De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

8 minuten leestijd

In de Utrechtse Volks-almanak' van het jaar 1862 (uitgave L. E. Bosch en Zoon) vond ik het volgende over het in 1461 te Utrecht opgerichte 'Dolhuis' (stichter Willem Aerntszoon), een voor dìè tijd kritische, voor ónze tijd intussen anecdotische beschouwing bij het 400-jarig bestaan:

'Zoo was dan het Dolhuijs in1461 opgerigt. Naar het toenmalig begrip van krankzinnigheid, kende het Gesticht weinig van eene inrigting voor zieken hebben. Men vindt in een der oudste resolutiën opgeteekend, dat niemand in het huis wordt opgenomen dan nadat zijn dolheid was gebleken. In het einde der 16e eeuw wordt bij resolutie bepaald, dat de krankzinnigen vóór de opname door twee van de broeders moeten gevisiteerd zijn. Meerdere voorbeelden toonen aan, dat men niet dan razenden en dollen, en later ook zij, die in den hoogsten graad van onnoozelheid verkeerden, – "geen gekken en gekkinnen" – in het huis wilde verplegen. Het ontslag had plaats op bekomen berigten van suppoosten, als iemand in langen tijd niet dol geweest was. Eerst veel later had, zooals wij zullen zien, het ontslaan in overleg met een geneesheer plaats. De lijders werden opgesloten in huisjens, dat wel niet anders dan hokken zullen geweest zijn. Dat zij daarin steeds gesloten en gespannen gehouden zijn, valt bijna niet te betwijfelen. – Wij hebben redenen om te vermoeden, dat in de eerste eeuw, toen de inrigting over het algemeen iets huiselijks had, men de krankzinnigen wel niet onnoodig zal gekweld hebben, en bovendien mogen wij niet vergeten, dat men zich, althans tot in de laatste helft der vorige eeuw, niet voorstelde de verbetering van den krankzinnige. Veeleer trachtte men hem te dwingen of voor anderen onschadelijk te maken. Verbeterde hij intusschen, des te beter.
Het is een schandvlek, die men niet kan uitwisschen, dat Regenten al zeer spoedig de bezigtiging van het Dolhuijs op Paasch-Maandag, later ook op Paasch-Dingsdag en andere dagen tegen betaling eener entré toelieten. Men weet, dat dit aanleiding gaf tot bespotting en kwelling van den ongelukkigen krankzinnige. Inderdaad werd daardoor het Krankzinnigen-Gesticht tot een dierenspel verlaagd. Paasch-Maandag was er kermis in het kerspel van St. Nicolaas. Wanneer men zich voorstelt de vreugde, die aldaar zal geheerscht hebben en dientengevolge de stemming, waarin de kermisgasten het Dolhuijs bezochten, dan weten wij niet, wie wij het meest beklagen moeten, de ongelukkige krankzinnigen, die getergd werden, of de regenten, in wier hart geen plaats voor medelijden scheen te bestaan. Gelukkig waren niet alle regenten van denzelfden aard. Van tijd tot tijd zien wij de bezigtiging van het Krankzinnigen-Gesticht beperkt en de daarbij bestaande misbruiken eenigermate beteugeld. In 1616 werd zelfs de paaschdol, zooals men haar noemde, afgeschaft. Jammer slechts, dat zij in 1621 herleefde, en, ofschoon van tijd tot tijd herhaaldelijk afgeschaft, tot in omstreeks 1825 haar treurig bestaan rekte. Dr. Van der Lith heeft ons in zijne merkwaardige redevoering van 30 Januarij jl. medegedeeld, dat de paaschdol, ook in verband met de vergunning in de 17e eeuw tot het plaatsen van kramen op het erf van het huis, en alstoen paaschdol-kermis geheeten, eene bron van inkomsten voor het huis was, en dat regenten dit, wanneer men hen over het schandaal onderhield, tot hunne verdediging aanvoerden. Voorwaar een zwakke verdediging. Het spijt ons, dat die verdediging van den kant van regenten zoo arm aan argumenten is. Velt die armoede hun vonnis niet? (…)'



Een lezer knipte het volgende stukje uit een Zuidafrikaans blad 'Woord en wêreld'. Het droeg als titel 'Jij is in die middel'.

'ONS het seker almal by die afskeid van 'n vriend of dierbare dit al ondervind: 'n stewige handdruk, 'n innige soengroet, 'n opregte afskeidskus.
Een van die minder bekende seënbedes wat in die Christelike kerk ná 'n diens uitgespreek is, dateer uit die vierde eeu ná Christus. Só het die afskeidsgroet en versekering gelui:
Die Here is voor jou om die weg gelyk te maak
Die Here is langs jou om jou in sy arms toe te vou
Die Here is agterjou om die aanvallen van die bose af te slaan
Die Here is onder jou om jou te dra as jy mag val
Die Here is binne in jou om jou te inspireer
Die Here is rondom jou om jou te beskerm
Die Here is bo jou om jou te seën
Só seën die Drie-Enige Vader, Seun en Heilige Gees jullie – van nou af tot in ewigheid.
Wat 'n heerlike, bemoedigende versekering om die nuwe week mee in te gaan: die wete dat die Here altyd teenwoordig is! Maar dis mos die belofte wat Jesus ook by Sy afskeid aan Sy volgelinge gegee het: "Onthou: ek is by jullie al die dae tot die voleinding van die wêreld" (Matt. 28 vers 20):
"Al die dae" – dit betekent tog elke dag!
Elke dag is Hy voor jou als probleme en beproewings jou lewenspad gevaarlik maak;
langs jou om jou te ondersteun met Sy liefde en bystand; agter jou om versoekings en dislojaliteit van ander mense die nek in te slaan; onder jou as jou kragte min word enjynie verder kan gaan nie; binne in you asjy teneergedruk en moedeloos wil tou opgooi; rondom jou asjy onveilig en bedreigd voel – en bo jou als jou groot kragbron.
'n Seuntjie het aan sy pa gevra hoe groot God se liefde is. Sy pa het hom buite toe geneem en gesê: "So veras watjy voor jou en agter jou en links en regs van jou kan sien – só groot is God se liefde".
Daarop het die seuntjie geantwoord: "Nou verstaan ek, Pappa – en om te dink ons is in die middel van God se groot liefde!"'



In De Saambinder (Gereformeerde Gemeenten) schrijft ds. C. de Jongste lezenswaardige 'Reisimpressies van Suid Afrika'. Hier volgt een gedeelte over Skrifberymings:

'(…) In tegenstelling tot de vrije gezangen in de NG- en NH-Kerk, zijn de gezangen in de Dopperkerk alleen berijmingen van bepaalde gedeelten uit het Oude en Nieuwe Testament. Ze worden de "Skrifberymings" genoemd. Ik acht het onwaarschijnlijk, dat ze – op wellicht enkelen na – door Totius zijn gedicht.
Naar wijlen ouderling J. Roeleveld van Randburg me verzekerde, kan helaas niet elke "Skrifberyming" de toets van Gods Woord doorstaan. Dat is jammer. Zeker, er zijn zeer mooie bij, die waard zijn in huiselijke kring en op school gezongen te worden. Wij kennen die ook van mannen als Van Lodenstein, Sluyter en Da Costa. Met enkele verzen uit de Afrikaanse "Skrifberymings" sluit ik ditmaal af.

In "Die Lydenspsalm" (Jes. 53 : 1-13) luidt het, strofe 1:

Wie het gelowig hart en oor
geneig om na Gods Woord te hoor?
Die arm van God, aan wie en waar
is dit in krag geopenbaar?
Hy tog, die swakke Loot, het uit
'n dorsland voor Hom opgespruit;
en prag of heerlikheid vir wie
Hom aansien, had die Spruitjie nie.

De verdere vervulling hiervan wordt bezongen in "Die Kruiswoorde" (uit de vier evangeliën), waarvan de verzen 4 en 5:

Middagklare son word duister
deur die duister noodgeskrei:
"O My God, My God en Helper,
waarom tog verlaat U My?"
Jesus sink, na sware stryd
in die dubb'le donkerheid.

In 'n wereldwyde dorheid,
met 'n brandend-droë bors,
roep die Heer van alle dinge,
Skrifvervullend: "Ek het dors!"
En hul het Hom in Sy wee
edik uit 'n spons gegee.

Na Christus' opstanding uit de dood, horen wij alt vrucht in de "Paastriomf" (Rom. 8 : 33-39) zingen strofe 1:

Wie kan ons voor die regter daag?
Gods uitverkorene kind verklaag?
Waar is die mond, wat durf verdoem
as God Sy kind regverdig noem?

Wie sal ons – van die skuldstraf vry –
van Christus en Sy liefde skei?
Verdrukking of vervolgingsnag?
Benoudheid, wat ons hier nog wag?

Maar nee, ons sal oorwinnaars bly
deur Hom vir Wie ons leef en ly.
Ja, 'k weet gewis, geen lewe-of dood,
geen en'lenmag, bo-menslik groot,

geen skepsel in die skepping wyd,
geen ding in tyd of ewigheid – 
niks kan ons van Gods liefde skei
wat ewig-vas in Christus bly.

Voor Gods verkoren Kerk tot in het laatste nageslacht geldt dan ook op rechtsgronden de grote "Pinksterbelofte" (Ez. 36: 25-28), vers 1:

"Water sal Ek op hul sprinkel,
water uit 'n springfontein".
En van alle-onreinighede
was die HEER Sy volk dan rein.
"Nuwe harte gee Ek julle,
en Ek gee 'n nuwe gees;
'K sal die hart van klip verwyder,
aan jul gee 'n hart van vlees.

Tot slot het eerste couplet uit de "Verkiesingsjubel!" (Ef. 1 : 14):

Geseënd sy bo alle dinge,
die eew'ge God en Vader! Hy
het in die hemel seëninge
vir ons in Christus toeberei.

Na die besluit, uit Hom gebore
en ewig in Sy Wese vas,
het Hy in Christus ons verkore
voordat daar tyd of wereld was.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1994

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's