar plan. Kind, zei hij, en wanneer nu iemand van de blinden vraagt wat voor japon je aanhebt, wat moeten ze dan antwoorden? De zangeres trok haar mooiste avondjurk aan. En toen inderdaad iemand vroeg hoe ze er uitzag, kon de direkteur antwoorden dat ze een allerschoonst toilet droeg. Welnu dus: niet handelen naar eigen inval. Maar om zwakken niet te kwetsen, moeten we geen gebruik maken van onze vrijheid. Dat is de kiesheid der liefde.

A. van Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Christelijke vrijheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's